Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBGEL 071020 geen letsel; eigenaar hond aansprakelijk voor schade bij oppasadres; geen eigen schuld

RBGEL 071020 geen letsel; eigenaar hond aansprakelijk voor schade bij oppasadres; geen eigen schuld

2.1.
De kantonrechter blijft bij de inhoud van het tussenvonnis van 3 juni 2020 en bouwt daarop voort. In dat tussenvonnis is vooropgesteld dat [Eiser] op de voet van artikel 6:179 BW in beginsel aansprakelijk is voor de door haar hond aangerichte schade aan de deuren van [naam 1].

2.2.
[Eiser] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de volgende vragen in het kader van artikel 6:101 lid 1 BW:
1) of de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [naam 1] moet worden toegerekend en in welke mate de aan ieder (eventueel) toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen;
2) of de omvang van de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [naam 1] moet worden toegerekend (was reparatie van de deuren redelijkerwijs mogelijk en zo ja, wat zou dat hebben gekost?);
3) of wegens de uiteenlopende ernst van de gestelde fouten of andere omstandigheden van het geval de billijkheid eist dat een andere schadeverdeling plaatsvindt.

Verder is [Eiser], voor het geval vast zou komen te staan dat zij vergoedingsplichtig is, in de gelegenheid gesteld te reageren op de stelling van Ditzo dat een correctie ‘nieuw voor oud’ moet plaatsvinden en wat die correctie eventueel zou inhouden.

Ten slotte is [Eiser] in de gelegenheid gesteld bewijs in te brengen van haar stelling dat zij daadwerkelijk door [naam 1] is aangesproken om de vervangingskosten ad € 3.860,99 (inclusief btw) te vergoeden. Ditzo is in de gelegenheid gesteld bij antwoordakte hierop te reageren.

2.3.
[Eiser] stelt in haar akte dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [naam 1]. Het in een woonhuis zonder toezicht laten van een hond is volgens haar vrij gebruikelijk en komt vaak voor, zowel bij de eigenaar als bij een oppas. Dit is volgens haar geen omstandigheid die aan [naam 1] kan worden toegerekend, aldus [Eiser]. Het is ongebruikelijk om de hond daarbij aan te lijnen; dat zou volgens [Eiser] het risico op schade alleen maar vergroten omdat de hond zich dan wil bevrijden. De hond heeft nooit eerder dergelijk gedrag vertoond, zo stelt [Eiser]. Als dit wel het geval was geweest, had zij [naam 1] niet het risico op schade laten lopen en had [naam 1] dit risico ook niet genomen. [Eiser] stelt dat reparatie van de deuren niet mogelijk was en onderbouwt dit met de door haar overgelegde brief van KeukenMeyt van 23 februari 2020 en de daarbij gevoegde eerdere e-mailcorrespondentie met de leverancier van de deuren. Daarin staat (onder meer) dat de vervangen deuren niet gerepareerd konden worden omdat het houtfineer wordt uitgezocht per deur en in een passend fineerbeeld aangebracht wordt, dat elke fineerlaag een unieke tekening heeft die niet te combineren valt, dat houtfineer na verloop van tijd verkleurt waardoor het aanbrengen van nieuw fineer kleurverschil zal geven en ten slotte dat de kosten van het voorzien van de deuren van een geheel nieuwe laag fineer (duurste onderdeel) niet opwegen tegen de kosten van het basismateriaal van een deur. [Eiser] stelt verder dat er geen enkele reden is voor toepassing van een billijkheidscorrectie, ook niet met het oog op ‘nieuw voor oud’, omdat de deuren minder dan twee jaar voor de beschadiging in het kader van een renovatie van de woning waren geplaatst en deze een leven lang mee kunnen. Ten slotte stelt [Eiser] dat zij mondeling aansprakelijk is gesteld door [naam 1] en dat [naam 1] dit in de brief van 16 juni 2020, waarvan zij een kopie heeft overgelegd, schriftelijk heeft bevestigd.

2.4.
Ditzo voert bij antwoordakte aan dat [Eiser] niet in verzuim is, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij destijds door [naam 1] in gebreke is gesteld. De brief van 16 juni 2020 van [naam 1] volstaat daarvoor niet. Haar vordering op Ditzo is reeds daarom niet ontvankelijk dan wel moet worden afgewezen, aldus Ditzo. Verder voert Ditzo aan dat wel sprake is van eigen schuld van [naam 1] (voor 100% dan wel minimaal 75%) omdat hij de hond alleen, buiten zijn comfortzone, gedurende een aantal uren in een afgesloten, kostbaar ingerichte woonkamer van een relatief vreemde woning heeft gelaten, terwijl hij de hond ook in een bench of (al dan niet aangelijnd) in de gang, bijkeuken, garage of tuin had kunnen achterlaten, althans op een plaats waar de hond minder schade kon aanrichten. [naam 1] heeft dus onvoldoende voorzorgsmaatregelen genomen om schade te voorkomen of beperken, aldus Ditzo. Daarnaast voert Ditzo aan dat het in de lijn der verwachting ligt dat de deuren al gebruikerssporen hadden en blijft hij bij zijn stelling dat reparatie van de deuren wel mogelijk en goedkoper zou zijn geweest. Zij onderbouwt dit met een verwijzing naar een website over het herstellen van fineer.

