Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Midden-NL 090414 aanrijding overstekende fietser door taxi; eigen schuld 30%

Rb Midden-NL 090414 aanrijding overstekende fietser door taxi; eigen schuld 30%; aanvullend voorschot toegekend;
- kosten gevorderd en toegewezen 10 x € 240,-- + 6% + 21% + griffierecht, totaal € 3.155,24

Aansprakelijkheid en eigen schuld

4.4. De schadevergoedingsplicht van [A]en daarmee van HDI ex artikel 185 Wvw (j° artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) staat vast. Van overmacht is geen sprake, althans dit staat niet meer ter discussie.
De stelplicht en eventuele bewijslast ten aanzien van de vraag of de schadevergoedingsplicht van HDI moet worden verminderd met een percentage eigen schuld (maximaal 50% blijkens HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566 IZA/Vrerink) van [verzoekster] rust op HDI. HDI beroept zich immers op het rechtsgevolg hiervan, te weten vermindering van de aan [verzoekster] uit te keren schadevergoeding (artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering). HDI heeft zich er in dit kader op beroepen dat [verzoekster] aan [A]geen voorrang heeft verleend, [verzoekster] niet goed heeft uitgekeken, [verzoekster] geen verlichting op haar fiets voerde en daardoor minder zichtbaar was en tot slot dat [verzoekster] alcohol had gedronken waardoor haar reactievermogen verminderd was, hetgeen van invloed is geweest op de wijze waarop zij deelnam aan het verkeer en op de aard van het door haar opgelopen letsel. In dit kader wordt het volgende overwogen.

4.5. Vooropgesteld wordt dat [A]voorrang had op [verzoekster]. Hij reed immers op een voorrangsweg en [verzoekster] was daarvan op de hoogte, althans had daarvan op de hoogte moeten zijn, door ter plaatse aangebrachte verkeerstekens. Dat [verzoekster] zich nog op de rechterweghelft bevond toen [A]met 30 km/uur de fietsoversteekplaats naderde, kan er enerzijds dan ook op duiden dat zij de afstand tussen haar en de aanrijdende taxi niet goed heeft ingeschat, in het bijzonder als wordt uitgegaan van de verklaring van [A]dat hij ‘gewoon’ over de weg kwam aanrijden. [verzoekster] heeft hiertegen ingebracht dat de taxi - nu zij deze niet heeft gezien, terwijl zij wel goed naar links stelt heeft gekeken - vanuit stilstand op de parkeerplaats aan de rechterzijde van de weg, achter andere geparkeerde auto’s vandaan, de weg op moet zijn geschoten. Uitgaande van dit scenario (en de bij dagvaarding als productie 4 en 5 overgelegde foto’s) is echter onbegrijpelijk hoe de taxi - na het moment waarop [verzoekster] naar links keek alvorens zij de weg overstak - met een tussen partijen vaststaande snelheid van 30 km/uur reeds bij de fietsoversteekplaats kon zijn toen ook [verzoekster] zich nog daar bevond. Het voorgaande leidt dan ook tot het in ieder geval aannemen van een deel eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] en sluit aan bij de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde (beperkte) politierapport.
Nu de taxi [verzoekster] echter aan de achterzijde van de fiets heeft geraakt, is het anderzijds - ook uitgaande van de door [A]geschetste situatie dat hij ‘gewoon’ over de weg kwam aanrijden - mogelijk dat ook [A]onvoldoende heeft uitgekeken of geanticipeerd op het naderen van de fietsoversteekplaats, waar dat wel van hem - in het bijzonder als beroepsmatige weggebruiker - gevergd mocht worden. Het zicht van [A]daarop was immers beperkt door de rechts van hem geparkeerde auto’s. Daarnaast kende hij de plaatselijke situatie, had hij gelet op het nachtelijke tijdstip en de locatie nabij horecagelegenheden bedacht kunnen zijn op (plotseling) overstekende fietsers en reed hij niet hard. In zijn verklaring van 19 juni 2013 schrijft [A]ook:
“Plotseling vanuit achter een rij geparkeerde auto’s/taxi’s kwam de jongedame in kwestie de voorrangsweg oprijden, zonder licht. Waarschijnlijk had ze gedronken.
Ik zag haar te laat en ging vol op mijn rem staan en stond binnen een halve meter stil en tikte haar nog aan.”
Dat [verzoekster] geen licht op de fiets voerde en daardoor minder (snel) zichtbaar was, is weliswaar een omstandigheid die [verzoekster] moet worden aangerekend (ook bij een zijwaartse aanrijding), maar doet naar het oordeel van de rechtbank gelet op de stedelijke en niet geheel onverlichte locatie van de aanrijding (onder meer productie 4 bij dagvaarding) niet geheel af aan hetgeen ook van [A]mocht worden verwacht. De omstandigheid dat [verzoekster] alcohol had genuttigd maakt dit niet anders. De hoeveelheid daarvan - variërend tussen 2 en 4 glazen na 23 uur - is na het ongeval niet objectief vastgesteld. Niet, althans onvoldoende, is aannemelijk geworden dat dit daadwerkelijk de kans op het ongeval van [verzoekster] en de door haar geleden schade heeft vergroot. Van toepassing van de door HDI bepleite omkeringsregel - vanwege alcoholgebruik en het niet voeren van verlichting door [verzoekster] - kan dan ook geen sprake zijn.

