Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 290212 geen rechtvaardigingsgrond voor opzettelijke aanrijding; wel substantiele eigen schuld aangereden partij

Rb Rotterdam 290212 geen rechtvaardigingsgrond voor opzettelijke aanrijding; wel substantiele eigen schuld aangereden partij

De verdere beoordeling 
  Centraal in deze zaak staat de vraag of Reaal een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond, zodat de opzettelijke aanrijding door (haar WAM-verzekerde) [partij X] van de auto van [eiser] niet onrechtmatig is. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [partij X] in de gegeven omstandigheden en op het desbetreffende moment redelijkerwijs kon menen dat hij en zijn echtgenote [partij Y] in acuut gevaar en dus in een noodtoestand verkeerden. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat aan het belang dat [partij X] met zijn gedraging beoogde te beschermen (bescherming van de lichamelijke integriteit van hemzelf en van [partij Y]) op zichzelf meer gewicht toekomt dan aan het geschonden belang van [eiser]. Voor verder debat over de vraag of ook voldaan is aan het vereiste van subsidiariteit heeft de rechtbank partijen gelegenheid gegeven conclusies na tussenvonnis te nemen. 

2.2.  Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Op zichzelf voert Reaal terecht aan dat het moment waarop [partij X] besloot de auto van [eiser] te rammen niet los kan worden gezien van het feit dat [partij X] kort tevoren door de inzittenden van die auto (de zoon van [eiser] en [vrouw]) was mishandeld. Juist dat verband tussen beide momenten heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat [partij X] redelijkerwijs kon menen in een noodtoestand te verkeren. Dit betekent dat niet al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de van [partij X] gevraagde afweging tussen de verschillende opties om uit die noodtoestand te geraken. Aannemelijk is immers dat die afweging zich voltrok binnen een tijdspanne van enkele seconden. 

2.3.  Dit uitgangspunt betekent echter niet dat een onderzoek naar alternatieve uitwegen uit de noodtoestand geheel buiten beschouwing kan blijven. Van een deelnemer aan het gemotoriseerde verkeer mag immers, gelet op de aan dat verkeer inherente gevaren, ook in noodsituaties verwacht worden te beslissen op basis van een afweging van de verschillende mogelijkheden, ook als voor die afweging slechts heel korte tijd beschikbaar is. Dat zou wellicht anders zijn als [partij X] in een reflex zou hebben gehandeld, maar dat is gesteld noch gebleken, en ligt bij een gedraging als deze ook niet voor de hand. De rechtbank wijst er in dit verband op dat hier gaat om het rammen door een Audi Q7 ([partij X]) van een Seat Leon ([eiser]) en dat eerstgenoemde auto, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, beduidend groter en zwaarder is dan de andere. Aangenomen mag worden dat [partij X] niet voor het rammen zou hebben gekozen als de auto voor hem een Audi Q7 was geweest en hijzelf in een Seat Leon reed. Dat illustreert al dat aan de beslissing om te rammen een zekere afweging vooraf heeft kunnen gaan. 

2.4.  In het debat tussen partijen is als mogelijk alternatief voor het rammen onder meer ter sprake gekomen het oprijden van de andere weghelft richting het aan de overzijde van de weg gelegen Shell-station. Reaal heeft gesteld dat dit niet kon, omdat er tegemoet komend verkeer op die andere weghelft was. [eiser] heeft dit betwist, maar die betwisting is onvoldoende eenduidig. Hij heeft ter onderbouwing van die betwisting verwezen naar de verklaringen die [zoon eiser] en [vrouw] tegenover de politie hebben afgelegd. Die verklaringen zijn op dit punt echter tegengesteld. [zoon eiser] heeft verklaard dat de automobilisten op de andere weghelft seinden met hun lichten en stopten, terwijl [vrouw] heeft verklaard dat het "nog een geluk" was dat er geen tegemoetkomend verkeer was. [eiser] heeft niet gesteld dat de verklaring van [vrouw] onjuist is. Als onvoldoende betwist moet daarom worden aangenomen dat op het moment van het rammen sprake was van tegemoetkomend verkeer op de andere weghelft. Daaruit volgt dat [partij X], in de luttele seconden die hem ter beschikking stonden, redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet die andere weghelft is opgereden. Uitwijking naar het Shell-station was dus geen reëel alternatief. 

