Artikelen

RBGEL 170322

Hoofdcategorie: Publicaties
Categorie: 2022

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2022/RBGEL-170322

Eerder al op het LSA Letselschade Magazine, nu ook op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBGEL:2022:1548

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/391103 / HARK 21-127 / 103 / 876

Beschikking van 17 maart 2022

in de zaak van

[ verzoekster ] ,
wonende te [ woonplaats ] ,
verzoekster,
advocaat mr. J.F. Roth te Amersfoort,

tegen

de naamloze vennootschap
NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGEN
MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
verweerster,
advocaat mr. H.Th. Vos te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna [ verzoekster ] en Nationale Nederlanden genoemd.

1.
De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 14
- het verweerschrift met producties A tot en met J
- de van de zijde van [ verzoekster ] toegezonden productie 15 tot en met 19
- de mondelinge behandeling op 6 december 2021. Verschenen zijn mr. Roth voornoemd, de heer [ X ] , letselschadebehandelaar bij Nationale Nederlanden, en mr. Vos voornoemd. Mr. Roth heeft het standpunt van zijn client mede aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht.

2.
De beoordeling

2.1.
Op 1 oktober 2016 is [ verzoekster ] een verkeersongeval overkomen. Nationale Nederlanden heeft als WAM-verzekeraar van de aansprakelijke wederpartij de schadeafwikkeling op zich genomen. [ verzoekster ] heeft in een eerder verzoekschrift bij deze rechtbank een voorlopig deskundigenbericht verzocht van een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater ter vaststelling van causaal verband tussen de klachten/beperkingen bij [ verzoekster ] en het ongeval. In de beschikking van 3 april 2018 heeft deze rechtbank neuroloog dr. W.I.M. Verhagen, neuropsycholoog drs. E. van der Scheer en psychiater prof. dr. M.L. Stek tot deskundigen benoemd.

2.2.
In zijn rapport van 12 september 2018 komt neuroloog Verhagen tot de volgende klinische diagnose:
"Er is sprake van een whiplash associated disorder graad 2 volgens de classificatie van de Quebec Task Force (Spine, 1995). Als differentiaal diagnose kan gedacht worden aan posttraumatische nek- en armklachten. De ontwikkeling van het klachtenpatroon past beter bij een whiplash associated disorder.
Verder zijn er aanwijzingen voor stemmings- en angstklachten alsmede acceptatie- en verwerkingsproblematiek. Een en ander betreft het gebied van de psychiatrie. Haar ervaren cognitieve problemen zijn naar mijn mening secundair bij een chronisch geworden pijnsyndroom. Noch op basis van ongeval, ongevalmechanisme, noch op basis van de onderzoekbevindingen zijn er aanwijzingen voor primair cerebrale beschadiging als oorzaak voor deze problemen. In dit opzicht kan ook stemmingsproblematiek een negatief effect hebben op haar cognitieve functioneren
".

Op vraag 1.g. naar beperkingen op het vakgebied van de neurologie antwoordt Verhagen als volgt:
"Bij ontbreken van neurologisch substraat kunnen conform de NVN-richtlijnen op het vakgebied van neurologie geen beperkingen worden aangegeven."

2.3.
In haar rapport van 14 februari 2019 komt neuropsycholoog Van der Scheer tot de volgende eindconclusie:
"Onderhavig onderzoek heeft geleid tot niet-valide waarnemingen/uitkomsten waardoor het onjuist is om het bestaan van een primair dan wel pijngemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid aannemelijk te maken. Anders gezegd, in neuropsychologische zin kan er geen onderbouwing worden gevonden voor het subjectieve klachtenpatroon van betrokkene. Andere factoren spelen volgens onderzoekster een rol: zo is er sprake van verwerkings- en acceptatieproblematiek, spannings- en angstklachten en een depressief toestandsbeeld. Het is echter aan het oordeel van de psychiater (aanbeveling) om na te gaan of een psychiatrische diagnose een passende en sluitende verklaring biedt voor het klachtenpatroon van betrokkene."

Op vraag 1h. naar beperkingen op het vakgebied van de neuropsychologie antwoordt Van der Scheer als volgt:
"Aangezien het onderzoek geen evidentie levert voor het bestaan van een primair dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid, luidt het antwoord op deze vraag `niet van toepassing'."

2.4.
In zijn rapport van 4 september 2019 komt psychiater Stek in zijn antwoord op vraag 1f. tot de volgende diagnose:
"As I: Pijnstoornis, deels bepaald door psychische factoren
Angststoornis met depressieve stemming
Specifiek werkprobleem
As II: Uitgestelde diagnose
As III: incisieve pijnklachten na acceleratie/deceleratie-trauma, neurologisch geduid als whiplash associated disorder gr II
As IV: stagneren van opleiding en ontwikkeling
As V: GAF score 51-60
( ... )

Niet uitgesloten kan worden dat aggravatie met een daarbij verlopende catastrofale gedachtegang met hieraan gepaard gaande gevoelens een rol kan spelen in het gepresenteerde beeld en functioneren van betrokkene."

