Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 060612 bezitter hond aansprakelijk voor schade bij degene die de hond uitliet; geen eigen schuld

Rb Amsterdam 060612 bezitter hond aansprakelijk voor schade bij degene die de hond uitliet; geen eigen schuld

4.  De beoordeling 
  Bezitter van de hond 
4.1.  [A] baseert haar vordering primair op de risico-aansprakelijkheid die rust op de bezitter van een dier. Volgens [A] zijn zowel [B] als [C] aan te merken als bezitter van de hond. 
Volgens [B] c.s. is [B] inderdaad bezitter van de hond, maar zij betwisten dat [C] bezitter is. 

4.2.  De rechtbank is van oordeel dat [A] haar stelling dat niet alleen [B] maar ook [C] moet worden aangemerkt als bezitter van de hond onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking de gemotiveerde betwisting van [B] c.s. In de door [B] c.s. overgelegde aanslagen Hondenbelasting, alsmede in de overgelegde gegevens van de dierenarts wordt enkel [B] genoemd als belastingplichtige, respectievelijk eigenaar van de hond. Het had op de weg van [A] gelegen nadere feiten te stellen waaruit zou blijken dat [C] als bezitter van de hond moet worden aangemerkt. Het feit dat [C] en [B] in hetzelfde huis wonen is daartoe in elk geval onvoldoende. De vorderingen jegens [C] zullen dan ook worden afgewezen. 

  Aansprakelijkheid [B] 
4.3.  Vooropgesteld moet worden dat uit hoofde van artikel 6:179 BW de bezitter van een dier in beginsel aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade. Dit is slechts anders indien aansprakelijkheid zou hebben ontbroken indien de bezitter de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. De grondslag voor deze vorm van risico-aansprakelijkheid is het gevaar dat in de eigen energie van een dier schuilt en het onberekenbare dat daarin is gelegen. 

4.4.  Gesteld noch gebleken is dat aansprakelijkheid van [B] zou hebben ontbroken indien zij de gedraging van de hond in haar macht zou hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is [B] derhalve aansprakelijk voor de schade die de hond aan [A] heeft toegebracht. Nu bovendien vast staat dat [B] ten tijde van het ongeval niet verzekerd was voor door de hond aangerichte schade, is [B] in beginsel verplicht de schade die [A] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt, aan [A] te vergoeden. 

  Eigen schuld [A] 
4.5.  [B] heeft gesteld dat het ongeval (mede) is veroorzaakt door een omstandigheid die aan [A] kan worden toegerekend, in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW. Volgens [B] heeft zij aanvankelijk geweigerd de honden door [A] te laten uitlaten, vanwege het feit dat ze erg sterk zijn en ook [B] al eens omver hadden getrokken. Toen [A] bleef aandringen heeft [B] het uiteindelijk goedgevonden. [B] heeft [A] daarbij gewaarschuwd dat de honden hard kunnen trekken als ze katten zien en gezegd dat het beter is om met ze naar het park te gaan en de straten te vermijden. [A] heeft deze waarschuwingen genegeerd en heeft daardoor zelf mede bijgedragen aan het ongeval, aldus [B] c.s.. 

4.6.  [A] betwist dat zij gewaarschuwd is door [B]. [A] had niet veel ervaring met het uitlaten van honden. [A] heeft aan [B] voorgesteld om haar honden uit te laten omdat [B] vaak overdag van huis was. De honden waren sterk en trokken af en toe aan de lijn, maar ze luisterden normaal gesproken goed naar [A], zo stelt zij. 

4.7.   De rechtbank overweegt het volgende. Dit geschilpunt ziet op de vraag of er sprake is van omstandigheden die aan [A] kunnen worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. De kernvraag is daarbij of [A] anders heeft gehandeld dan van een redelijk handelend mens kon worden gevergd onder de gegeven omstandigheden. Voor zover uit het verweer van [B] moet worden afgeleid dat er reeds sprake zou zijn van eigen schuld aan de zijde van [A], omdat zij op eigen initiatief grote sterke honden van een ander is gaan uitlaten, volgt de rechtbank dit verweer niet. Het enkele feit dat [A] er zelf voor koos om met de grote hond van [B] te gaan wandelen, terwijl bekend is dat grote honden zich soms onvoorspelbaar en gevaarlijk kunnen gedragen, is daartoe onvoldoende. De grondslag van de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW is immers juist gelegen in het gevaar dat de eigen energie van het dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen, terwijl dit een risico-aansprakelijkheid betreft. 
Voor zover in dit verband al enige betekenis zou kunnen toekomen aan het eigen initiatief van [A] om de hond uit te laten, dan valt dit naar het oordeel van de rechtbank weg tegen het feit dat [B], naar eigen zeggen uit eigen ervaring bekend met het gedrag van de hond dat in dit geval tot het ongeval heeft geleid, de hond aan [A] heeft meegegeven. 

4.8.  Partijen zijn met betrekking tot het geschil over de eigen schuld voorts verdeeld over de vraag of [B] waarschuwingen heeft gegeven waaraan [A] geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven. Voor zover [B] zich beroept op een algehele disculpatie op grond van de door haar gegeven waarschuwing, verwerpt de rechtbank dit verweer reeds nu dit zich niet verhoudt met de aard van de aansprakelijkheid van artikel 6:179 BW. Uit hetgeen vaststaat is af te leiden dat de hond een aantal keren tijdelijk werd uitgeleend aan [A] met het oog op een wandeling, zoals ook het geval was bij de wandeling waarbij het ongeval plaatsvond. Het debat over de al dan niet gegeven waarschuwingen ziet mede op de vraag hoe deze ‘in- en uitleenverhouding’ door [A] en [B] was ingevuld en of van [A] op grond daarvan had kunnen worden gevergd dat zij anders had gehandeld bij het uitlaten van de hond dan zij heeft gedaan. 
[B] brengt als verweer naar voren dat zij [A] had geïnstrueerd om naar het park te gaan, omdat in de straten veel katten liepen en de kans dan groot was dat de honden daarop af zouden gaan. Dit is door [A] weersproken. Vaststaat dat het ongeval heeft plaatsgevonden op straat, nadat de hond een kat had gezien en vervolgens [A] omver trok. De vraag ligt dan ook voor of [B], die zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde waarschuwing beroept, tot bewijs van haar stellingen moet worden toegelaten. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, nu het bewijs van de door [B] gestelde waarschuwing of instructie niet kan leiden tot het door haar beoogde rechtsgevolg, te weten vermindering van haar schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW. Uit het door [B] opgeworpen verweer is immers niet af te leiden of het lopen door enige straat te vermijden zou zijn geweest, indien [A] zich met de hond - overeenkomstig de gestelde instructie - naar het park had begeven. 

4.9.  Bovenstaande overwegingen leiden tot de slotsom dat in hetgeen door [B] als verweer is opgeworpen ten aanzien van eigen schuld aan de zijde van [A] niet kan leiden tot vermindering van de schadevergoedingsplicht die uit de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW voortvloeit. 

  Schadestaat 
4.10.  [A] vordert schadevergoeding, inclusief de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, nader op te maken bij staat. Zij heeft bij akte een overzicht overgelegd met betrekking tot haar materiële en immateriële schade. Op dit overzicht staat een aantal p.m. (pro memorie) posten vermeld. Ook heeft [A] een overzicht van buitengerechtelijke kosten overgelegd. 
[B] c.s. geven er de voorkeur aan de schadebegroting in de onderhavige procedure te laten plaatsvinden. [B] c.s. betwisten bovendien de schade zoals die door [A] is gesteld. 

4.11.  Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] voldoende gesteld voor het bestaan van schade, althans de mogelijkheid van schade bij [A] als gevolg van het ongeval. De rechtbank is echter met [A] van oordeel dat het door [A] overgelegde overzicht onvoldoende aanknopingspunten biedt om thans de geleden en nog te lijden schade van [A] te begroten. Dat geldt echter niet voor de buitengerechtelijke kosten, nu het door [A] overgelegde overzicht van die kosten voldoende aanknopingspunten biedt om daarover in de onderhavige procedure te oordelen. De rechtbank zal haar oordeel over de buitengerechtelijke kosten hierna onder 4.12 weergeven. Voor het overige zal de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure worden toegewezen. 

  Buitengerechtelijke kosten 
4.12.  De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – worden afgewezen. Uit de door [A] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [A] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. 

  Proceskosten 
4.13.  [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij ten aanzien van haar vordering jegens [C] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure voor zover deze door [C] zijn gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op € 565,00 (2,5 punten x tarief II x 0,5) aan salaris advocaat. 

4.14.  [B] zal voorts als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de verhouding [A] - [B] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [A] worden tot op heden begroot op: 

-   explootkosten:   € 90,81 
-  griffierecht:  € 71,00 
-  salaris advocaat:  € 1.130,00 (2,5 punten x tarief II)   
Totaal:      € 1.291,81 LJN BW9368

Deze website maakt gebruik van cookies