2.5.  Het feit dat sprake was van tegemoetkomend verkeer op de andere weghelft is ook anderszins van belang. Vast staat dat [partij X] de Seat naar links heeft geduwd, in de richting van de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer. Vast staat ook dat de twee weghelften op dat punt van de Maasboulevard slechts zijn gescheiden door een doorgetrokken streep, en dus niet door een fysieke belemmering zoals een middenberm. Juist omdat er tegemoetkomend verkeer was, betekent dit dat [partij X] door het wegduwen van de Seat een zeer groot risico heeft genomen dat de Seat met tegemoetkomende auto's in botsing zou komen, met alle gevolgen voor de inzittenden van dien. Onverminderd het overwogene onder 2.2, heeft dit tot gevolg dat van [partij X] eerder verwacht had mogen worden te kiezen voor (eventuele) andere opties. Dat het risico op letsel van derden zich niet heeft verwezenlijkt doet daar niet aan af. 

2.6.  Wat die andere opties betreft geldt het volgende. Partijen hebben zich bij conclusies na tussenvonnis nader uitgelaten over de vraag of [partij X] de mogelijkheid had afstand te creëren tussen hem en de Seat, of hij wellicht 112 had kunnen bellen en of hij zichzelf in de Audi had kunnen opsluiten. Volgens Reaal kon [partij X] geen afstand creëren omdat er achter hem auto's zaten die hem, bij het kruispunt met de Honingerdijk waar de mishandeling had plaatsgevonden, met claxonneren opjoegen, terwijl [partij X] bovendien pas in een bocht van de Maasboulevard met de Seat en (dit keer ook) de zwarte BMW naast hem werd geconfronteerd. Voorts waren [partij X] en [partij Y] volgens Reaal in de paniek van het moment niet in staat 112 te bellen. Opsluiten in de Audi had volgens Reaal geen zin, omdat de inzittenden van de Seat en de BMW dan eenvoudig een ruit van de Audi zouden hebben kunnen inslaan. [eiser] heeft het betoog van Reaal bestreden. De rechtbank overweegt het volgende. 

2.7.  Niet overtuigend acht de rechtbank de stelling van Reaal dat [partij X] geen mogelijkheid had afstand tussen de Audi en de Seat te laten vallen. Dat er bij het kruispunt met de Honingerdijk ongeduldige automobilisten achter hem zaten, laat immers onverlet dat hij enkele honderden meters verderop had kunnen afremmen, ook als hij pas in een bocht weer met de Seat (en de BMW) werd geconfronteerd. De hinder die hij daarmee wellicht de achteropkomende automobilisten zou hebben berokkend is niet van enig relevant gewicht. In combinatie hiermee had van [partij X] ook verwacht mogen worden zich, zo nodig, in zijn afgesloten Audi schuil te houden en intussen 112 te bellen. Het moge zo zijn dat een auto geen absolute bescherming biedt, maar anderzijds is het ook niet zo dat een autoruit van een (relatief jonge) auto als hier aan de orde zonder enige moeite kan worden ingeslagen, laat staan dat zonder meer aannemelijk is dat de inzittenden van de Seat (en de BMW) daartoe zouden zijn overgegaan. De rechtbank wijst er op dat de voorafgegane vechtpartij ontstond toen [partij X] uit zijn auto was gestapt. Het is dus niet zo dat hij, bijvoorbeeld, uit zijn auto was getrokken. 

