Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Zeeland-West-Brabant 171214 opjutten paard voor wagen onrechtmatig; geen eigen schuld van menner

Rb Zeeland-West-Brabant 171214 opjutten paard voor wagen onrechtmatig; geen eigen schuld van menner

3 De beoordeling

3.1.
Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten:
- [eiser] was eigenaar van het paard Frieske (hierna: het paard) en een marathonwagen. Op de ochtend van 8 juli 2010 reed [eiser] met dit paard en deze wagen door Baarle-Nassau.
- Op voormelde datum reed [gedaagde] omstreeks hetzelfde moment in Baarle Nassau in een personenauto met aanhanger met daarin houten balken.
- Tussen partijen is in de Burgemeester de Grauwstraat te Baarle Nassau onenigheid ontstaan waarbij het tussen hen tot een handgemeen is gekomen.
- Het paard is tijdens voormelde onenigheid met het rijtuig op hol geslagen en is uiteindelijk met het rijtuig dwars door de etalageruit in een schoenenwinkel genaamd Rigoletto Trendy Shoes (hierna: Rigoletto) terechtgekomen.
- Hierbij is het paard gewond geraakt aan zijn oor, nek en benen en is het ter plaatse behandeld door een dierenarts. Het paard heeft meerdere hechtingen gekregen.
- De marathonwagen van [eiser] is hierbij beschadigd.
- Een getuige van voormelde onenigheid tussen [eiser] en [gedaagde] - de heer [getuige] (hierna: [getuige]) - heeft bij de politie de volgende verklaring afgelegd:
“(…)
Op donderdag 8 juni 2010 omstreeks 08:20 fietste ik door de Burgemeester de Grauwstraat te Baarle-Nassau. Ik zag dat er een personenauto met aanhangwagen ter hoogte van de wegverhoging, in de Burg. De Grauwstraat, een paard met wagen klem reed. Ik zag dat de bestuurder van de personenwagen uitstapte en naar de menner van de paard met wagen liep. Ik zag dat de menner van de bok van de paard en wagen afstapte. Ik hoorde de bestuurder van de personenwagen zeggen, als er schade is aan mijn auto, dan zul je dat betalen. Ik hoorde dat de menner van de paard met wagen zei, dan moet je nu de politie bellen. Ik zag dat de beide mannen verder gingen met de discussie. Ik zag dat het paard onrustig werd. Ik zag de bestuurder van de personenwagen toen zijn aandacht richtte op het paard. Ik zag dat de bestuurder van de auto het paard begon op te jutten. Ik zag dat de man hard op het dak van zijn personenauto begon te slaan en keihard, ksssst, ksssst, kssst, riep in de richting van het paard. Ik zag dat het paard daarop op hol sloeg, in de richting van het St. Annaplein. [...]Ik zag het paard met de wagen bij de t-splitsing op het st. Annaplein rechtdoor een etalageruit van een winkel in rende. Ik zag dat het paard met de wagen geheel in de winkel, RIGOLETTO, verdween.(…)”
- Op 13 juli 2010 heeft [gedaagde] bij de politie onder meer het volgende verklaard:
“(…) Ik hoorde dat de meneer van het span met zijn rijzweep op het dak van mijn personenauto sloeg. Ik heb toen mijn personenauto gekeerd en ben het span van paard en wagen achterna gereden. Vervolgens heb ik het span klemgereden op Burgemeester de Grauwstraat. Ik ben toen naar de menner die op de bok van het span zat toegelopen en ik heb hem gevraagd waarom hij dat deed en dat het vast niet de eerste keer is geweest. Hierop zag ik dat de man die op de bok zat afstapte en op mij toe kwam lopen. Wij kregen een woorden wisseling en de zaak liep zo hoog op dat de man mij sloeg. Dit deed hij met gebalde vuist en hij sloep mij op mijn mond. Dit deed mij pijn…Tevens sloeg hij mij op mijn schouder…Ik heb de man ook een schop tegen zijn benen gegeven. Tijdens deze confrontatie sloeg het paard op hol om vervolgens door de winkelruit te eindigen van “Rigoletto” op het Sint Annaplein te Baarle-Nassau.(…)”
- De winkelpui van Rigoletto is door het incident beschadigd en is nadien vervangen door een nieuwe pui. Verder heeft het incident schade veroorzaakt aan het interieur en de inventaris van Rigoletto. Als gevolg hiervan was de winkel tot zondag 11 juli 2010 gesloten voor het winkelend publiek.
- De naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd in Apeldoorn (hierna te noemen: Achmea) is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [eiser].
- Rigoletto was tegen schade verzekerd bij ASR Verzekeringen (hierna: ASR).
- De eigenaar van het winkelpand waarin Rigoletto was gevestigd, de vennootschap G. Bruurs Beheer B.V. heeft een opstalverzekering bij de naamloze vennootschap Interpolis Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Interpolis).
- Rigoletto en ASR hebben [eiser] als bezitter van het paard aangesproken tot vergoeding van de schade aan de winkel (art. 6:179 BW).
- De eigenaar van het winkelpand, G. Bruurs Beheer B.V. en Interpolis hebben [eiser] op dezelfde grondslag aangesproken tot vergoeding van de schade aan het winkelpand.
- [eiser] heeft het paard op 13 december 2011 laten inslapen.
- [eiser] had het paard verzekerd bij de firma Equipe te Waspik. Equipe heeft aan [eiser] ziektekosten uitgekeerd, alsmede een uitkering gedaan ter zake het overlijden van het paard.
- Op 1 september 2014 heeft de vennootschap [naam deskundige] Ongevallenanalyse B.V. (hierna: [naam deskundige]) in opdracht van de rechtsbijstandverzekeraar (DAS Rechtsbijstand) van [eiser] een toedrachtsrapport betreffende het ongeval gemaakt. In het rapport is onder meer als volgt geconcludeerd:
“(…)
[gedaagde] heeft na het inhalen van de paardenwagen zijn door hem bestuurde combinatie (personenauto met aanhangwagen) naar rechts gestuurd zodat [eiser] werd klemgereden en het paard en de wagen koers moesten zetten richting het trottoir. Met rechts het hek, links betonnen palen en van voren een boom was er voor Frieske in de op het troittoir tot stilstand gekomen positie geen (reële) mogelijkheid om voorwaarts verder te kunnen. Als reactie op het ongedurig worden van het paard heeft [gedaagde] ophitsende geluiden gemaakt, met zijn armen gezwaaid en op het dak van zijn auto geslagen, met als gevolg dat Frieske op hol is geslagen en uiteindelijk in de winkel Rigoletto op het Sint Annaplein tot stilstand is gekomen. Zij liep daarbij verwondingen op aan hoofd en benen.(…)”

Rechtsmacht
3.2.
[gedaagde] is woonachtig te België (Baarle-Hertog) en aldus op het grondgebied van een andere staat dan Nederland zodat de vordering een internationaal karakter draagt. Gelet hierop dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. Aangezien de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder te noemen: EEX-Vo) verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten van de Europese Unie en zowel [eiser] en [gedaagde] in een lidstaat van de Europese Unie wonen, dient de rechterlijke bevoegdheid beoordeeld te worden op basis van deze verordening. Omdat de verbintenissen waarop de vorderingen van [eiser] betrekking hebben op onrechtmatig handelen van [gedaagde] en het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan, is de Nederlandse rechter en in het bijzonder deze rechtbank op grond van art. 5 aanhef en lid 3 EEX-Vo bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Toepasselijk recht
3.3.
Het betreffende incident heeft op 8 juli 2010 plaatsgevonden. De vraag welk recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is, dient in het voorliggende geval (bij uitsluiting) te worden beantwoord aan de hand van het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118; hierna: het Verdrag). Uit artikel 28, eerste lid, van de Rome II-Verordening volgt immers dat die verordening onverlet laat de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen. Het Ver-drag is een internationale overeenkomst in die zin. De uitzondering van artikel 28, tweede lid, van de Rome II-Verordening, waaruit volgt dat de verordening voorrang heeft op (oudere) uitsluitend tussen lidstaten gesloten overeenkomsten, is hier niet van toepassing, omdat bij het Verdrag ook niet-lidstaten zijn aangesloten. Blijkens de in artikel 3 van het Verdrag opgenomen verwijzingsregel, geldt als uitgangspunt dat van toepassing is de interne wet van de Staat op welk grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden (de lex loci delicti). Op grond van het algemeen spraakgebruik en het toelichtend rapport bij het Verdrag (het Rapport Essèn) dient te worden aangenomen, dat met de locus delicti is bedoeld de plaats van de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Op grond van de hoofdregel van het Verdrag dient de onderhavige zaak derhalve te worden beoordeeld naar Nederlands recht, nu het ongeval zich in Baarle-Nassau heeft voorgedaan. Overigens, zulks staat tussen partijen ook niet ter discussie.

Lastgeving
3.4.
Achmea en Equipe hebben [eiser] gemachtigd om de door hen geleden schade te verhalen op [gedaagde]. Achmea heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van [eiser] de schade van Rigoletto en G. Bruurs Beheer B.V. vergoed waardoor Achmea is gesubro-geerd in de rechten van Rigoletto en G. Bruurs Beheer B.V. (artt. 6:10, 6:12 BW en art. 7:962 BW). Daarnaast heeft Equipe de ziektekosten van het paard vergoed, alsmede een uitkering gedaan naar aanleiding van het overlijden van het paard, waardoor Equipe is gesubrogeerd in de rechten van [eiser] jegens [gedaagde] (art. 7:962 BW). Ter comparitiezitting heeft [eiser] aangevoerd dat sprake is van lastgeving.

3.5.
Hoewel [gedaagde] in de conclusie van antwoord - kort gezegd - het verweer voert dat geen sprake is van een rechtsgeldige volmachtverlening van Achmea en Equipe aan [eiser] heeft hij ter comparitiezitting verklaard dat hij het verweer op dit punt niet langer handhaaft. Gelet hierop en mede gezien in samenhang en verband met het bepaalde in artikel 7:414 BW is [eiser] in deze procedure gerechtigd om namens Achmea en Equipe op te treden.

Onrechtmatige daad
3.6.
[eiser] grondt zijn vordering op een onrechtmatige daad van [gedaagde], stellende dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de geleden schade die het gevolg is van het door zijn toedoen veroorzaakte ongeval door het paard. In de visie van [eiser] heeft [gedaagde] jegens de gelaedeerden onrechtmatig gehandeld door:
a. geen voorrang te verlenen;
b. [eiser] met paard en wagen klem te rijden en;
c. het paard vervolgens zo op te schrikken dat het op hol sloeg, gewond raakte en zaakschade veroorzaakte. Volgens [eiser] was het handelen van [gedaagde] gevaar-zettend voor gelaedeerden en was zulks ook voorzienbaar. Voorts voert [eiser] aan dat er een causaal verband bestaat tussen het gedrag van [gedaagde] en de schade omdat het paard als onmiddellijke reactie op de gedragingen van [gedaagde] op hol is geslagen. In dit kader betoogt [eiser] dat indien het onrechtmatig handelen van [gedaagde] komt vast te staan het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de ontstane schade voorshands dient te worden aangenomen op grond van de omkeringsregel.

3.7.
De rechtbank oordeelt, hierbij de verweren van [gedaagde] betrekkend, als volgt.

3.8.
Ter beoordeling ligt voor de vraag of er sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde] ten opzichte van [eiser] en zijn lastgevers op grond van onrechtmatige daad. Ingevolge de artikelen 6:162 en 6:163 BW dient daarvoor voldaan te zijn aan een aantal vereisten, te weten: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit. Indien aan een van deze vereis-ten niet is voldaan, is de op onrechtmatige daad gegronde vordering niet toewijsbaar.
Voorts geldt dat artikel 6:179 BW bepaalt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afde-ling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. De bezitter heeft regres op derden die het dier hebben laten ontsnappen, opgehitst of doen schrikken en die aldus onzorgvuldig handelen jegens de bezitter van het dier.