Op vraag 1 g. naar beperkingen op het vakgebied van de psychiatrie antwoordt Stek als volgt:
"Het is aannemelijk dat er vanuit psychiatrische diagnostiek, de aanpassingsstoornis en pijnstoornis, deels bepaald door psychische factoren, enige beperkingen bestaan voor het functioneren op de belangrijkste levensterreinen. Deze liggen op het vlak van energie, frustratietolerantie en afbreukrisico. Met betrekking tot de ervaren cognitieve beperkingen zijn gezien de bevindingen bij neuropsychologisch onderzoek en bij psychiatrisch onderzoek geen uitspraken mogelijk."

2.5.
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen door een revalidatiearts. Volgens [ verzoekster ] is een onderzoek van een revalidatiearts nodig ter aanvulling op de conclusies van de neuroloog, de neuropsycholoog en de psychiater teneinde de beperkingen beter vast te kunnen stellen, waarna een verzekeringsarts de uitkomst kan gebruiken voor het opstellen van een belastbaarheidsprofiel. Nu de oorzaak van de pijn al door de neuroloog en de psychiater is vastgesteld, moet de revalidatiearts volgens [ verzoekster ] het onderzoek richten op de mate waarin de bij [ verzoekster ] vastgestelde pijn zich voordoet en naar de gevolgen van die pijn op haar algehele functioneren, zoals vermoeidheid, concentratieproblemen en verhoogde prikkelbaarheid.

2.6.
Nationale Nederlanden stelt zich op het standpunt dat [ verzoekster ] geen belang heeft bij haar verzoek. Nationale Nederlanden onderbouwt dit met de stelling dat de neuroloog geen beperkingen kan objectiveren, er in neuropsychologische zin geen onderbouwing kan worden gevonden voor het subjectieve klachtenpatroon en dat uit het onderzoek van de psychiater volgt dat de ervaren pijnklachten niet worden versterkt of onderhouden door het primaire trauma en dat er geen lichamelijk oorzaak is voor de vastgestelde aanpassingsstoornis en pijnstoornis. Een aanvullend onderzoek door een revalidatiearts zal geen nieuwe antwoorden opleveren, aldus Nationale Nederlanden. Daarnaast betwist Nationale Nederlanden de meerwaarde van een onderzoek door een revalidatiearts wegens het ontbreken van een meetinstrument voor pijn, waardoor de revalidatiearts alleen kan opschrijven wat [ verzoekster ] zelf, dus subjectief, aan klachten en beperkingen beleeft en er daarom geen medisch objectiveerbare beperkingen uit kunnen volgen. Tot slot betwist Nationale Nederlanden dat er een medische eindtoestand is, omdat de psychiater nog een behandeling (SOLK behandeling) mogelijk heeft geacht. Indien het verzoek wordt toegewezen, moet volgens Nationale Nederlanden [ verzoekster ] het medisch dossier nog compleet maken met de gegevens vanuit het UWV en de bedrijfsarts.

2.7.
Een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 2 Rv biedt een partij de mogelijkheid om aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en daardoor beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is de procedure te beginnen of voort te zetten. Aan de rechter die moet oordelen over het verzoek om een dergelijk onderzoek te gelasten, komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij moet het onderzoek in beginsel bevelen, indien het verzoek voor genoemde afwegingen relevant kan zijn en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is echter anders als de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om zo'n verzoek te doen - bijvoorbeeld als dit door onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet kan worden toegelaten - of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.1

2.8.
[ verzoekster ] voert aan dat pijn een belangrijke rol speelt bij haar klachtenpatroon en grote invloed heeft op haar dagelijks functioneren. Zij heeft een belang bij een diepgaander onderzoek naar de gevolgen van de pijn die voortvloeit uit het ongeluk. Zij stelt, onder verwijzing van een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2021 2, dat haar belang in het verzochte deskundigenonderzoek er in ligt dat de revalidatiearts een onderbouwde medische beoordeling kan geven van de gepresenteerde klachten en de invloed van die klachten op het algemeen functioneren, met eventuele discrepanties en dat dit kan bijdragen aan het objectiveren en in kaart brengen van de klachten en beperkingen. De revalidatiearts kan zijn oordeel daarbij, aldus [ verzoekster ] , anders dan Nationale Nederlanden aanvoert, niet enkel op de informatie van [ verzoekster ] zelf baseren, maar kan daarbij gebruikmaken van de eerdere rapportages van de Neuroloog, Neuropsycholoog en Psychiater waarin de medische oorzaak van de gestelde klachten al is beoordeeld en de gevolgen van de pijn in kaart brengen door gebruik te maken van de WPN klasse. De rechtbank concludeert dat [ verzoekster ] haar belang bij het verzochte deskundigenbericht voldoende heeft onderbouwd en zal daarom het verzoek toewijzen.