2.8.  De rechtbank is van oordeel dat van [partij X] redelijkerwijs verwacht had mogen worden voor deze combinatie van alternatieve opties te kiezen. Op zichzelf geldt al dat deze alternatieven een minder verstrekkend middel vormden om uit de noodsituatie te geraken dan het rammen van de Seat. Daarbij komt dan nog het grote risico op letsel bij derden die de gekozen uitweg impliceerde en die bij de alternatieve opties afwezig waren, hetgeen te meer maakt dat van [partij X] verwacht mocht worden voor die minder verstrekkende opties te kiezen. Ook wijst de rechtbank er op dat die alternatieve opties op zichzelf normaler zijn dan het opzettelijk rammen van een voorligger. In het licht van het overwogene in 2.2 en 2.3, kan daarom niet gezegd worden dat [partij X] in de enkele seconden die hij had aan die opties redelijkerwijs niet heeft kunnen of hoeven denken. 

2.9.  Al met al is naar het oordeel van de rechtbank dus niet voldaan aan het vereiste van subsidiariteit. Dat betekent dat Reaal geen beroep op een rechtvaardigingsgrond toekomt. De gedraging van [partij X] is dus onrechtmatig. 

2.10.  Bij conclusie na tussenvonnis heeft Reaal gesteld dat het [partij X] in de gegeven omstandigheden bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat hij heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan. Voor zover Reaal daarmee bedoelt te betogen dat sprake is van een schulduitsluitingsgrond (noodweer-exces), zodat de onrechtmatige daad niet aan [partij X] kan worden toegerekend, faalt ook dat standpunt. Uit het hiervoor overwogene volgt immers dat naar het oordeel van de rechtbank van [partij X] nu juist wel verwacht had mogen worden een andere keuze te maken. Daarin ligt besloten het oordeel dat de door [partij X] gemaakte keuze aan hem kan worden toegerekend. 

2.11.  Reaal moet dus de schade van [eiser] vergoeden. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank die schade al begroot op € 6.000,-. 

2.12.  Reaal heeft echter een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser], althans van [zoon eiser] en [vrouw] wier handelen volgens Reaal aan [eiser] moet worden toegerekend. Volgens Reaal is de schade aan de Seat mede een gevolg van het gedrag van [zoon eiser] en [vrouw], te weten het afremmen met de kennelijke bedoeling [partij X] klem te rijden, mede bezien in het licht van hun eerdere gedrag. De rechtbank overweegt als volgt. 

2.13.  Voorop gesteld moet worden dat de gedragingen van [zoon eiser] en [vrouw] voor zover verband houdend met het gebruik van de Seat aan [eiser] moeten worden toegerekend. Al bij antwoord heeft Reaal gesteld dat [zoon eiser] en [vrouw] de Seat konden gebruiken omdat [eiser] deze aan hen ter beschikking had gesteld. Reaal spreekt in dit verband van bruikleen. [eiser] heeft dit niet betwist. Daaruit volgt dat voor de toepassing van het leerstuk van eigen schuld gedragingen van [zoon eiser] en [vrouw], voor zover die gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend, aan [eiser] moeten worden toegerekend (artikel 6:101 lid 2 BW). 

2.14.  Verder kan naar het oordeel van de rechtbank de schade aan de Seat mede geacht worden het gevolg te zijn van de eerdere gebeurtenissen, te weten het meerdere keren hinderlijk voor de Audi gaan rijden en de mishandeling van [partij X]. In strikte zin is de schade aan de Seat louter het gevolg van het rammen door de Audi, maar aangenomen moet worden dat [partij X] zonder dat voorafgaande gedrag niet tot het rammen van de Seat zou zijn overgegaan. Het was immers juist die voorafgaande ervaring die hem redelijkerwijs de overtuiging kon geven dat hij in een noodtoestand verkeerde toen de Seat ter hoogte van het Shell-station opnieuw voor hem afremde. Zo bezien is het voorafgaande gedrag een cruciale schakel in de keten van gebeurtenissen die uiteindelijk tot de schade aan de Seat hebben geleid. 

2.15.  De in 2.14 bedoelde gebeurtenissen voorafgaande aan het rammen moeten aan [eiser] worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. [eiser] heeft op dat punt geen gemotiveerd verweer gevoerd. In feite heeft hij volstaan met het standpunt dat "de eerdere vechtpartij was afgelopen en geheel los moet worden gezien van hetgeen enkele honderden meters verderop is gebeurd" (repliek, onder 9). Dat is onvoldoende. Die gedragingen (hinderlijk rijgedrag en het schoppen slaan van [partij X]) moeten daarom aan [zoon eiser] en [vrouw] worden toegerekend, zodat in zoverre sprake is van eigen schuld van [eiser]. 

