Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOBR 251121 smartengeld vanwege letsel aan vinger na hondebeet € 500,00 (2)

RBOBR 251121 aansprakelijkheid voor hondenbeet na hand in brievenbus;
- gefixeerde vinger levert ernstige beperking op idzv richtlijn huishoudelijke hulp

- smartengeld vanwege letsel aan vinger na hondebeet € 500,00

Korte samenvatting van de zaak
[eiser] stelt dat zij is gebeten door de hond van [gedaagde] . Daarbij heeft zij letsel opgelopen. [eiser] vordert vergoeding van de schade die zij daardoor heeft geleden. Zij baseert haar vordering op artikel 6:179 BW: de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van een dier. [gedaagde] betwist dat zij aansprakelijk is voor de schade van [eiser] , onder meer omdat zij niet de bezitter was van een hond ten tijde van het voorval. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel aansprakelijk is en de schade van [eiser] moet vergoeden. De schade wordt op een aantal onderdelen wel lager begroot dan door [eiser] is gevorderd, omdat deze niet voldoende onderbouwd is of omdat er een verkeerd uitgangspunt is gebruikt voor de berekening. Met betrekking tot één schadepost zal [eiser] nog een toelichting moeten geven. De kantonrechter wijst daarom nog geen eindvonnis, maar een tussenvonnis.

)... red. LSA LM'
2

Het geschil en de beoordeling

2.1.
In deze zaak gaat het om de afwikkeling van de letselschade die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van een hondenbeet op 27 oktober 2019. Volgens [eiser] was zij op die dag visitekaartjes voor haar eigen bedrijf aan het bezorgen. Bij de woning van [gedaagde] heeft zij een visitekaartje in de brievenbus gedaan. Daarbij is zij in haar rechter wijsvinger gebeten door een hond die zich in de woning bevond. Er was verder niemand in de woning aanwezig. Het letsel bestond uit een botbreuk en een ernstige wond. Volgens [eiser] heeft zij nog steeds klachten en beperkingen als gevolg van de hondenbeet.

[gedaagde] is aansprakelijk

2.2.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [eiser] heeft geleden. Daarnaast vordert zij veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 24.558,02, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure en de nakosten. Zij legt aan de vorderingen ten grondslag dat op [gedaagde] als bezitter van de hond een risicoaansprakelijkheid rust.

2.3.
[gedaagde] betwist dat zij aansprakelijk is. Zij voert met betrekking tot het gestelde voorval als verweer het volgende aan. Uit niets blijkt dat [eiser] is gebeten door een hond. Als [eiser] al is gebeten door een hond, blijkt uit niets dat dat is gebeurd op het adres van [gedaagde] . [gedaagde] bezat ook geen hond op de dag van het voorval.

Dit verweer slaagt niet.

2.4.
[gedaagde] stelt dat zij geen hond had ten tijde van het voorval. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat haar echtgenoot, toen hij in de avond van 27 oktober 2019 naar de woning van [gedaagde] ging, een hond hoorde blaffen. [gedaagde] heeft daarop als reactie verklaard dat het haar niet bekend was of er die dag een hond in huis was, maar dat het zou kunnen dat de echtgenoot een hond heeft horen blaffen. Daar is aan toegevoegd dat de vader van [gedaagde] wel een hond heeft en dat hij wel eens bij haar langs gaat, maar dat de vader die dag niet in de woning is geweest. Dat is dus niet te rijmen met haar eerdere bevestiging dat de echtgenoot van [eiser] een hond kan hebben horen blaffen.

2.5.
Verder heeft [eiser] een verklaring overgelegd van de wijkagent, waaruit blijkt dat de wijkagent met [gedaagde] heeft gesproken over de situatie van [eiser] , waarbij [gedaagde] te kennen heeft gegeven “( ... ) dit op een nette wijze te willen regelen.” Dit is door [gedaagde] niet betwist. Zij stelt wel dat haar uitspraak zag op het geval dat zou blijken dat zij aansprakelijk zou zijn, maar dat overtuigt de kantonrechter niet. Als [gedaagde] niet in het bezit was van een hond, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom zij ook maar iets zou willen regelen. Er was volgens haar namelijk geen hond in huis. Als het de hond van haar vader is geweest, dan valt ook niet in te zien waarom zij daar niet meteen melding van heeft gemaakt bij de wijkagent of in de conclusie van antwoord. Ook in het eerdere contact met (de gemachtigde van) [eiser] is dat niet eerder naar voren gebracht.

