Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 111183 Meppelse ree

HR 111183 Meppelse ree

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
- ( i) de weg Meppel - Eursinge is een rechte, drukke autoweg, waarop in ieder geval een snelheid van 100 km per uur is toegestaan; de enige rijbaan van deze weg is circa 7 meter breed; ter weerszijden van de rijbaan bevinden zich circa 5 meter brede bermen;
- ( ii) op deze autoweg heeft op 16 mei 1976, kort na zonsondergang een nagenoeg frontale botsing plaatsgevonden tussen een door [eiser] bestuurde, goed rechts rijdende auto en een tegenligger, bestuurd door wijlen [betrokkene 1] , welke laatste tegen burgerrechtelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij [verweerster] ;
- ( iii) deze botsing was daaraan te wijten dat [betrokkene 1] , die circa 80 km per uur reed, toen hij [eiser] reeds zeer dicht was genaderd, plotseling en voor [eiser] onvoorzienbaar zover naar links is uitgeweken dat hij op de voor het hem tegemoetkomend verkeer bestemde linkerweghelft is beland;
- (iv) [betrokkene 1] is naar links uitgeweken als reactie op het plotseling, met grote snelheid ("in een flits"), vlak voor zijn auto, gezien zijn rijrichting: van links naar rechts dwars de weg oversteken van een ree;
- (v) negentig meter voor de plaats van het ongeval stond aan de voor [betrokkene 1] rechterzijde van de weg een bord dat een gevaar aanduidt, vastgesteld in de bij het RW behorende bijlage II onder nr. 88 (overstekend groot wild).

3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat onder de hiervoor bedoelde omstandigheden de door [betrokkene 1] aangehouden snelheid van circa 80 km per uur een "aangepaste snelheid" was, waarmede het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat aan [betrokkene 1] niet valt te verwijten dat hij, ofschoon door het gevaarsbord nr. 88 geattendeerd op de mogelijkheid dat groot wild plotseling zijn rijbaan zou kruisen zijn snelheid niet tot onder de 80 km per uur heeft teruggebracht. Mede in verband hiermede heeft het Hof zich verenigd met het oordeel van de Rechtbank "dat de achteraf bezien, onjuiste en fatale reactie van [betrokkene 1] geenszins onbegrijpelijk is en hem niet als schuld is aan te rekenen".

3.3
Tegen dit oordeel keert zich het middel in het bijzonder in de onderdelen 2, 4 en 5 terecht.
Als reactie op de kritieke situatie waarin [betrokkene 1] door de plotseling vlak voor hem overstekende ree werd gebracht, heeft hij een uiterst gevaarlijke manoeuvre gemaakt: zich plotseling op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook begeven, en zulks op een smalle, drukke autoweg, vlak voor een naderende tegenligger. Uit de bestreden uitspraak, noch uit de stukken van het geding blijkt dat [verweerster] heeft aangevoerd dat in verband met de verkeerssituatie een andere, voor het overige verkeer minder gevaarlijke reactie - [eiser] heeft in dit verband zowel in prima als in appel gewezen op de mogelijkheid van remmen of uitwijken in de rechter berm - niet mogelijk was en blijkens zijn oordeel dat sprake was "van error in extremis aan de zijde van [betrokkene 1] " moet het Hof ervan zijn uitgegaan dat een dergelijke reactie mogelijk geweest was. Voorts is van belang dat [betrokkene 1] zijn gevaarlijke manoeuvre maakte kort nadat hij het gevarenbord nr. 88 was gepasseerd, welk bord hem ertoe verplichtte zich in te stellen op de mogelijkheid dat hij plotseling met vlak voor zijn auto overstekend groot wild zou worden geconfronteerd. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [betrokkene 1] van zijn wijze van rijden - hoezeer zijn reactie op de plotselinge kritieke situatie menselijkerwijs ook begrijpelijk moge zijn - rechtens geen enkel verwijt valt te maken. Het Hof heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat [betrokkene 1] ter zake van het ongeval geen schuld treft.

3.4
Uit het voren overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak moet worden vernietigd, zodat de overige onderdelen van het middel niet behoeven te worden onderzocht.
Blijkens ’s Hofs in zoverre in cassatie niet bestreden arrest was immers de enige nog te beslissen vraag of de voormelde reactie van [betrokkene 1] , wiens schuld aan het ongeval naar 's Hofs oordeel "in de rede" lag, aan [betrokkene 1] als schuld was aan te rekenen, gezien de acute gevaarssituatie, waarin hij door de overstekende ree werd gebracht. Die vraag moet blijkens het voren overwogene bevestigend worden beantwoord, zodat de tweede appelgrief van [eiser] doel treft en ook het vonnis van de Rechtbank waarbij [eiser] vordering tot schadevergoeding is afgewezen, moet worden vernietigd. ECLI:NL:HR:1983:AG4688

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies