Artikelen

Rb Noord-Nederland 081117 NAM aansprakelijk voor waardevermindering woning a.g.v. aardbevingen; verkoop woning niet vereist voor ontstaan en berekening schade

Hoofdcategorie: Varia Aansprakelijkheid
Categorie: Aansprakelijkheid en schade aardbevingen

Rb Noord-Nederland 081117NAM aansprakelijk voor waardevermindering woning a.g.v. aardbevingen; verkoop woning niet vereist voor ontstaan en berekening schade

3 De vordering

3.1.
A c.s. vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat NAM aansprakelijk is voor de door hen geleden financiële schade, welke schade (bestaande uit de waardevermindering van hun woning) het gevolg is van de gaswinning door NAM, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Daarnaast vorderen zij dat NAM wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2.
NAM voert verweer met conclusie tot afwijzing van de vordering, met hoofdelijke veroordeling van A c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.
In haar tussenvonnis van 8 februari 2017 (vindplaats onbekend, red. LSA-LM) heeft de rechtbank, ter voorkoming van mogelijk tegenstrijdige beslissingen en onnodig hoger beroep, partijen in overweging gegeven om in de onderhavige zaak te wachten op de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het hoger beroep in de WAG-zaak. NAM heeft meegedeeld voor een aanhouding te zijn; A c.s. hebben daartegen om meerdere redenen bezwaar gemaakt.

4.2.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet goed inziet waarom - zoals A c.s. stellen - een aanhouding van de procedure de verkoop van hun woning zou belemmeren. Dat geldt ook voor hun veronderstelling dat de rechtsvragen in beide procedures verschillen en dat de schade in de onderhavige zaak gezien de aanwezige taxatierapporten reeds bekend zou zijn. Die conclusies lijken - zoals hierna zal blijken - niet juist.
Wat hier ook van zij, nu artikel 26 Rv bepaalt dat de rechter niet mag weigeren om te beslissen en A c.s. uitdrukkelijk hebben verzocht vonnis te wijzen, zal de rechtbank dat nu doen en de uitkomst van eerder bedoelde procedure bij het hof niet afwachten.

4.3.
Bij antwoord concludeert NAM tot niet-ontvankelijkverklaring van de heer A in zijn vordering omdat in het kadaster alleen mevrouw A als eigenaar is vermeld en nergens uit blijkt dat ook de heer A eigenaar van de woning is. In reactie daarop stellen A c.s. bij repliek dat zij zijn gehuwd en dat zij een gezamenlijk financieel beleid voeren waardoor er in feite sprake is van een echtelijke woning. Naar het oordeel van de rechtbank betwisten A c.s. daarmee niet dat de heer A geen eigenaar van de woning is. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de woning deel uitmaakt van een huwelijkse goederengemeenschap kan er niet van worden uitgegaan, dat de heer A eigenaar van de woning is. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de heer A een rechtens relevant belang heeft bij het gevorderde. De vordering van de heer A zal dan ook worden afgewezen. De heer A zal als de ten opzichte van NAM in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, die in dit geval zullen worden vastgesteld op nihil.

4.4.
Bij de beoordeling van de door mevrouw A ingestelde vordering stelt de rechtbank voorop dat NAM op grond van artikel 6:177 lid 1 aanhef en onder b BW als exploitant van de gasvelden in Groningen risicoaansprakelijk is voor schade die het gevolg is van door gaswinning veroorzaakte bodembeweging.

4.5.
NAM erkent dat de aardbevingen in Groningen worden veroorzaakt door gaswinning, dat (het risico op) aardbevingen een mogelijk negatief effect heeft op de waarde van woningen in het gebied waar aardbevingen voorkomen en dat NAM aansprakelijk is voor schade in de vorm van waardedaling van onroerende zaken als gevolg van aardbevingen ook als de onroerende zaak fysiek geen schade heeft geleden. De door NAM opgestelde Waarderegeling voorziet ook in de mogelijkheid van een vergoeding voor waardedaling ongeacht of de onroerende zaak wel of geen fysieke schade heeft geleden als gevolg van aardbevingen.

4.6.
Op grond van het voorgaande concludeert NAM dat mevrouw A geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht heeft nu de aansprakelijkheid van NAM reeds uit de wet volgt. NAM kan in die conclusie niet worden gevolgd omdat NAM immers zelf aansprakelijkheid heeft afgewezen op de enkele grond dat de woning nog niet is verkocht, terwijl mevrouw A stelt dat dit niet relevant is.

4.7.
Mevrouw A heeft volgens NAM voorts geen belang bij haar vordering omdat eventuele waardedalingsschade niet eerder dan na verkoop van de woning moet c.q. hoeft te worden gecompenseerd en ook niet omdat zij een hypothetische situatie zou voorleggen, te weten "wat geldt rechtens tussen partijen indien de woning als gevolg van waardedaling veroorzaakt door (het risico op) aardbevingen voor minder geld zou worden verkocht".