2.6.
Met het verweer van [gedaagde] dat zij geen hond heeft, is ook niet te rijmen dat [eiser] met de gegevens die zij telefonisch van [gedaagde] had gekregen contact heeft opgenomen met de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] , ZLM. Dat [gedaagde] die gegevens heeft verstrekt heeft zij niet betwist. Maar ook op dit punt valt niet in te zien waarom gegevens van de verzekeraar worden verstrekt, als je van mening bent dat er geen aansprakelijkheid kan zijn, omdat je geen hond bezit en er ook geen hond in huis was. De vraag of [gedaagde] al dan niet pas na het incident een verzekering voor een hond heeft afgesloten kan daarom onbeantwoord blijven.

2.7.
Tot slot heeft [eiser] verklaard over een gesprek dat heeft plaatsgevonden met [gedaagde] . Dat gesprek was volgens [eiser] bij de schoonzus van [eiser] . Zij heeft toen onder meer gevraagd of de hond ingeënt was. [gedaagde] heeft dat toen bevestigd. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling echter in eerste instantie verklaard zich het gesprek niet meer te kunnen herinneren, en ook niet dat over inentingen is gesproken. Vervolgens heeft ze verklaard dat ze zich niet meer kan herinneren wanneer het gesprek heeft plaatsgevonden, maar dat het wel zou kunnen dat zij het gesprek heeft gevoerd. En dat zij heeft aangegeven dat zij het zou regelen als ze schuldig zou zijn. Deze wisselende verklaringen dragen niet bij aan de geloofwaardigheid van het verweer.

2.8.
Gelet op het vorenstaande stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde] wel de bezitter was van een hond en dat [eiser] op 27 oktober 2019 bij het bezorgen van een visitekaartje door die hond is gebeten. Met betrekking tot het letsel is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] dat voldoende heeft onderbouwd. Weliswaar blijkt uit de verwijzingsbrief van 13 december 2019 die [eiser] heeft overgelegd niet dat het letsel is veroorzaakt door een hondenbeet, maar de brief van de medisch adviseur van [eiser] van 11 december 2020 geeft een beschrijving van het medisch dossier. De medisch adviseur schrijft daarover dat [eiser] op 27 oktober 2019 op de Spoedeisende Hulp van het Catharinaziekenhuis is gezien nadat ze is gebeten door een hond. Ook het letsel wordt door de medisch adviseur beschreven. Het verweer van [gedaagde] dat niet vaststaat dat het letsel door een hondenbeet is veroorzaakt wordt daarom verworpen.

2.9.
[gedaagde] voert als verweer tegen de risicoaansprakelijkheid ook aan dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, dan wel schulduitsluitingsgrond. Als een hand zo ver in de brievenbus wordt gestoken dat daarin gebeten kan worden, zou een waakzame hond dat kunnen opvatten als een poging tot inbraak. De gedraging van de hond is in dat geval uitgelokt. Ook dit verweer faalt. Het verweer komt neer op een beroep op de tenzij-clausule van artikel 6:179 BW: de bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. De kantonrechter is van oordeel dat ook als [gedaagde] de gedraging van de hond in haar macht zou hebben gehad, zij aansprakelijk zou zijn. Het enkele feit dat iemand een (deel van een) hand door de brievenbus steekt bij het bezorgen van reclamemateriaal rechtvaardigt immers niet een beet in de vinger.

2.10.
Het beroep van [gedaagde] op eigen schuld van [eiser] slaagt evenmin. Gesteld noch gebleken is dat op de deur een waarschuwing was aangebracht dat er een hond aanwezig was, bijvoorbeeld door middel van de bekende ‘Hier waak ik’ of ‘Pas op voor de hond’- stickers. En ook is niet gesteld of gebleken dat de hond blafte voordat [eiser] het visitekaartje in de brievenbus stopte. Wanneer in die omstandigheden iemand nietsvermoedend bij het bezorgen van reclamemateriaal zijn hand iets te ver in de brievenbus steekt en direct wordt gebeten door een zich achter die deur bevindende hond, kan niet worden gezegd dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Dat [gedaagde] de welbekende ‘Nee/Nee’-sticker op de deur had zitten en dus helemaal geen reclamemateriaal wilde ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel.

