Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's-Hertogenbosch 270313 geen aansprakelijkheid school en exploitant voor val uit opblaasbare klimtoren tijdens introductiedag

Rb 's-Hertogenbosch 270313 geen aansprakelijkheid school en exploitant voor val uit opblaasbare klimtoren tijdens introductiedag

2.  De feiten 

2.1.  In augustus 2006 startte [eiser] met de opleiding Beveiliging aan het ROC. Op 25 augustus 2006 vond de verplichte introductiedag van de opleiding plaats. Dit betrof een sportdag. Eén van de activiteiten betrof het beklimmen en afdalen van een opblaasbare klimtoren. [eiser] heeft daarbij letsel opgelopen. 

2.2.  Eigenaar en exploitant van de klimtoren was en is Op Noord. Zij verzorgde de activiteit met de klimtoren op 25 augustus 2006. 

2.3.  Op Noord is voor aansprakelijkheid verzekerd bij Delta Lloyd. ROC is voor aansprakelijkheid verzekerd bij Reaal. 

3.  Het geschil 

3.1.  [eiser] vordert samengevat – verklaring voor recht dat Delta Lloyd en/of Reaal jegens [eiser] (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade en hen, althans één van hen te veroordelen tot betaling van de schade op te maken bij staat, alsmede in de kosten van deze procedure. 

3.2.  Over de feitelijke gang van zaken stelt [eiser] dat zij een veiligheidsbroekje aankreeg dat aan de veiligheidsgordel en een touw werd gegespt. Zij kreeg geen, althans weinig instructie voor het klimmen en abseilen, het klimmen en abseilen werd niet voorgedaan door de instructeur en de instructeur gaf geen aanwijzingen. Hij stond met zijn rug naar de toren toen [eiser] deze beklom en afdaalde. [eiser] is verticaal naar boven geklommen waarbij zij gebruik maakte van de uitstulpingen die aan de toren waren bevestigd. Boven aangekomen moest zij abseilen. Zij heeft bij de eerste sprong haar evenwicht verloren en is met haar lichaam tegen de klimtoren gevallen. Doordat de veiligheidsgordel niet werkte is zij in één keer snel naar beneden gevallen. Bij die val heeft [eiser] met haar rechterknie diverse malen de uitstulpingen geraakt en kwam zij uiteindelijk hard terecht op de opblaasbare kussens. Bij de val is de knieschijf van haar rechterknie uit de kom geraakt. Zij stelt vervolgens dat zij in 2008 is geopereerd aan de knie. Later is zij voor een second opinion naar de Sint Maartenskliniek in Nijmegen geweest, waarna zij een therapie kreeg voorgeschreven. In 2011 is zij opnieuw geopereerd. De situatie is nu aldus dat zij veel last heeft van haar knie, dat de knieschijf regelmatig uit de kom schiet, wat bijzonder pijnlijk en hinderlijk is, dat zij nog steeds onder behandeling is en dat de arts verwacht dat zij de pijn die zij nu heeft de rest van haar leven zal houden. 
Ter comparitie heeft de raadsvrouwe van [eiser] nog aangevoerd dat de klimgordel/valbeveiliging niet kapot of onvolkomen was, maar dat deze in de gegeven omstandigheden (een onervaren groep, summiere instructie) niet voldeden aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. 

3.3.  [eiser] legt aan haar vorderingen jegens Delta Lloyd ten grondslag dat Op Noord gebruik heeft gemaakt van een gebrekkige zaak in de zin van art. 6:173 BW, te weten een gebrekkige klimtoren maar in ieder geval van een gebrekkige veiligheidsgordel, althans gevaarzettend en daarom onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in de zin van art. 6:162 BW. 

3.4.   Aan haar vorderingen jegens Reaal legt zij ten grondslag dat ROC aansprakelijk is voor het handelen of nalaten van de niet-ondergeschikte hulppersoon Op Noord ex art. 6:171 BW, dat ROC aansprakelijk is voor haar bedrijfsmatig gebruik van de gebrekkige klimtoren ex art. 6:173 jo 6:181 BW, althans gevaarzettend en daarom en ook op zichzelf onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in de zin van art. 6:162 BW. 

3.5.  Delta Lloyd voert verweer. Hoewel zij op zichzelf niet betwist dat [eiser] zich aan haar knie bezeerd kan hebben, betwist zij de door [eiser] gestelde gang van zaken. Volgens Delta Lloyd is er door de instructeur correcte instructie gegeven. Zij betwist dat de klimgordel of valbeveiliging niet zou hebben gefunctioneerd en dat [eiser] in één keer ongecontroleerd naar beneden is gevallen. Mogelijk is [eiser] niet abseilend maar hangend aan de klimgordel gecontroleerd en vertraagd gevallen, waarbij mogelijk de klimgrepen zijn aangestoten, waarbij de klimtoren meegeeft. Het is daarbij niet denkbaar dat iemand zich ernstig bezeerd. Mogelijk is [eiser] ongelukkig terechtgekomen op het luchtkussen. Delta Lloyd betwist dat de knieschijf van [eiser] daarbij uit de kom is geraakt. Dat blijkt ook niet uit de informatie van de eerste hulp van het Catharina Ziekenhuis. Verder betwist Delta Lloyd het causaal verband tussen het incident en de gestelde artsenbezoeken van enkele jaren later. Er is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schade, althans van schade die in causaal verband staat met het incident. Van een gebrekkige zaak of van gevaarzettend handelen is geen sprake. Delta Lloyd wijst de aansprakelijkheid af. 

