Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 300108 ongeval tussen vijf vrachtwagens; eiser krijgt gelegenheid voor ongevallenanalyse

Rb Arnhem 300108 ongeval tussen vijf vrachtwagens; eiser krijgt gelegenheid ongevallenanalyse te laten doen
2.8.  [eiser] heeft lichamelijk letsel ondervonden als gevolg van het ongeval. (...)

4.4.  Wat betreft de ongevalstoedracht stelt [eiser] dat [gedaagde sub 2] zijn voertuig niet op tijd tot stilstand heeft kunnen brengen – en daarmee te hard heeft gereden en onvoldoende afstand heeft gehouden ex artikel 15 WvW en artikel 19 Rvv – waardoor hij tegen [gedaagde sub 1] is aangebotst. [gedaagde sub 1] werd (vermoedelijk, want dit zou voor [eiser] niet zijn na te gaan) daardoor doorgedrukt tegen het voertuig van [eiser] aan, waarbij echter geldt dat ook [gedaagde sub 1] te hard heeft gereden, onvoldoende afstand heeft gehouden en, zo is ter comparitie nog nader gesteld, hij zou hebben ingehaald op een plek waar dat niet mocht.

4.5.  [gedaagde sub 1] en het Bureau/Oldenburg bestrijden (onder verwijzing naar de ongevallenanalyse van de politie en het rapport van Bracke) dat [gedaagde sub 1] een verkeersfout heeft gemaakt. Op enig moment moest [eiser] krachtig remmen en [gedaagde sub 1] dus ook, om tot stilstand te komen. Dit zou [gedaagde sub 1] ook zijn gelukt, ware het niet dat [gedaagde sub 2] tegen hem aanreed waardoor [gedaagde sub 1] alsnog tegen [eiser] aan botste. De oorzaak van die botsing was echter niet gelegen in te hard rijden of onvoldoende afstand houden door [gedaagde sub 1]. Ook bestrijden zij dat [gedaagde sub 1] heeft ingehaald waar dat niet was toegestaan. Van onrechtmatig handelen is dus geen sprake, aldus [gedaagde sub 1] en het Bureau/Oldenburg.

4.6  Volgens [gedaagde sub 2] is de toedracht van het ongeval (onder verwijzing naar het rapport Wartenbergh) als volgt geweest. Eerst is [eiser] tegen de vangrail gebotst, zoals ook uit het proces-verbaal van de ongevallenanalyse door de politie zou volgen, daarna is [gedaagde sub 1] tegen [eiser] aangereden en ten slotte is [gedaagde sub 2] tegen [gedaagde sub 1] aangereden. [gedaagde sub 2] heeft dus niets met het ongeval tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] van doen, althans hij is niet, ook niet indirect, met [eiser] in aanraking gekomen. Van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] jegens [eiser] is dan ook geen sprake, aldus [gedaagde sub 2].

4.7.  [gedaagde sub 1] en het Bureau/Oldenburg respectievelijk [gedaagde sub 2] hebben dus gemotiveerd en onder verwijzing naar de voorhanden ongevallenanalyses bestreden dat [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt de bewijslast van de feiten die tot aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1], het Bureau/Oldenburg en [gedaagde sub 2] leiden op [eiser]. Het enkele feit dat vaststaat dat [gedaagde sub 1] tegen [eiser] is gebotst en [gedaagde sub 2] tegen [gedaagde sub 1] is gebotst, maakt dit niet anders (vgl. HR 13 april 2001, NJ 2001, 572), ook niet gegeven de voorliggende, overigens uiteenlopende, ongevallenanalyses. Toepassing van de omkeringsregel is in dit stadium, waarin juist ter discussie staat of er onrechtmatig is gehandeld door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], niet aan de orde. [eiser] zal dan ook worden toegelaten tot bewijslevering van zijn stellingen rondom de ongevalstoedracht waaruit volgens hem volgt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld.
4.8.  De rechtbank acht het voorstelbaar dat [eiser] in het kader van die bewijslevering (in elk geval) een ongevallenanalyse wil doen verrichten. In dat geval ligt het in de rede dat de rechtbank een deskundige op dat terrein benoemt. [eiser] wordt verzocht zich er bij akte over uit te laten op welke wijze(n) hij het op hem rustende bewijs wil leveren, of hij een ongevallenanalyse wil laten uitvoeren en zo ja, welke vragen er door de deskundige(n) moeten worden beantwoord, welke gegevens er aan de deskundige(n) ter beoordeling moeten worden verstrekt en wie hij als deskundige(n) voordraagt. Daarna mogen [gedaagde sub 1], het Bureau/Oldenburg en [gedaagde sub 2] daarop reageren. Het voorschot op de kosten van de deskundige(n) zal moeten worden gedragen door [eiser] (art. 195 Rv).

Eigen schuld

4.9.   [gedaagde sub 1], het Bureau/Oldenburg en [gedaagde sub 2] betogen allen (onder verwijzing naar de voorhanden ongevallenanalyses) dat [eiser] eerst, voordat hij door [gedaagde sub 1] van achteren werd aangereden, tegen de vangrail is gebotst en dat de gestelde schade geheel of mede daarvan het gevolg is of kan zijn. [eiser] heeft dit gemotiveerd bestreden. [gedaagde sub 1] en het Bureau/Oldenburg hebben hun verweer geduid als een beroep op eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van de schade (art. 6:101 BW). Namens [gedaagde sub 2] is ter zitting verduidelijkt dat zijn verweer slechts subsidiair als beroep op eigen schuld heeft te gelden. Primair betreft het een betwisting van de stellingen rondom de toedracht van het ongeval van [eiser] in het kader van de vraag naar de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagde sub 2] jegens [eiser] (zie hiervoor, onder 4.6). In dit laatste verband draagt [eiser] de bewijslast van zijn stellingen (zie hiervoor, onder 4.7). In het kader van het (al dan niet subsidiaire) kader van het eigen schuld verweer dragen [gedaagde sub 1], het Bureau/Oldenburg en [gedaagde sub 2] echter de bewijslast van hun stelling dat [eiser] eerst, voordat hij door [gedaagde sub 1] werd geraakt, tegen de vangrail is gebotst (met een wezenlijke, potentieel schadeveroorzakende snelheid). Ook voor deze bewijslevering lijkt voorshands (in elk geval) een ongevallenanalyse aangewezen. Aan [gedaagde sub 1], het Bureau/Oldenburg en [gedaagde sub 2] wordt verzocht in hun aktes (zie hiervoor, onder 4.8) in te gaan op de wijze(n) waarop zij bewijs zouden willen leveren en daarbij in het voorkomende geval in te gaan op het aantal en de perso(o)n(en) van de deskundige(n) en de te stellen vragen. Het ligt voor de hand om, in het voorkomende geval, voor zowel de bewijslevering door [eiser] als die door [gedaagde sub 1], het Bureau/Oldenburg en [gedaagde sub 2] één deskundigenonderzoek door een (of meer) verkeersongevallendeskundige(n) te gelasten. De rechtbank ziet in verband met de omstandigheden van het geding geen aanleiding tot wijziging van haar beslissing over de betaling van het voorschot op het loon en de kosten van de deskundige (zie onder 4.8).

4.10.  [eiser] zal als eerste van akte moet dienen over het in rov. 4.8. overwogene, waarna [gedaagde sub 1], het Bureau/Oldenburg en [gedaagde sub 2] daarop mogen reageren en zich tevens dienen uit te laten over het in rov. 4.9. overwogene. Daarna mag [eiser] ten slotte uitsluitend daarop bij akte mag reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
LJN BC3892

Deze website maakt gebruik van cookies