Geen voorrang verleend
3.9.
De stellingname van [eiser] ter zake het vermeend onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens hem en de gelaedeerden door geen voorrang te verlenen, behoeft geen bespreking nu de gevorderde verklaring voor recht hier niet op gegrond is, doch op het vermeende klemrijden en het opschrikken van het paard.

Klem rijden en opschrikken van het paard
3.10.
[eiser] betoogt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij [eiser] met paard en wagen heeft klemgereden en vervolgens het paard zo heeft opgeschrikt dat het op hol is geslagen, gewond is geraakt en zaakschade heeft veroorzaakt. Ter toelichting van zijn stellingname heeft [eiser] onder meer verwezen naar de afgelegde verklaringen van partijen tegenover de politie, de getuigenverklaring van [getuige] en de toedrachtsanalyse van [naam deskundige].

3.10.1.
Op grond van de beschikbare verklaringen van partijen, getuigen en de ongevalsanalyse van [naam deskundige] in onderling samenhang en verband bezien, destilleert de rechtbank het navolgende feitencomplex.

3.10.2.
Uit de stellingname van [gedaagde] en zijn verklaringen tegenover de politie alsmede uit zijn ter terechtzitting gedane verklaringen volgt dat [gedaagde] geïrriteerd en boos was vanwege het rijgedrag van [eiser]. Vast staat dat [gedaagde] zijn auto heeft gekeerd nadat [eiser] en hij elkaar ter hoogte van het kruispunt Leliestraat en Generaal Maczekstraat te Baarle Nassau waren gepasseerd. [gedaagde] is vervolgens [eiser] in boze gemoedstoestand achterna gereden omdat [gedaagde] - naar eigen zeggen - aan [eiser] wilde vragen waarom hij met de zweep op zijn auto had geslagen. Dit terwijl uit de verklaringen van [gedaagde] volgt dat hij niet eens had geverifieerd of schade aan zijn auto was toegebracht; desondanks heeft hij [eiser] wèl met paard en wagen in de Burgemeester de Grauwstraat afgesneden en vervolgens klemgereden. In het proces-verbaal van de politie ter zake de verklaringen van [gedaagde] staat op dit punt het navolgende: “Ik hoorde dat de meneer van het span met zijn rijzweep op het dak van mijn personenauto sloeg. Ik heb toen mijn personenauto gekeerd en ben het span van paard en wagen achterna gereden. Vervolgens heb ik het span klemgereden op Burgemeester de Grauwstraat”. Een rechtvaardiging voor dit gedrag van [gedaagde] kan niet in zijn verklaringen worden gevonden. Met voormeld gedrag heeft [gedaagde] de confrontatie gezocht en de paard en wagen combinatie aan gevaar blootgesteld. Dit gevaar heeft [gedaagde] versterkt door in de nabijheid van de paard en wagencombinatie wilde gebaren te maken en op luide toon ruzie met [eiser] te maken. De rechtbank houdt het er voorts bovendien op dat het waar is dat [gedaagde] ophitsende geluiden en gebaren heeft gemaakt. Getuige [getuige] heeft immers tegenover de politie verklaard: “Ik zag dat de beide mannen verder gingen met de discussie. Ik zag dat het paard onrustig werd. Ik zag de bestuurder van de personenwagen toen zijn aandacht richtte op het paard. Ik zag dat de bestuurder van de auto het paard begon op te jutten. Ik zag dat de man hard op het dak van zijn personenauto begon te slaan en keihard, ksssst, ksssst, kssst, riep in de richting van het paard. Ik zag dat het paard daarop op hol sloeg, in de richting van het St. Annaplein.”. In gelijke zin heeft [getuige] ook jegens de deskundige [naam deskundige] verklaard. In het rapport van [naam deskundige] is ter zake de verklaring van [getuige] het volgende opgenomen:
“Hoewel het paardje aanvankelijk rustig was gebleven zag ik dat hij toch ongedurig werd. De automobilist zag die ongedurigheid ook bij het paard en begon toen met zijn armen te zwaaien en ook met zijn handen op het dak van de auto te slaan (wel een keer of drie) en zei een aantal malen ksst, ksst….Als gevolg van de ophitsende geluiden die de automobilist van de grijze auto maakte (waarvan de motor nog steeds draaide) zag ik dat het paardje op hol sloeg. Daarvoor had ik niet de indruk gekregen dat het paard er vandoor zou willen gaan.”