3.6.  Ook Reaal voert verweer. Ook zij betwist de door [eiser] gestelde feitelijke gang 
van zaken. Tevens betwist zij dat het ROC aansprakelijk is op grond van art. 6:171 BW of art. 6:173 jo 6:181 BW. Ook aansprakelijkheid op grond van een eigen onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW wijst zij af. 

3.7.  De opgeroepen partijen, Op Noord en het ROC, sluiten zich blijkens hun conclusies volledig aan bij de stellingen van Delta Lloyd, respectievelijk Reaal. 

3.8.  [eiser] heeft ter zitting het beroep op art. 6:181 BW jegens ROC laten varen. 

3.9.  Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

4.  De beoordeling 

4.1.  In art. 6:173 BW is bepaald dat de bezitter van een roerende zaak, waarvan bekend is dat zij, zo deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. 

4.2.  Bij de eisen als bedoeld in het eerste lid van art. 6:173 BW gaat het om de eisen die 
men uit het oogpunt van veiligheid aan een zaak mag stellen. Uit de formulering van 
art. 6:173 BW blijkt dat voor aansprakelijkheid is vereist dat het moet gaan om een zaak waarvan bekend is dat deze een bijzonder gevaar oplevert bij de aanwezigheid van een bepaald gebrek. Bij de beantwoording van de vraag of de zaak niet de veiligheid bood die onder gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, spelen zowel veiligheidsnormen als aan de bezitter van de zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen een rol. 

4.3.  [eiser] heeft aanvankelijk gesteld dat de klimtoren althans de valbeveiliging niet 
naar behoren functioneerde en dat zij daardoor hard, de rechtbank begrijpt met hoge snelheid zonder dat de val werd gebroken, is gevallen. Dit wordt door Delta Lloyd en Op Noord, alsook door Reaal en ROC betwist. [eiser] heeft buiten haar eigen verklaring geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie kunnen dragen dat de klimtoren of valbeveiliging niet goed werkte. Ter zitting heeft de raadsvrouwe van [eiser] vervolgens naar voren gebracht dat het gebrek er niet in zit dat de klimtoren/valbeveiliging kapot of onvolkomen zou zijn. Zij wijst erop dat zij die dag immers nog zijn gebruikt. [eiser] heeft niet aangevoerd dat de klimtoren met toebehoren overigens niet aan de daaraan te stellen veiligheidsnormen voldeed. 
Partijen zijn het er dus over eens dat de klimtoren/valbeveiliger op zichzelf niet gebrekkig was. 

4.4.  [eiser] heeft aangevoerd dat de klimtoren met toebehoren, hoewel op zichzelf niet gebrekkig, in de gegeven omstandigheden, vanwege de hoogte in combinatie met de summiere instructie bij onervaren gebruikers, niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Aldus is de vraag of de klimtoren met toebehoren gebrekkig is, feitelijk dezelfde als die of Op Noord en/of ROC een zorgplicht hebben geschonden en daardoor gevaarzettend hebben gehandeld in de zin van art. 6:162 BW. 

4.5.  [eiser] beantwoordt voormelde vraag bevestigend en voert daartoe aan dat de klimtoren vanwege haar hoogte gevaarlijk is. Door de hoogte is sprake van een gevaarlijke activiteit met een grote kans op ongevallen, zoals hard (met grote snelheid) vallen. Het is daarom nodig, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [eiser], dat er deugdelijke instructie gegeven wordt, in ieder geval over de wijze van en de houding bij beklimming en afdaling met name ingeval de klimtoren wordt gebruikt door onervaren gebruikers, zoals in casu het geval was. [eiser] stelt dat niet (voldoende) is uitgelegd en ook niet is voorgedaan hoe afgedaald moest worden. De gebruikte valbeveiliger was onvoldoende en overigens ontbraken veiligheidsmaatregelen in de vorm van knie- en schouderbeschermers en een helm. Verder stelt zij dat de instructeur met de rug naar de klimtoren stond toen zij ging afdalen. Als hij wel oplettend was geweest, hadden zijn corrigerende opmerkingen verschil kunnen maken. 