2.16.  Ook van belang voor de eventuele eigen schuld zijn de gebeurtenissen direct voordat [partij X] overging tot het rammen van de Seat. Reaal heeft gesteld dat de Seat, die voor de Audi reed, plotseling afremde en dat tegelijkertijd de BMW naast hem zijn kant op schoof, zodanig dat [partij X] bijna op de andere weghelft werd gedrongen. De inzittenden van de Seat en de BMW probeerden [partij X] dus klem te rijden, aldus Reaal. [eiser] heeft dit betwist. Hij heeft aangevoerd dat [zoon eiser] niet afremde om [partij X] klem te rijden, maar omdat hij een flitspaal naderde. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. 

2.17.  In het licht van de eerdere gebeurtenissen (zie onder 2.14) behoorden [zoon eiser] en [vrouw] er rekening mee te houden dat hun latere gedragingen door [partij X] zouden kunnen worden geïnterpreteerd als (dreiging met) een herhaling van zetten. Vast staat dat [zoon eiser] op enig moment is gaan afremmen, terwijl hij (via zijn spiegels) wist dat de Seat nog altijd achter hem reed. Ook al had [zoon eiser] wellicht een andere reden voor het afremmen (namelijk voorkomen dat hij zou worden geflitst), hij had zich moeten realiseren dat [partij X] hieruit zou kunnen afleiden dat het opnieuw dreigde mis te gaan. Voordien hadden [zoon eiser] en [vrouw] [partij X] immers ook al gehinderd door voor de Audi te gaan rijden en vaart te minderen. [zoon eiser] had bij deze stand van zaken er voor moeten kiezen niet af te remmen. Daar was ook geen noodzaak voor, behalve dat [zoon eiser] en [vrouw] kennelijk te hard reden. Door toch af te remmen, hebben zij eens te meer (naast het in 2.15 overwogene) bijgedragen aan het ontstaan van de schade aan de Seat. 

2.18.  Dit geldt te meer gelet op de rol die de de BMW heeft gespeeld. Vast staat dat deze BMW ook al aanwezig was op het kruispunt waar de mishandeling had plaatsgevonden en dat de inzittenden vrienden van [zoon eiser] en [vrouw] waren. Niet betwist is voorts de stelling van Reaal dat de BMW ter hoogte van het Shell-station naast de Audi kwam rijden, niet inhaalde, maar opschoof in de richting van de Audi, zodanig dat deze naar de andere weghelft werd gedrongen. Deze gedraging moet voor [zoon eiser] als bestuurder van de Seat (via zijn spiegels) waarneembaar zijn geweest. Juist vanwege deze omstandigheid en gelet op het overwogene in 2.17 had [zoon eiser] reden moeten zien de weg voor de Audi vrij te maken in plaats van af te remmen. Ook dit aspect draagt bij aan de eigen schuld van [eiser]. 

2.19.  Wordt de gehele keten van gebeurtenissen die uiteindelijk tot de schade aan de Seat heeft geleid in onderlinge samenhang beschouwd, dan is de rechtbank van oordeel dat de schade in overwegende mate het gevolg is van de gedragingen die aan [eiser] moeten worden toegerekend. Aannemelijk is immers dat [partij X] zonder die gedragingen nooit tot het rammen van de Seat zou zijn overgegaan. 

2.20.  Verder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard en verwijtbaarheid van het (aan [eiser] toe te rekenen) gedrag van [zoon eiser] en [vrouw], aanleiding bestaat toepassing te geven aan de zogenoemde billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW. Op zichzelf past op dat punt terughoudendheid, nu immers [partij X] de schade aan de Seat opzettelijk heeft veroorzaakt. Het aan [eiser] toe te rekenen gedrag is echter dermate verwijtbaar en heeft het rammen door [partij X] zozeer uitgelokt dat diens opzet op de schade niet aan toepassing van de billijkheidscorrectie in de weg staat. 