De ontkenning door [gedaagde] van de inhoud van de verklaringen van [getuige] overtuigt niet bijster omdat [gedaagde] bij conclusie van antwoord nog heeft betwist dat er een ooggetuige was, maar dit eerst ter comparitiezitting heeft erkend. In dit verband is verder van belang dat [gedaagde] ter comparitiezitting heeft verklaard dat hij in zijn jeugd veel met paarden heeft gewerkt en weet dat een paard op hol kan slaan. Aldus was [gedaagde] bekend met het te verwachten gedrag van paarden in stressvolle situaties. Daarbij geldt voorts dat [gedaagde] [eiser] heeft belet het paard te kalmeren door een handgemeen met hem aan te gaan. Voormeld vastgesteld gedrag van [gedaagde] dient te worden gekwalificeerd als onzorgvuldig en dus onrechtmatig ten opzichte van [eiser] en anderen, zoals de gedupeerden in dit geding.

Toerekenbaarheid en voorzienbaarheid
3.11.
In de visie van [eiser] was het handelen van [gedaagde] gevaarzettend en was het ontstaan van schade voorzienbaar. Hierbij heeft [eiser] verwezen naar de aard en het gedrag van paarden indien zij bang worden. Gelet op de door [gedaagde] gecreëerde omstandigheden was het risico dat het paard op hol zou slaan groot en voor [gedaagde] zichtbaar aanwezig en kenbaar, aldus [eiser]. Verder voert [eiser] aan dat het paard zich in de bebouwde omgeving bevond zodat schade aan het paard en zaakschade voorzienbaar was.

3.11.1.
[gedaagde] stelt ten verwere dat hij in alle redelijkheid er niet op bedacht hoefde te zijn dat het paard op hol zou slaan, omdat hij ten tijde van het ongeval geen enkele ervaring had in de omgang met paarden en hem de schrikachtige eigenschappen van paarden aldus niet bekend waren. Verder voert [gedaagde] aan dat het op hol slaan van het paard voor [eiser] wèl voorzienbaar was. Hierbij wijst [gedaagde] op de verantwoordelijkheid van [eiser] ten aanzien van zijn paard te meer nu deze bekend was met de nerveuze en schrikachtige karaktereigenschappen van het dier. In de visie van [gedaagde] had [eiser] zich om die reden moeten distantiëren van de grimmige situatie die tussen [gedaagde] en hem was ontstaan. [gedaagde] werpt [eiser] tegen dat hij het paard onbeheerd achter heeft gelaten en de leidsels van het paard heeft losgelaten, terwijl daarvoor geen enkele noodzaak bestond.

