Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 280911 X rijdt Z van de weg af en beroept zich op de gerechtvaardigde angst niet weer mishandeld te worden door Z

Rb Rotterdam 280911 X rijdt Z van de weg af en beroept zich op de gerechtvaardigde angst niet weer mishandeld te worden door Z
  Anders dan [eiser] meent, is de rechtbank van oordeel dat de gebeurtenissen rondom de aanrijding niet los kunnen worden gezien van de daaraan voorafgegane vechtpartij. Deze vond immers, zo moet uit de verklaringen van de diverse betrokken afgelegd tegenover de politie, zeer kort voor de uiteindelijke aanrijding plaats. De beide locaties zijn ook vlakbij elkaar gelegen, ook als van de door [eiser] gestelde afstand van "enkele honderden meters" (conclusie van repliek onder 9) moet worden uitgegaan. Daargelaten of aan het vonnis van de politierechter dwingende bewijskracht toekomt (niet gesteld is dat dit vonnis inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, artikel 161 Rv), als onbetwist staat in elk geval vast dat [X] bij die vechtpartij is geschopt en geslagen, daarbij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Gelet op algemene ervaringsregels moet worden aangenomen dat [X] door deze mishandeling nog zeer aangedaan was op het moment dat hij, kort daarna, opnieuw met de Seat te maken kreeg. Voor de hand ligt dus, zoals Reaal ook heeft gesteld, dat die ervaringen van kort daarvoor van wezenlijke invloed zijn geweest op zijn beslissing om te handelen zoals hij toen heeft gedaan. Op dit punt heeft [eiser] overigens ook geen concreet verweer gevoerd. 

  Vast staat dat [Q] en [Z] ter hoogte van het Shell-station vaart hebben geminderd, terwijl [X] en [Y] nog achter hen reden. Als onbetwist staat ook vast dat op dat moment de in 2.7 bedoelde zwarte auto naast de Audi kwam rijden, niet inhaalde maar integendeel in de richting van de Audi opschoof, zodanig dat die zwarte auto op de baan van de Audi terecht kwam, terwijl [X] kon zien dat de inzittenden van die auto aan het bellen waren. In het licht van hetgeen kort tevoren was voorgevallen, heeft [X] uit deze gang van zaken naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs de gevolgtrekking kunnen maken dat de inzittenden van de beide andere auto's gezamenlijk probeerden hem klem te rijden en dat hij het risico liep van een tweede gewelddadige confrontatie. Dit geldt te meer nu in zoverre sprake was van een herhaling van zetten, dat, zoals Reaal onbetwist heeft gesteld (conclusie van antwoord onder 2) de Seat ook voorafgaande aan de vechtpartij (verschillende keren) voor de Audi was gaan rijden om vervolgens vaart te minderen. Dat [Z] (dit keer) een goede reden had om vaart te minderen (hij naderde immers een flitspaal), doet er niet aan af [X] de situatie in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs als zeer bedreigend heeft kunnen inschatten. 

  Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat [X] in redelijkheid heeft kunnen menen dat hij en [Y] acuut in gevaar waren op het moment dat de Seat voor hem vaart minderde en de zwarte auto naast hem dichterbij kwam. De vraag rijst dan of de wijze waarop hij zich uit die noodtoestand heeft gered, namelijk door schade te berokkenen aan de eigendom van [eiser], in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt. 

  Het handelen van [X] zal moeten voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het eerste brengt mee dat aan het belang dat door het handelen van [X] is beschermd meer gewicht gehecht moet worden dan aan het door hem geschonden belang. Concreter gezegd: het belang niet opnieuw in elkaar geslagen te worden (waarvoor hij gerechtvaardigde angst had) behoort zwaarder te wegen dan het belang van [eiser] dat zijn auto niet zou worden beschadigd. Aldus geformuleerd is naar het oordeel van de rechtbank aan de proportionaliteitseis voldaan. Aan het belang van bescherming van de lichamelijke integriteit komt in zijn algemeenheid, en in beginsel ook hier, meer gewicht toe dan aan een zuiver materieel (financieel) belang. Dat laat onverlet dat [X] in het licht van de overige omstandigheden wellicht niettemin een andere afweging had behoren te maken. De rechtbank gaat daar nader op in bij de bespreking van de subsidiariteitseis, in de navolgende paragraaf. 