De schade van [eiser]

2.11.
[eiser] vordert een schadevergoeding van € 24.558,02, als volgt gespecificeerd:

verlies verdienvermogen € 5.000,00
huishoudelijke hulp I € 4.104,00
huishoudelijke hulp II € 1.150,00
medische kosten € 100,00
verlies zelfwerkzaamheid € 1.197,00
kosten oppas € 500,00
smartengeld € 5.500,00
eigen bijdrage toevoeging € 835,00
kosten advocaat € 5.808,04
wettelijke rente € 454,18

2.12.
Het gestelde verlies van verdienvermogen is onvoldoende onderbouwd om nu al te kunnen toewijzen. [eiser] stelt dat de vinger vijf weken geïmmobiliseerd is geweest. Dit wordt onderbouwd door de beschrijving van het medisch dossier van [eiser] in de brief van de medisch adviseur van 11 december 2020. Wat de gevolgen zijn geweest voor haar werkzaamheden is echter onduidelijk. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling wel toegelicht dat zij zich voornamelijk bezighield met de reclame voor het bedrijf dat zij samen met haar echtgenoot heeft, op internet en sociale media. Het was veel computerwerk, 1 of 2 of 3 uur per dag. [eiser] heeft echter geen inkomensgegevens overgelegd. Ook is niet duidelijk wat zij nog wel kon doen. Gelet op het beperkt aantal uren dat [eiser] per dag werkte, lijkt een bedrag van € 5.000,00, wat neerkomt op € 1.000,00 per week, aan de hoge kant. Omdat er echter geen enkel aanknopingspunt is om de schade te kunnen begroten, maar wel aannemelijk is dat zij enige inkomensschade heeft geleden, zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld haar schade nader met stukken te onderbouwen. [gedaagde] zal daarop kunnen reageren.

2.13.
[eiser] heeft de schadepost voor huishoudelijke hulp van € 4.104,00 berekend aan de hand van de Richtlijn Huishoudelijke hulp van de Letselschaderaad. Het is gebruikelijk dat de Richtlijnen van de Letselschaderaad door rechters in letselschadezaken worden toegepast. Dat [gedaagde] zich niet aan enige richtlijn gebonden acht is niet relevant.

[eiser] is conform de Richtlijn Huishoudelijke hulp voor de eerste periode van 12 weken (3 maanden) uitgegaan van de zwaarste categorie: gezin met inwonende kinderen jonger dan 5 jaar en een zware beperking in het vermogen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. De kantonrechter is van oordeel dat een gefixeerde vinger een zware beperking is bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Er moet ook rekening worden gehouden met de mate waarin de benadeelde vóór het ongeval een bijdrage in het huishouden leverde. De kantonrechter gaat ervan uit dat dat 100% is. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het huishouden deed, omdat haar echtgenoot fulltime buitenshuis werkt. Dat is door [gedaagde] niet betwist.

Het normbedrag in deze categorie, € 367,00 per week, is gebaseerd op een gezin met twee kinderen jonger dan 5 jaar. [eiser] heeft echter één kind, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken. Daarom zal deze schadepost naar redelijkheid worden begroot op € 2.500,00. Dit bedrag zal worden toegewezen. Omdat gesteld noch gebleken is dat [eiser] al heeft betaald voor het inschakelen van huishoudelijke hulp, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.

2.14.
Voor de behoefte aan hulp in de periode na de eerste 12 weken is [eiser] uitgegaan van 28 weken met 3 uur huishoudelijke hulp in de week à € 12,50 per uur. Omdat in de verwijsbrief van 13 december 2019 staat dat het herstel lang zal duren, tot 1 jaar totaal, komt deze behoefte aan huishoudelijke hulp de kantonrechter niet onredelijk voor. De Richtlijn Huishoudelijke hulp gaat voor de tweede periode van 3 maanden uit van een tarief van € 10,00 per uur. Als die periode is verstreken moet worden uitgegaan van een redelijke vergoeding. Er is geen grond om voor die laatste periode uit te gaan van een ander bedrag dan waar de Richtlijn Huishoudelijke hulp van uitgaat. Deze schadepost wordt daarom begroot op (28 × 3 × 10 =) € 840,00. Om eerdergenoemde reden zal ook hier de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.

2.15.
[eiser] vordert een bedrag van € 100,00 voor medische kosten voor verband en medicijnen. Deze post is niet onderbouwd. Het verweer van [gedaagde] dat deze kosten gedekt zullen zijn door de verplichte ziektekostenverzekering is door [eiser] niet meer weersproken. Deze post zal daarom worden afgewezen.