2.21.  Al met al is de rechtbank van oordeel dat de schadevergoedingsplicht van Reaal wegens eigen schuld van [eiser] moet worden verminderd tot een bedrag van € 1.000,-. 

2.22.  Voor een verder gaande vermindering bestaat geen aanleiding. Met name bestaat geen aanleiding ook het gedrag van de inzittenden van de BMW aan [eiser] toe te rekenen. Het enkele feit dat die inzittenden vrienden zijn van [zoon eiser] en [vrouw] en dat zij (zoals door Reaal gesuggereerd) telefonisch contact met elkaar hadden, is daarvoor onvoldoende. Andere redengevende feiten heeft Reaal niet gesteld. Een verder gaande vermindering wegens eigen schuld zou misschien aangewezen zijn als zou vast staan dat [zoon eiser] en [vrouw] daadwerkelijk de bedoeling hadden [partij X] klem te rijden. Dat staat echter niet vast, omdat [eiser] die stelling van Reaal uitdrukkelijk heeft betwist (en voorzien van een op zichzelf plausibele verklaring voor het afremmen). Reaal heeft geen concreet op dit punt toegesneden bewijsaanbod gedaan, ook niet bij conclusie na tussenvonnis. De rechtbank ziet daarin aanleiding geen bewijsopdracht te verstrekken. 

2.23.  Tussen partijen is ter sprake gekomen of [partij X] onder invloed van alcohol was. Reaal heeft gesteld dat [partij X] niet onder invloed van alcohol verkeerde, maar slechts vermoeid was na een lange dag werken. Behalve de door [zoon eiser] en [vrouw] bij de politie afgelegde verklaringen, bevat het procesdossier geen enkel aanknopingspunt voor het gestelde alcoholgebruik. Wel staat vast dat de Officier van Justitie kennelijk geen aanleiding heeft gezien [partij X] te vervolgen, terwijl [zoon eiser] en [vrouw] wel zijn vervolgd (en veroordeeld). Tegenover dit alles heeft [eiser] zijn stellingen onvoldoende geconcretiseerd. Hij baseert zich slechts op de door [zoon eiser] en [vrouw] bij de politie afgelegde verklaringen. Daaruit volgt echter niet veel meer dan dat zij de indruk hadden dat [partij X] gedronken had, omdat hij oververhit reageerde en grote ogen had. Dat is onvoldoende. Niet vergeten moet worden dat [partij X] op dat moment door [zoon eiser] en [vrouw] in elkaar geslagen werd, zodat enige opwinding niet verwonderlijk is. 

2.24.  Ook is aan de orde gekomen of [partij X] valt te verwijten dat hij na het wegrijden van het kruispunt met de Honingerdijk nog op dezelfde baan als de Seat bleef rijden. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Vast staat dat de Seat en de Audi bij het kruispunt op de linkerbaan stonden en dat er nog meer verkeer aanwezig was. Vast staat ook dat [partij X] na de mishandeling enige tijd na de Seat van het kruispunt is weggereden en dat hij al kort nadien opnieuw met de Seat werd geconfronteerd. Ten slotte staat vast dat hij op dat moment aan de rechterzijde door de BMW werd ingesloten. Gelet hierop is genoegzaam komen vast te staan dat [partij X] tussen het kruispunt en de nieuwe confrontatie in redelijkheid niet de mogelijkheid had naar de rechterbaan te gaan en de Seat via de rechter rijbaan te passeren. 

2.25.  Het overwogene in 2.23 en 2.24 brengt mee dat de daar besproken (gestelde) omstandigheden geen reden vormen uit te gaan van een mindere mate van eigen schuld van [eiser] of een minder vergaande billijkheidscorrectie. 

2.26.  Reaal dient dus de schade van [eiser] tot een bedrag van € 1.000,- te vergoeden. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van de aanrijding. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.  LJN BV8133

Deze website maakt gebruik van cookies