4.6. Het voorgaande, met inachtneming van de genoemde bewijslastverdeling en de billijkheid, komt de rechtbank tot het oordeel dat de schadevergoedingsverplichting van HDI dient te worden verminderd met een percentage eigen schuld van 30%.
Overigens is aan hetgeen verklaard is door [A], die het ongeval heeft waargenomen omdat zij vanuit de Nobelstraat richting het Janskerkhof liep - parallel aan de voorrangsweg, aan dezelfde zijde als [verzoekster], in tegengestelde richting als de taxi en op enige afstand van de fietsoversteekplaats - geen bijzondere waarde toegekend. Deze verklaring, die ook niet direct na het ongeval ten overstaan van de politie is afgelegd, is met het onder 4.5 vermelde niet onverenigbaar.

Voorschot
4.7. Uit de Parlementaire Geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 14 en 19 alsmede Kamerstukken II, 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 2) volgt dat het verzoek ook gericht kan zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Hieronder valt een beslissing over de toekenning van een (aanvullend) voorschot, hetgeen op het moment van indienen van het verzoekschrift nog niet was uitgekeerd door HDI. Een voorschot op de schadevergoeding kan immers een bijdrage leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling.

4.8. [verzoekster] heeft gesteld dat de materiële schade op het moment van indienen van het verzoekschrift € 3.911,11 bedroeg, te vermeerderen met de op 18 februari 2014 overgelegde facturen van het UMC d.d. 13 november 2013 en 8 januari 2013 ad in totaal € 1.569,12 en met (nog nader te bepalen) smartengeld en wettelijke rente. De gemaakte buitengerechtelijke kosten bedroegen op het moment van indienen van het verzoekschrift € 2.488,24.
Onduidelijkheid bestaat echter over de vraag welke medische/tandheelkundige kosten door de zorgverzekeraar van [verzoekster] vergoed worden. Van indiening bij de verzekeraar van de betreffende facturen en uitkering/afwijzing daarvan door de verzekeraar is niet gebleken. In het kader van bevoorschotting door HDI kan met deze kosten - € 2.435,19 blijkens de brief met bijlagen van [verzoekster] van 17 februari 2013 - dan ook nog geen rekening worden gehouden. Zoals ter zitting besproken is voor het vervolgtraject tussen [verzoekster] en HDI dan ook van belang dat [verzoekster] duidelijk inzicht verschaft in de vergoeding door de zorgverzekeraar van de door haar gemaakte medische kosten en voor zover mogelijk ook in de te verwachten toekomstige medische kosten.
Voornoemde medische/tandheelkundige kosten buiten beschouwing gelaten resteert blijkens het bij dagvaarding overgelegde schadeoverzicht nog een bedrag van € 3.273,44. Hiervan heeft HDI de kosten van de vliegticket (€ 423,--), de gederfde inkomsten (€ 2.038,68) en de door [verzoekster] gemaakte reiskosten Groningen-Utrecht (€ 277,92) weersproken. Nu echter niet ter discussie staat dat [verzoekster] forse gebitsschade heeft opgelopen, dat zij de eerste weken na het ongeval rust moest houden, dat zij noodzakelijkerwijs (door haar moeder in Groningen) is verzorgd en in juni en juli (blijkens de overgelegde producties bij dagvaarding en bij brief van 17 februari 2013) ingrijpende behandelingen aan het gebit heeft (moeten) ondergaan, acht de rechtbank deze kosten echter voor toewijzing vatbaar. [verzoekster] kon in de betreffende periode niet tot werken en het ondernemen van een verre reis in staat worden geacht. De hoogte van de reiskosten, alsmede de gederfde inkomsten als zodanig staan niet ter discussie.

4.9. Daarnaast heeft de gemachtigde van [verzoekster] een bedrag van € 2.488,24 ter zake van buitengerechtelijke werkzaamheden in de periode 12 augustus 2013 tot en met 31 oktober 2013 bij haar in rekening gebracht. Voor de toewijsbaarheid van deze kosten geldt de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub b en v BW, hetgeen betekent dat het redelijkerwijs verantwoord moet zijn om de betreffende kosten te maken, die daarnaast binnen een redelijke omvang dienen te blijven. De omstandigheid dat [verzoekster] ter vaststelling van de aansprakelijkheid voor het haar overkomen ongeval en de berekening van de door haar geleden (en te lijden) schade rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dat [verzoekster] een advocaat heeft ingeschakeld. Het aan haar in rekening gebrachte uurtarief (€ 240,-- te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21% BTW) en de in rekening gebrachte uren (8,05) komt de rechtbank - anders dan HDI - niet onredelijk voor. De meeste uren zijn in rekening gebracht voor ‘werkzaamheden schadestaat’ en ‘correspondentie derde’/‘correspondentie wederpartij’. Deze correspondentie staat niet ter discussie en de schadestaat is in deze procedure (deels) overgelegd.

4.10. Uitgaande van een bedrag van € 3.273,44 en € 2.488,24 en rekening houdend met een percentage eigen schuld van 30% is de rechtbank van oordeel dat uitkering van een bedrag van € 4.000,-- als voorschot op de schade en buitengerechtelijke kosten van HDI kan worden gevergd. Hierbij is enige vergoeding ter zake van het aan [verzoekster] toe te kennen smartengeld buiten beschouwing gelaten (evenals de genoemde tandartskosten). Dit is in deze procedure onvoldoende aan de orde geweest, althans HDI heeft zich daarover nog onvoldoende kunnen uitlaten.
Nu niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken is dat ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak HDI aan [verzoekster] een bedrag van € 1.500,-- als voorschot op de door [verzoekster] geleden schade had uitgekeerd alsmede een bedrag van € 1.500,-- als voorschot op de buitengerechtelijke kosten, wordt HDI veroordeeld aan [verzoekster] nog een bedrag van € 1.000,-- te voldoen.

ECLI:NL:RBMNE:2014:1525

Deze website maakt gebruik van cookies