2.16.
[eiser] vordert een bedrag van € 1.197,00 voor verlies aan zelfwerkzaamheid op basis van de Richtlijn Zelfwerkzaamheid. Ook deze Richtlijn wordt algemeen in de rechtspraak toegepast. Gelet op het letsel van [eiser] is voldoende aannemelijk dat zij beperkt was in haar mogelijkheden tot het verrichten van werkzaamheden in, aan of om de woning. De Letselschaderaad rekent met normbedragen per jaar. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in eigen woning of huurwoning en in type woning. Het bedrag waar [eiser] van uitgaat is gebaseerd op een eigen woning met tuin en alle onderhoud, type hoekwoning/twee-onder-een-kap. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht in een huurwoning te wonen, rijtjeshuis, met tuin. Bij een huurwoning komt groot onderhoud in de regel voor rekening van de verhuurder. Er zijn geen aanwijzingen dat dat in dit geval anders is. Daarom wordt uitgegaan van de categorie huurwoning met tuin/weinig onderhoud. Het normbedrag is dan € 599,00. Omdat in de brief van de medisch adviseur staat dat [eiser] in juni alweer veel kon doen, is het niet redelijk om uit te gaan van een volledig jaar verlies van zelfwerkzaamheid. De kantonrechter gaat uit van een periode van 8 maanden, tot en met juni 2020. Het normbedrag wordt dan € 399,33. Bovendien woont [eiser] in een rijtjeshuis waarvoor een correctiefactor van 0,8 geldt. De schadepost wordt daarom begroot op € 319,46. Omdat gesteld noch gebleken is dat [eiser] al heeft betaald voor het inschakelen van hulp in en om het huis, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.

2.17.
[eiser] vordert een bedrag van € 500,00 voor kosten van oppas. Zij stelt dat zij niet meer in staat was om op haar vijfjarige zoontje te passen en dat zij daarom gedurende drie maanden haar schoonzus heeft ingeschakeld. Deze vordering wordt afgewezen. Zonder toelichting valt niet in te zien waarom [eiser] oppas nodig had voor een kind van vijf jaar oud. Dat is niet een leeftijd waarop een kind nog zodanig veel hulp nodig heeft dat wanneer de moeder er niet voor kan zorgen, er een oppas nodig is. Ook is niet toegelicht waarom er drie maanden oppas nodig was, hoewel de vinger al na vijf weken uit het gips was. Er is ook niets gesteld over het aantal uren dat oppas nodig was. Verder blijkt uit niets dat [eiser] voor de hulp van haar schoonzus heeft moeten betalen.

2.18.
[eiser] vordert een bedrag van € 5.500,00 als vergoeding voor immateriële schade. Zij verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 1996 (ANWB Smartengeldgids nummer 728). De vergelijking met die zaak gaat niet op. In de genoemde zaak was sprake van iemand die na een woordenwisseling was beschoten en een schotwond aan zijn hand had. In dit geval gaat het om een hondenbeet met beperkt letsel aan een vinger. De vinger heeft 5 weken in het gips gezeten. Daarna volgde fysiotherapie. De vinger heeft nog steeds een verdoofd gevoel en krachtverlies. Gelet op deze aspecten en mede in aanmerking nemend de smartengeldvergoedingen die in de rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, wordt de immateriële schade begroot op € 500,00 en zal dit bedrag worden toegewezen. Het uitgangspunt bij geleden immateriële schade is dat die schade is geleden op het moment van het onrechtmatig handelen. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van het bijtincident, 27 oktober 2019.

2.19.
[eiser] vordert een bedrag van € 835,00 als vergoeding van de eigen bijdrage voor de door de Raad van Rechtsbijstand verstrekte toevoeging. Dit bedrag wordt geacht in het te zijner tijd aan [eiser] als winnende partij toe te wijzen bedrag aan proceskosten te zijn begrepen, zodat deze post niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komt.

2.20.
[eiser] vordert een bedrag van € 5.808,04 voor de kosten van rechtsbijstand. Deze vordering zal worden afgewezen. Zonder toelichting valt niet in te zien waarom deze kosten niet zouden worden vergoed op basis van de aan [eiser] verleende toevoeging.

2.21.
De slotsom is dat in het eindvonnis dus in ieder geval een bedrag van € 4.159,46 plus wettelijke rente zal worden toegewezen. Het hangt van de door [eiser] te verschaffen toelichting op het verlies aan verdienvermogen en de reactie van [gedaagde] daarop, af of het daarbij blijft. Gelet op het feit dat de schade van [eiser] aanzienlijk lager wordt begroot dan door haar is gesteld en gelet op de kosten die verder procederen met zich kan brengen, wordt partijen in overweging gegeven alsnog te proberen de zaak in der minne te regelen en en de procedure te beëindigen. ECLI:NL:RBOBR:2021:6027

 

Deze website maakt gebruik van cookies