4.8.
Beide verweren berusten op de aanname van NAM dat (nog) geen sprake is van vermogensschade omdat de woning (nog) niet is verkocht. Volgens NAM kan niet eerder dan bij verkoop van de woning worden vastgesteld of sprake is van een waardedaling als gevolg van (het risico op) aardbevingen als gevolg van gaswinning. Deze aanname is naar het oordeel van de rechtbank onjuist, waarbij zij verwijst naar hetgeen daaromtrent in de bij rechtsoverweging 2.7. genoemde WAG-zaak is overwogen. Schade geleden door waardevermindering van onroerende zaken vormt op zichzelf schade die voor vergoeding in aanmerking komt, zij het dat de rechter bevoegd is om zijn beslissing uit te stellen ingeval van onzekerheid omtrent toekomstige omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de schade geleden door waardevermindering van in het aardbevingsgebied gelegen onroerende zaken reeds nu worden begroot en kan daarbij worden geabstraheerd van de vraag of fysieke schade is geleden en of de woning is verkocht, omdat het aardbevingsrisico, en daarmee de waardevermindering, als blijvend en duurzaam is aan te merken. Dat de aardbevingsrisico's en de daarmee samenhangende effecten op de woningwaarde niet statisch zijn, betekent nog niet dat de waardevermindering als gevolg van het risico op aardbevingen binnen een afzienbare termijn van voorbijgaande aard zou zijn. De gaswinning zal niet op korte termijn worden gestaakt en de aardbevingen zullen zich, zelfs bij aanzienlijke reductie of stopzetting van de gaswinning, nog jarenlang voordoen. Dat de exacte omvang van de waardevermindering nog niet vaststaat en dat er aldus goede en/of kwade kansen zijn die van invloed kunnen zijn op de omvang van de waardevermindering doet niet af aan het bestaan en het kunnen begroten van de waardevermindering. NAM kan op zichzelf worden toegegeven dat die methode complexer is en dat de door haar bepleite begroting op het moment van verkoop in veel gevallen gemakkelijker uit te voeren zal zijn omdat dan ten minste één van de factoren die van belang is voor het bepalen van de maximale schade van de betreffende eigenaar vaststaat. Maar in die systematiek ligt eveneens besloten dat een woningeigenaar geen aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding wegens waardevermindering als/zolang zijn woning onverkoopbaar is of wanneer hij daarover op andere wijze wil beschikken. Die uitkomst acht de rechtbank niet redelijk. Mevrouw A heeft dan ook belang bij haar vordering. De rechtbank verwerpt de op dat punt door NAM gevoerde verweren.

4.9.
NAM voert tot haar verweer aan dat de vordering van mevrouw A moet worden afgewezen omdat zij niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de woning als gevolg van aardbevingen in waarde is gedaald. Met dit verweer gaat NAM eraan voorbij dat voor toewijzing van de door mevrouw A ingestelde vordering niet vereist is dat in de onderhavige procedure wordt aangetoond of aannemelijk is dat er schade is geleden, maar dat thans voldoende is dat de mogelijkheid van schade bestaande uit waardedaling van de woning als gevolg van (het risico op) aardbevingen, aannemelijk is.

4.10.
Vaststaat dat de woning van mevrouw A zich boven het Groningenveld bevindt en daarmee in het gebied staat waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen. Verder staat vast dat de zwaarte van de aardbevingen in voorkomende gevallen in de gemeente Slochteren zodanig is dat zij leidt tot fysieke schade aan onroerende zaken. Ook de woning loopt dus dat risico. De rechtbank acht de mogelijkheid van schade door waardevermindering als gevolg van (het risico op) door gaswinning veroorzaakte aardbevingen dan ook aannemelijk. De rechtbank betrekt daarbij mede de in dit geding overgelegde rapporten en wel als volgt.

4.11.
Volgens het rapport Woningmarkt- en leefbaarheidsonderzoek van OTB van TU Delft is de aardbevingsproblematiek één van de aspecten die de woningmarkt in het aardbevingsgebied (waaronder Slochteren) negatief beïnvloeden. Eén van de conclusies in het rapport van Atlas voor gemeenten is dat de huizenprijzen zich sinds de aardbeving van Huizinge tot september 2015 in het risicogebied (waaronder Slochteren) ongunstiger hebben ontwikkeld dan op de referentielocaties, te weten met per saldo gemiddeld twee procent. Volgens het rapport van Spring Associates is gelet op vijf andere onderzoeksrapporten niet uit te sluiten dat aardbevingen en het risico daarop gemiddeld genomen een negatief prijseffect op de woningmarkt in het risicogebied (waaronder Slochteren) hebben gehad van maximaal 4,5%. In het rapport van SEO is vermeld dat woningprijzen in aardbevingsgebieden sterk beïnvloed worden door (subjectieve) percepties van aardbevingsrisico's en dat deze percepties niet alleen worden bepaald door feitelijke objectieve risico's, maar ook door bijvoorbeeld informatievoorziening en door opgetreden aardbevingen. Verder is in dat laatste rapport vermeld dat gemeten prijseffecten van de aardbevingen in Noord-Nederland ca. 2 procent zijn.