  De eis van subsidiairiteit leidt tot de vraag of [X] niet had kunnen volstaan met een ander, minder vergaand middel om zich uit zijn noodtoestand te redden. Op dit punt is het partijdebat nog onvoldoende uit de verf gekomen. De rechtbank zal partijen gelegenheid geven hun debat hierover voort te zetten. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten. 
i.  [eiser] heeft bij repliek gesteld dat [X] er ook voor had kunnen kiezen de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer op te rijden (over de doorgetrokken streep) en zich op het terrein van het Shell-station in veiligheid te brengen. Daarop heeft Reaal aldus gereageerd dat het op dat moment druk was op de Maasboulevard en dat er ook veel tegemoetkomend verkeer was. Op deze stelling heeft [eiser] nog niet kunnen reageren. Hij kan dat alsnog doen. Omdat Reaal als eerste aan het woord komt (zie hierna), kan zij haar stelling desgewenst nader onderbouwen. 
ii.  [eiser] heeft ook aangevoerd dat [X] zelf (ook) had kunnen afremmen en aldus ruimte had kunnen creëren tussen de Audi en de Seat. Op deze stelling heeft Reaal niet concreet gereageerd. Zij zal dat alsnog moeten doen. De rechtbank wijst erop dat gesteld noch gebleken is dat [X] ook aan de achterzijde werd ingesloten. Dat wijst er vooralsnog op dat [X] inderdaad de mogelijkheid had afstand te nemen van de Seat. 
iii.  In dat verband komt ook betekenis toe aan de vraag of [X] nog iets anders kon doen dan proberen weg te komen uit de dreigende situatie. Te denken valt aan het bellen van 112 om de politie te alarmeren en/of aan het zichzelf in de Audi opsluiten. 
iv.  Reaal heeft nog aangevoerd (conclusie van dupliek, onder 19) dat in de gegeven omstandigheden moeilijk van [X] verwacht had mogen worden dat hij rustig en rationeel de verschillende mogelijkheden tegen elkaar zou hebben afgewogen. Dat is juist, maar laat onverlet dat, als zich in de gegeven omstandigheden een minder vergaande uitweg uit de situatie zou hebben voorgedaan, van [X] had mogen worden verwacht daarvoor te kiezen. Dat geldt te meer nu hij feitelijk heeft gekozen voor een drastische maatregel, die, behalve schade aan de auto van [eiser], in potentie ook zeer grote risico's meebracht voor anderen, niet alleen voor de inzittenden van de Seat, maar ook voor de andere weggebruikers. De rechtbank wijst erop dat uit de tegenover de politie afgelegde verklaringen moet worden afgeleid dat de Seat naar links werd gedrukt en pas op de middenstreep tot stilstand kwam, terwijl er op dat moment volgens Reaal veel tegemoetkomend verkeer was. Op deze aspecten kunnen partijen na dit tussenvonnis nader ingaan. 

  Reaal komt geen beroep op een rechtvaardigingsgrond toe als zou moeten worden aangenomen dat [X] zich door zijn eigen, verwijtbare, gedrag in de in 4.8 bedoelde bedreigende situatie heeft gemanoeuvreerd. [eiser] heeft aangevoerd dat er redenen zijn om aan te nemen dat [X] onder invloed van alcohol verkeerde. Hij heeft gewezen op de verklaringen van [Q] en [Z] tegenover de politie, waaruit volgt dat [X] op hen een oververhitte indruk maakte. Ook heeft hij met verwijzing naar die verklaringen aangevoerd dat [X] vanaf het kruispunt met de Honingerdijk eerst een gat tussen de Audi en de Seat liet vallen en daarna met hoge snelheid kwam aanrijden. Reaal heeft een en ander betwist. Dit debat roept de vraag op waarom [X] ter hoogte van het Shell-station nog altijd op de linkerbaan achter de Seat reed en de afstand tussen het kruispunt met de Honingerdijk en het Shell-station niet heeft benut om de Seat te passeren. Gelet op de ervaringen van even daarvoor zou het op zichzelf voor de hand hebben gelegen dat [X] zo snel mogelijk zo ver mogelijk van [Q] en [Z] vandaan had proberen te komen. De rechtbank zal Reaal gelegenheid geven hieromtrent opheldering te verschaffen. Voorts kunnen beide partijen zich uitlaten over de vraag op wie ten aanzien van de hier bedoelde omstandigheden de eventuele bewijslast rust. 

  Op grond van de punten genoemd in 4.10 en 4.11, die in onderlinge samenhang zullen moeten worden beschouwd, is duidelijk dat een nader partijdebat nodig is. Op zichzelf lenen de daar geformuleerde punten zich voor een comparitie van partijen. Nu de procespartijen echter geen van beide zelf bij de gebeurtenissen betrokken zijn geweest, zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor (antwoord)conclusie na tussenvonnis. Als eerste zal Reaal moeten concluderen. De onderhavige punten spelen immers een rol in het kader van haar beroep op een rechtvaardigingsgrond. 