2.9.
[ verzoekster ] heeft als nadere producties 17, 18 en 19 stukken van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van het UWV overgelegd. Dit betreft een gedeelte van de door Nationale Nederlanden verzochte aanvulling op het medisch dossier. Nationale Nederlanden heeft ook verzocht om aanvulling met de berichten van de bedrijfsarts over de periode 2018 tot en met heden. Ter zitting heeft [ verzoekster ] toegezegd het aan de deskundige over te leggen medisch dossier aan te vullen met de recente informatie van het UWV en de bedrijfsarts. Verder heeft Nationale Nederlanden ter zitting verklaard in afwachting te zijn van een advies van haar medisch adviseur over de later verkregen berichten van de bedrijfsarts en verzocht om dit in een later stadium alsnog aan de deskundige te mogen toezenden. [ verzoekster ] heeft met dat verzoek ingestemd, zodat Nationale Nederlanden een advies van haar medisch adviseur omtrent de informatie van de bedrijfsarts aan de deskundige mag toezenden (met een kopie naar [ verzoekster ] en de rechtbank).

2.10.
Nationale Nederlanden heeft zich niet verzet tegen de benoeming van de door [ verzoekster ] voorgestelde deskundige, revalidatiearts drs. M. van Woensel, verbonden aan DC Expertisecentrum. Drs. Van Woensel heeft desgevraagd verklaard vrij te staan ten aanzien van partijen en bereid te zijn om als deskundige op te treden in deze zaak. De rechtbank zal dan ook overgaan tot benoeming van drs. Van Woensel.

2.11.
Het voorschot op loon en kosten van het neurologisch onderzoek zal conform de opgave van drs. Van Woensel worden begroot op € 3.900,00 exclusief btw, € 4.719,00 inclusief btw. In de begroting zijn 17 uur opgenomen voor verrichtingen van de arts tegen een uurtarief van € 180,00 exclusief btw en 6 uur aan administratieve handelingen tegen een uurtarief van € 90,00 exclusief btw. Daarnaast is nog een bedrag van € 300,00 exclusief btw opgenomen voor overige kosten. Nationale Nederlanden heeft zich, als aansprakelijke partij, bereid verklaard om het voorschot op de kosten van het onderzoek te dragen, zodat Nationale Nederlanden met het voorschot zal worden belast.

2.12.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de vraagstelling, zodat de rechtbank deze hieronder weergegeven vraagstelling, die de rechtbank ook relevant voorkomt, aan de deskundige zal voorleggen.

2.13.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.14.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