4.12.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel verder het in de WAG-zaak gegeven oordeel dat het samenstel van in die zaak overgelegde rapportages, taxaties en verklaringen, aanwijzingen biedt dat de aardbevingen een negatief effect hebben op de woningmarkt in het getroffen gebied, hoewel de resultaten met de nodige voorzichtigheid dienen te worden beschouwd.

4.13.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat toegewezen kan worden een verklaring voor recht dat NAM jegens mevrouw A aansprakelijk is voor de schade die mevrouw A lijdt bestaande uit de waardedaling van de woning voor zover die het gevolg is van (het risico op) aardbeving door gaswinning, nader op te maken bij staat.

4.14.
Voor zover in de door mevrouw A gevorderde verklaring voor recht besloten ligt dat de (mogelijke) waardedaling van de woning uitsluitend is veroorzaakt door (het risico op) aardbevingen als gevolg van gaswinning is de vordering niet toewijsbaar. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt het op de weg van mevrouw A om feiten te stellen en onderbouwen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen waaruit dat blijkt. Mevrouw A heeft die feiten naar het oordeel van de rechtbank (nog) niet weten te stellen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.15.
Net als in de in de WAG-zaak overgelegde rapporten wordt in de in de onderhavige zaak overgelegde onderzoeksrapporten een gemiddelde waardedaling als gevolg van (het risico op) aardbevingen geconstateerd van enkele procenten, hooguit 4,5% (het rapport van Spring Associates). Mede onder verwijzing naar de bevindingen van dr. W.P. Krijnen voert mevrouw A wel allerlei bezwaren aan tegen de door NAM overgelegde rapporten, maar mevrouw A heeft zelf geen rapporten overgelegd waaruit blijkt dat - in het aardbevingsgebied en/of in Slochteren - de (gemiddelde) waardedaling geheel kan worden toegeschreven aan (het risico op) aardbevingen. Veel eerder volgt het tegendeel uit het door mevrouw A overgelegde rapport Woningmarkt- en leefbaarheidsonderzoek van OTB van TU Delft. In dat rapport wordt naast de aardbevingsproblematiek ook de krimp een aspect genoemd dat de woningmarkt in het aardbevingsgebied (waaronder Slochteren) negatief beïnvloedt. Dat in Slochteren - zoals mevrouw A benadrukt - geen sprake is van krimp, betekent nog niet zonder meer dat krimp in (buurtgemeenten in) de provincie geen negatieve invloed heeft op de prijzen van koopwoningen in Slochteren. In het rapport Woningmarkt- en leefbaarheidsonderzoek van OTB van TU Delft is uitdrukkelijk opgenomen dat de factor 'bevolkingskrimp' net als de factor 'aardbevingen' van invloed is op de leefbaarheid en de woningmarkt in de negen in het rapport gedefinieerde aardbevingsgemeenten (zijnde gemeenten met krimp en gemeenten zonder krimp, zoals hiervoor onder 2.12 is weergegeven) en daarmee ook in de gemeenten zonder krimp als Slochteren. De in het rapport van ABF Research gesignaleerde omstandigheid dat vanaf 2014 de markt voor koopwoningen vanaf € 250.000,00 in het aardbevingsgebied achter is gebleven ten opzichte van die voor koopwoningen onder € 250.00,00 maakt (nog) niet dat dit alleen komt door (het risico op) aardbevingen. Uit het rapport van ABF Research blijkt niet dat dit is onderzocht en die conclusie wordt in het rapport van ABF Research niet getrokken.

4.16.
In deze procedure is dan ook niet komen vast te staan dat de (mogelijke) waardedaling van de woning (alleen) door (het risico op) aardbevingen als gevolg van gaswinning wordt veroorzaakt. De rechtbank zal dat dan ook niet voor recht verklaren. De overige verweren van NAM behoeven dan ook geen verdere bespreking.

4.17.
De stelling van mevrouw A dat de schade, de waardedaling van de woning die NAM moet vergoeden, het verschil is tussen de op 11 juli 2012 getaxeerde marktwaarde van de woning van € 550.000,00 en de huidige taxatiewaarde, kan verder onbesproken blijven. Mevrouw A heeft geen vordering ingesteld waarvoor die stelling van belang is.

4.18.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank voor recht zal verklaren als in het dictum te melden. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4.19.
NAM zal als de ten opzichte van mevrouw A grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van mevrouw A worden tot op heden vastgesteld op € 1.293,58 (zijnde € 101,58 aan kosten dagvaarding, € 288,00 aan griffierecht en € 904,00 aan tegemoetkoming in het salaris van de advocaat, 2 punten x tarief € 452,00).

5 De beslissing
De rechtbank:

5.1.
wijst de vordering van de heer A af;

5.2.
veroordeelt de heer A ten opzichte van NAM in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NAM ten aanzien van de heer A vastgesteld op nihil;

5.3.
verklaart voor recht dat NAM jegens mevrouw A aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt bestaande uit de waardedaling van de woning voor zover de waardedaling van de woning het gevolg is van (het risico op) aardbevingen door gaswinning, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.4.
veroordeelt NAM ten opzichte van mevrouw A in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van mevrouw A vastgesteld op € 1.293,58; ECLI:NL:RBNNE:2017:4246

Deze website maakt gebruik van cookies