2.5.
Met betrekking de vraag of de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [naam 1] moet worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW is de kernvraag of [naam 1] anders heeft gehandeld dan van een redelijk handelend bewaarnemer onder de gegeven omstandigheden kon worden gevergd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Ditzo, tegenover de stellingen van [Eiser], onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. Bij dit oordeel speelt een rol dat [Eiser] onweersproken heeft gesteld dat [naam 1] al vaker in zijn woning op de hond heeft gepast, dat de hond daar al vaker alleen is gelaten en dat de hond daarbij niet eerder dergelijke (bijt)gedrag heeft vertoond. [naam 1] behoefde dergelijk gedrag kennelijk niet te verwachten. Onder die omstandigheden kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat [naam 1] onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen en zijn zorgplicht niet in acht heeft genomen. Wellicht was de kans op schade kleiner geweest als [naam 1] de hond in een andere ruimte alleen had gelaten, of in een bench, zoals Ditzo heeft aangevoerd, maar Ditzo heeft in het licht van het verweer van [Eiser] onvoldoende onderbouwd waarom dat in dit concrete geval van [naam 1] had moeten worden verwacht.

2.6.
Ook met betrekking tot de omvang van de schade heeft Ditzo, tegenover de betwisting en onderbouwing van [Eiser], onvoldoende gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat de deuren voor minder geld gerepareerd hadden kunnen worden. Het enkele feit dat fineer gerepareerd kan worden en een verwijzing naar een website daarover is onvoldoende om aan te tonen dat dat in dit specifieke geval de goedkopere oplossing zou zijn geweest.

2.7.
Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat in hetgeen door Ditzo als verweer is opgeworpen ten aanzien van eigen schuld aan de zijde van [naam 1] geen aanleiding wordt gezien in vermindering van de schadevergoedingsplicht die uit de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW voortvloeit.

2.8.
De kantonrechter verwerpt voorts het verweer van Ditzo dat geen sprake is van verzuim aan de zijde van [Eiser]. Indien er sprake is van een verbintenis tot schadevergoeding die voortvloeit uit een kwalitatieve aansprakelijkheid (artikel 6:179 BW), treedt het verzuim in zonder uitdrukkelijke ingebrekestelling (artikel 6:83 aanhef en onder b BW). Er was in het onderhavige geval dus geen (schriftelijke) ingebrekestelling nodig. Naar het oordeel van de kantonrechter is met de brief van [naam 1] van 16 juni 2020 voldoende gebleken dat [naam 1] [Eiser] heeft aangesproken om de vervangingskosten van de deuren te vergoeden.

2.9.
Ten slotte wordt ook onvoldoende aanleiding gezien in het toepassen van een correctie ‘nieuw voor oud’. [Eiser] heeft onweersproken gesteld dat dergelijke deuren een zeer lange tijd meegaan. De deuren van [naam 1] waren nog geen twee jaar oud. De correctie ‘nieuw voor oud is in dat geval naar het oordeel van de kantonrechter verwaarloosbaar.

2.10.
Gelet op het voorgaande moet het er dan ook voor worden gehouden dat [Eiser] aan [naam 1] een bedrag van € 3.860,99 (inclusief btw) aan schade moet vergoeden.

Niet in geschil is dat aansprakelijkheid voor door huisdieren aangerichte schade onder de dekkingsomschrijving van de verzekeringsovereenkomst valt. Nu blijkens de polis geen eigen risico is overeengekomen, zal Ditzo dan ook worden veroordeeld om voormeld bedrag aan [Eiser] uit te keren.

2.11.
[Eiser] vordert daarnaast een bedrag van € 994,98 ‘ter zake van kosten van rechtsbijstand’. Zij stelt dat dit redelijke kosten zijn voor advies en bijstand om tot het verhaal van de schadevergoeding te komen. Ter onderbouwing legt zij een declaratie van haar gemachtigde ter hoogte van € 1.578,24 (inclusief btw) over. Ditzo vat dit op als een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en voert het verweer dat deze vordering moet worden afgewezen omdat geen noemenswaardige en kenbare buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en omdat deze kosten bovendien niet zijn onderbouwd en, indien al gemaakt, onder de proceskosten vallen. De kantonrechter is van oordeel dat [Eiser], voor zover zij heeft bedoeld de kosten van haar gemachtigde deels op grond van artikel 6:96 lid 2 onderdeel b) of c) vergoed te krijgen, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze kosten heeft gemaakt en waarom (op grond waarvan) deze kosten redelijk zijn. De kosten van haar gemachtigde zullen daarom enkel worden vergoed in het kader van de proceskostenveroordeling.

2.12.
Ditzo wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [Eiser]. De kantonrechter zal het salaris van de gemachtigde overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief in kantonzaken begroten op € 480,00 (2 punten x € 240,00).ECLI:NL:RBGEL:2020:5340

Deze website maakt gebruik van cookies