3.
De beslissing

De rechtbank

3.1.
wijst het verzoek toe,

3.2.
beveelt een voorlopig onderzoek door een revalidatiearts ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat zijn uw bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel hulponderzoek? Welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied? Welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat?
2. Waaruit bestaan de klachten/ restverschijnselen die [ verzoekster ] aan de door haar aangegeven pijnklachten toeschrijft?
3. Welke beperkingen stelt [ verzoekster ] als gevolg van de pijnklachten te ondervinden bij activiteiten in het dagelijks leven, in de vrije tijdbesteding en bij beroepsuitoefening (inchisief huishoudelijke arbeid)? U wordt verzocht om bij de beantwoording van uw vraag de WPN-classificatie te betrekken zoals vastgelegd in de Proposition paper voor Medisch Specialistische Revalidatie (pagina 8).
4. Acht u op grond van uw onderzoeksresultaten de door [ verzoekster ] aangegeven beperkingen aannemelijk?
5. Zijn er andere- niet door [ verzoekster ] aangegeven- beperkingen op uw vakgebied, waarmee bij de beoordeling rekening moet worden gehouden?
6. Wilt u de door u bevestigde beperkingen zo uitgebreid mogelijk omschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige?
7. Is er thans sprake van een relatieve of deftnitieve eindtoestand?
8. Verwacht u nog een verbetering of verslechtering ten opzichte van het huidige toestandsbeeld en op welke termijn kan een eindtoestand wel worden verwacht?
9. In zijn brief van 4 september 2019 geeft psychiater Stek aan dat het naar zijn oordeel van belang kan zijn om [ verzoekster ] eventueel in aanmerking te laten komen voor behandeling in een specialistisch centrum, gespecialiseerd in gentegreerde behandeling van pijn en secundaire stemmingsklachten, zoals een SOLK-poli, een GGZ-instelling of een revalidatiekliniek. - In antwoord op vraag lh schrijft psychiater Stek:
"Naar inschatting van de onderzoeker is er geen sprake van een eindsituatie ten aanzien van de psychiatrische problematiek in de vorm van stemmingsstoornissen en de psychische attributie aan de pijnklachten. Mogelijk is er vanuit cognitieve gedragstherapie winst te behalen in de omgang met de klachten en de psychische attributie hieraan, bij de nu aanwezige catastrofale gedachtegang. Volledig zicht op alle levensterreinen heeft onderzoeker niet gekregen. Mogelijk spelen andere onderhoudende factoren een rol die niet goed kunnen worden ingeschat, waarbij gedacht kan worden aan negatieve systeeminteractie wat betreft de ziekterol van betrokkene."
- Psychiater Stek merkt in zijn brief van 4 september 2019 aan medisch adviseur mevrouw Kartosoewito op:
"Uw verdere vraag is of er andere of aanvullende therapeutische suggesties zijn voor de door mij in het antwoord op vraag lh genoemde aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Naar mijn inschatting is er geen sprake van incisieve psychiatrische problematiek die psychiatrisch specialistische hulp in de vorm van medicamenteuze therapie gericht op de stemming of psychotherapeutische interventies gericht op de secundair gedaalde stemming opportuun maken. De door betrokkene ervaren pijnklachten en de beperkingen hier vanuit voortkomend voor het dagelijks functioneren staan sterk op de voorgrond en bij betrokkene is er sprake van bijzonder weinig vertrouwen in eigen lichamelijk functioneren. Er is daarnaast een grote woede over hetgeen haar volstrekt buiten haar schuld is overkomen en het verlies van functioneren. Naar mijn inschatting kan een gennegreerde vorm van behandeling gericht op pijnklachten, verwerking daarvan en gericht op de sterke elementen in betrokkene 's functioneren, mogelijk bijdragen tot een betere balans naar de toekomst. Het is waarschijnlijk ook belangrijk dat de schadeprocedure is afgerond, voordat nadere stappen worden gezet voor een geintegreerde behandeling gericht op het hanteren van pijnklachten en ervaren beperkingen, aangezien een lopende letselschadeprocedure een complicerende factor kan zijn by een behandelprogramma gericht op de klachten ontstaan na een ongeval. In die fase zou gedacht kunnen worden aan een specialistisch centrum gespecialiseerd in geintegreerde behandeling van pijn en secundaire stemmingsklachten, zoals bijvoorbeeld een SOLK-poli (somatisch onvoldoende verklaarbare lichamelijke klachten), bij een GGZ-instelling of revalidatiekliniek".
Zou u vanuit uw expertise suggesties kunnen verstrekken voor verdere behandeling van de pijnklachten die [ verzoekster ] stelt te hebben? Uitgaande van de bij haar door u vastgestelde WPN classificatie (zoals vermeld in vraag 3), zou u kunnen aangeven welke revalidatiebehandeling eventueel bij betrokkene mogelijk zou zijn?

3.3.
benoemt tot deskundige

drs. M. van Woensel, revalidatiearts,
verbonden aan DC Expertisecentrum
correspondentieadres:
Tesselschadestraat 4
1054 ET Amsterdam
telefoon: 088 0062850
emailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

3.4.
bepaalt dat de griffier een kopie van het procesdossier aan de deskundige zal toezenden,

3.5.
bepaalt dat toezending van een afschrift van het verzoekschrift aan Nationale Nederlanden achterwege kan blijven, nu deze reeds een afschrift toegezonden heeft gekregen,

3.6.
bepaalt dat [ verzoekster ] uiterlijk op 31 maart 2022 een afschrift van deze beschikking aan Nationale Nederlanden moet doen toekomen,

3.7.
bepaalt dat Nationale Nederlanden uiterlijk op 7 april 2022 als voorschot op de kosten van de deskundige een bedrag van € 4.719,00 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting) ter griffie van deze rechtbank zal deponeren door voldoening van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen,

3.8.
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige dan pas met zijn onderzoek behoeft te beginnen,

3.9.
bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

3.10.
bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil(len) wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet(en) doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

3.11.
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.12.
bepaalt dat deskundige een schriftelijk ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 1 iuni 2022, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2022.

I HR 19 december 2003, NJ 2004, 584
2 zaaknummer / rekestnummer: C/I 0/616736 / HA RK 21-395 www.letselschademagazine.n1/2021/RBROT 051021


Met dank aan de heer mr. J.F. Roth, SAP Letselschade Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2022/RBGEL-170322


Deze website maakt gebruik van cookies