4.6.  Delta Lloyd/Op Noord en Reaal/ROC betwisten deze stellingen gemotiveerd. Zij betogen dat het een opblaasbare attractie betreft, die bijvoorbeeld ook gehuurd kan worden voor een wijkfeest, waarbij de klimtoren wordt gebruikt door onervaren mensen, zowel kinderen als volwassenen. Het systeem van de valbeveiliging is juist geschikt voor onervaren mensen. Deze zorgt voor een valvertraging. Delta Lloyd/Op Noord voeren aan dat de instructeur wel voldoende en deugdelijke instructie heeft gegeven voor dit type klimtoren. De instructie hoeft niet veel in te houden: je klimt omhoog, gaat achterover hangen en loopt naar beneden. Als je je evenwicht verliest, glijd je naar beneden. Het materiaal is zodanig (hardpolyester grepen in een opblaasbare, meegevende wand) dat letsel door een ‘val’ beperkt blijft tot een enkele schaafwond. Extra beveiligingsmateriaal als kniebeschermers zijn niet nodig en worden in de branche ook niet gebruikt. Het is niet nodig dat klimmer/abseiler en instructeur oogcontact met elkaar houden. Ook als de instructeur in de richting van [eiser] had gekeken dan nog had zij haar evenwicht kunnen verliezen, kunnen vallen en zich kunnen stoten. De klimtoren is niet gevaarlijk. Er is ook niet gebleken dat het door [eiser] gestelde gevaar zich heeft verwezenlijkt. Er is hoogstens vast te stellen dat [eiser] haar knie heeft gestoten. Dat dit blijvende gevolgen heeft, blijkt nergens uit. 

4.7.  De rechtbank oordeelt als volgt. 
Dat een activiteit op hoogte plaatsvindt, hoeft niet te betekenen dat deze gevaarlijk is. Dat hangt af van de vraag of het juiste materiaal wordt gebruikt en of er voldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen. Dat het daaraan in het onderhavige geval heeft ontbroken, is niet gebleken. Daartoe heeft [eiser] te weinig aangevoerd. 
De stelling dat voldoende instructie ontbrak is door [eiser], buiten haar eigen verklaring hieromtrent, niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. De door [eiser] in het geding gebrachte verklaring [A] (prod. 7) vormt geen ondersteuning van haar stelling, eerder het tegendeel. Hij verklaart immers: “Op de bewuste dag stond ik tussen de studenten bij de klimtoren. Een medewerker, van naar ik aanneem het bedrijf Gonzo & Co (de toenmalige bedrijfsnaam van Op Noord, rb) gaf uitleg over de wijze van het abseilen. Na deze instructie werd mevr. [eiser] in de klimgordel geholpen (……).” Ook overigens heeft [eiser] niets naar voren gebracht ter onderbouwing van haar stellingen. Delta Lloyd/Op Noord en Reaal/ROC hebben gemotiveerd uiteen gezet dat de klimtoren met valbeveiliging juist geschikt is voor onervaren mensen, dat extra beveiligingsmateriaal niet nodig is en dat er nooit ongelukken mee gebeuren. Gelet op dat gemotiveerde verweer had het op de weg van [eiser] gelegen nadere feiten en omstandigheden naar voren te brengen om te onderbouwen dat het is gegaan zoals zij stelt. Verwacht had mogen worden dat [eiser] informatie in het geding had gebracht over het gebruik en de (gestelde) gevaren van een klimtoren als deze ter weerlegging van het verweer van de wederpartijen. [eiser] heeft zelfs niets kunnen aanvoeren over andere incidenten met een dergelijke klimtoren. 

4.8.  De conclusie uit het voorgaande luidt dat van een gebrekkige zaak in de zin van art. 6:173 BW geen sprake is. Evenmin is sprake van gevaarzettend handelen van Op Noord en/of ROC, zodat onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW niet aan de orde is. Het beroep op art. 6:171 BW jegens ROC slaagt gelet op het vorenstaande niet. 

4.9.  De rechtbank overweegt overigens dat niet is gebleken dat [eiser] de schade lijdt die zij stelt. Dat [eiser] is gevallen en daarbij haar knie heeft gestoten staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Dit volgt uit haar eigen stelling die wordt ondersteund door hetgeen [A] en [B] daarover hebben verklaard (prod. 7 en 12 dagv). Voor zover Delta Lloyd en Reaal zouden hebben willen bestrijden dat [eiser] is gevallen en haar knie heeft geblesseerd, wordt dat gepasseerd. Of dit (blijvende) gevolgen heeft gehad is op basis van hetgeen in de procedure naar voren is gekomen niet vast te stellen. Het volgt niet uit de informatie van de eerste hulp van het Catharina Ziekenhuis. Dat de operaties die [eiser] twee en vijf jaar na het ongeval heeft ondergaan, en ook de fysiotherapeutische behandeling in causaal verband staan met de val blijkt nergens uit. Voor zover [eiser] enig letsel heeft opgelopen, moet het er op basis van hetgeen in de procedure naar voren is gekomen naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat dit het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. LJN BZ6844

Deze website maakt gebruik van cookies