3.11.2.
Bij de vraag of sprake is van toerekenbaarheid van een daad in zin van het derde lid van artikel 6:162 BW aan in dit geval [gedaagde] is van belang of [gedaagde] rekening diende te houden met de mogelijke risico’s en gevaren verbonden aan zijn gedrag. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt als vast staand aangenomen dat [gedaagde] met zijn gedrag een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd. Gelet hierop en gelet op de bekendheid bij [gedaagde] met het te verwachten gedrag van paarden in stressvolle omstandigheden - zoals door hem toegegeven ter comparitiezitting en anders dan door hem in de conclusie van antwoord naar voren gebracht - is de mate van waarschijnlijkheid dat het paard op hol zou kunnen slaan zodanig groot geweest dat [gedaagde] zich van de gedragingen had dienen te onthouden. De door [gedaagde] gestelde aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden - de vermeende voorzienbaarheid voor [eiser] dat het paard op hol zou slaan, zijn bekend-heid met de karaktereigenschappen van het paard en het beweerde loslaten van de teugels door [eiser] - moeten worden verdisconteerd bij de beoordeling van de vraag of [eiser] het gestelde causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade voldoende heeft aangetoond.

Causaal verband
3.12.
Voorts ligt ter beoordeling voor de vraag of er sprake is van causaal verband in de zin dat de schade in kwestie ontstaan is door het aan [gedaagde] verweten gedrag.

3.12.1.
[gedaagde] betwist tevergeefs het causaal verband tussen zijn handelen en het op hol slaan van het paard waardoor de bewuste schade is veroorzaakt. Gelet op hetgeen hier-voor is overwogen, wordt aangenomen dat de schadeoorzaak is gelegen in voormelde handelingen van [gedaagde] in onderling samenhang en verband bezien. Hierdoor is het paard op hol geslagen en is de bewuste schade veroorzaakt. Daarmee is de causaliteit in beginsel gegeven, tenzij juist is dat er een andere oorzaak van het op hol slaan van het paard en de daardoor veroorzaakte schade bestaat dan het handelen en gedrag van [gedaagde]. Hiertoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] als eigenaar van het paard zich had moeten distantiëren van de ontstane grimmige situatie, maar dat hij in plaats daarvan de paardenwagen onbeheerd heeft achtergelaten en de leidsels van het paard heeft losgelaten, terwijl daarvoor geen enkele noodzaak bestond. Volgens [gedaagde] had het paard hierdoor niet weg kunnen rennen, waardoor de onderhavige schade zich niet had voorgedaan.

3.12.2.
De stelling dat het paard ook zonder de aan [gedaagde] verweten onrechtmatige gedragingen op hol zou zijn geslagen en schade zou hebben veroorzaakt is niet alleen weinig onderbouwd, doch eveneens weinig aannemelijk. Voor dit scenario ontbreekt bovendien ook elke indicatie. [gedaagde] laat hierbij volledig zijn eigen handelen buiten beschouwing, terwijl [eiser] juist hierdoor in een situatie is gebracht waarin hij de keuze heeft moeten maken om de leidsels van het paard los te laten. Uit het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de schade geheel is terug te voeren op het onrechtmatige gedrag van [gedaagde] en geen andere oorzaak kent. Voorts rijst de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor de volledige schade.

Eigen schuld
3.13.
Voor zover [gedaagde] beoogt een beroep te doen op eigen schuld van [eiser] ex artikel 6:101 BW, stellende dat [eiser] het paard onbeheerd heeft achtergelaten en de leidsels van het paard heeft losgelaten, zodat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend, wordt het volgende overwogen.

3.13.1.
Op grond van de eerste in artikel 6:101 lid 1 BW genoemde maatstaf wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken, in die zin dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

3.13.2.
Vooropgesteld dient te worden dat de stelplicht en bewijslast ter zake van de aan [eiser] verweten eigen schuld op [gedaagde] rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd gesteld waarom voormelde door hem gestelde omstandigheden aan [eiser] kunnen worden toegerekend. Het enkele feit dat [eiser] bezitter van het paard was, is hiertoe onvoldoende. Zoals reeds is overwogen, is het onbeheerd laten van het paard/loslaten van de leidsels terug te voeren naar verwijtbaar gedrag van [gedaagde] en is dus niet een omstandigheid die eigen schuld van [eiser] oplevert. Aldus is geen sprake van eigen schuld van [eiser] in de zin van art. 6:101 BW. ECLI:NL:RBZWB:2014:8827

Deze website maakt gebruik van cookies