  Reaal heeft subsidiair een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser]. Daartoe heeft Reaal betoogd (conclusie van antwoord, vanaf 20) dat de schade aan de Seat is ontstaan als gevolg van het verwijtbare gebruik van die auto door [Q] en [Z], wier handelen aan [eiser] moet worden toegerekend. Dat gebruik bestond hieruit dat [Q] en [Z] met de auto [X] tot stoppen hebben willen dwingen. [eiser] heeft betwist dat [Q] en [Z] de Seat met dit doel hebben gebruikt. Hij heeft, met verwijzing naar de op dit punt concrete verklaringen van [Q] en [Z], betoogd dat zij slechts vaart minderden in verband met de nadering van een flitspaal (conclusie van repliek onder 5). Bij conclusie van dupliek is Reaal niet meer afzonderlijk komen te spreken over de vermeende eigen schuld van [eiser]. Voor zover niettemin zou moeten worden aangenomen dat Reaal haar beroep op eigen schuld heeft willen handhaven, zal zij alsnog voldoende concreet en onderbouwd op het betoog van [eiser] moeten reageren. Daarbij zal zij dan ook aandacht moeten besteden aan de rol van de zwarte auto in dit verband. Die auto is kennelijk immers cruciaal geweest bij de beslissing van [X] om de Seat te rammen. Niet zonder meer voor de hand ligt echter dat ook het handelen van de inzittenden van die auto aan [eiser] kan worden toegerekend. Bij de in 4.12 bedoelde conclusie na tussenvonnis kan Reaal op een en ander desgewenst nader ingaan. 

  Volgens [eiser] bedraagt de schade aan de Seat € 6.000,-. Hij heeft ter onderbouwing daarvan een taxatierapport van Expertisepool Nederland B.V. in het geding gebracht. In dat rapport is sprake van een economische total loss van de auto. De juistheid van die taxatie heeft Reaal niet betwist. Wel heeft zij bij antwoord gesuggereerd dat de inschakeling van genoemd taxatiebureau zou kunnen duiden op de betrokkenheid van een verzekeraar die wellicht de schade van [eiser] heeft vergoed. [eiser] heeft deze suggestie bij repliek weersproken, waarna Reaal daarop bij dupliek niet meer is terug gekomen. Mede omdat ook de aanvankelijke suggestie van Reaal al stelligheid ontbeerde, is de rechtbank van oordeel dat zij haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank passeert dat verweer dan ook. 

  Bij dupliek heeft Reaal, onderbouwd met gegevens van de RDW, nog opgeworpen dat de werkelijke schade van [eiser] lager is, omdat de auto nog altijd in gebruik is en na de aanrijding ook door [eiser] nog gedurende anderhalf jaar is gebruikt. De werkelijke schade van [eiser] is dus lager dan het gevorderde bedrag, aldus Reaal. Ook dit verweer wordt gepasseerd. Bij zaaksbeschadigingen als deze komen de objectieve herstelkosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking, ongeacht de vraag of de benadeelde de zaak daadwerkelijk (tegen deze kosten) heeft laten repareren. Niet gebleken is van omstandigheden die reden geven voor een andere manier van schadebegroting in dit specifieke geval. Nu de taxatie door het in 4.14 genoemde bureau inhoudelijk niet is betwist, moet de schade op dat bedrag worden begroot. 

  [eiser] vordert ten slotte vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 700,-. Bij repliek heeft hij gesteld dat sprake is geweest van contact tussen zijn raadslieden en Reaal, ter onderbouwing waarvan hij enkele brieven heeft overgelegd. De rechtbank beoordeelt dit als onvoldoende. Dat er contact is geweest met Reaal betekent niet dat sprake is van buitengerechtelijke werkzaamheden. Dergelijk contact kan immers ook heel wel hebben plaatsgevonden in het kader van de voorbereiding van de onderhavige procedure. Voor dergelijke werkzaamheden wordt de proceskostenveroordeling geacht een vergoeding in te houden. Uit de overgelegde brieven, waarvan twee zien op intern overleg tussen [eiser] en zijn raadslieden en twee afkomstig zijn van Reaal, kan niet worden afgeleid dat deze betrekking hadden op daadwerkelijke buitengerechtelijke werkzaamheden. De vordering zal dus worden afgewezen. 

  In afwachting van de in 4.10, 4.11 en 4.13 bedoelde conclusiewisseling zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden. LJN BT7312

Deze website maakt gebruik van cookies