Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof A.dam 290610 voetbaltrainer stelt ten val te zijn gekomen over sproeinstallatie, maar slaagt niet in bewijs;

Hof A.dam 290610 voetbaltrainer stelt ten val te zijn gekomen over sproeinstallatie, maar slaagt niet in bewijs; omkeringsregel niet van toepassing
Vervolg op :
Rb-utrecht-101208l

4.1  Het gaat in dit geding, kort gezegd, om het volgende. [appellant] is op 26 september 2005 bij zijn werkzaamheden als voetbaltrainer in dienst van de vereniging [sportclub]”, ten val gekomen op een sportveld (het zogenaamde Wetraveld) van [sportpark] in de gemeente Woerden. [appellant] heeft hierdoor letsel opgelopen. Het Wetraveld bestaat uit een bovenlaag van aarde/zand/gras, waaronder een sproei-installatie is aangebracht met in het veld zelf negen sproeikoppen die, indien de sproei-installatie niet in werking is, verzonken zijn in het veld. De gemeente is als eigenaresse/verhuurster van het Wetraveld onder meer verantwoordelijk voor het onderhoud van het Wetraveld. [appellant] heeft bij brief van 26 oktober 2005 zijn werkgever, voornoemde vereniging, aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de val ten tijde van de training.
In opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de vereniging (Allianz) heeft Andriessen en Geurst Expertises een toedrachtonderzoek uitgevoerd en daarvan een rapport gedateerd 8 mei 2006 opgemaakt. Op grond daarvan heeft de vereniging aansprakelijkheid afgewezen. Namens [appellant] heeft DAS Rechtsbijstand vervolgens bij brief van 24 augustus 2006 de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] als gevolg van de val heeft geleden. De gemeente heeft de afhandeling van de schadeclaim overgedragen aan haar verzekeringsmaatschappij OVO. In opdracht van OVO is door Pi-advice, Experts Personenschade, op 22 januari 2007 een concept Personenschade Rapport opgesteld.

4.2  Bij inleidende dagvaarding van 22 februari 2007 heeft [appellant] de onderhavige procedure gestart. Bij conclusie van antwoord (tevens incidentele conclusie tot vrijwaring, die hier verder buiten beschouwing blijft) hebben de gemeente en OVO een toedrachtonderzoek van Dekra, neergelegd in een rapportage van 13 april 2007, overgelegd. Na verdere conclusiewisseling heeft de rechtbank een tussenvonnis van 13 februari 2008 gewezen, waarin [appellant] is opgedragen te bewijzen dat hij op 26 september 2005 is gevallen over een boven het voetbalveld uitstekende sproeikop van de sproei-installatie, die zich op 5 á 10 meter van de zijlijn van het Wetraveld bevindt. Na getuigenverhoor en conclusiewisseling heeft de rechtbank bij eindvonnis van 10 december 2008 geoordeeld dat [appellant] niet geslaagd is in het leveren van het hem opgedragen bewijs en heeft zij de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.3  [appellant] is met twee grieven opgekomen tegen de bewijslastverdeling in het tussenvonnis van 13 februari 2008 (grief 2) en de bewijswaardering in het eindvonnis (grief 1). Voorts heeft [appellant] bezwaren aangevoerd tegen de wijze waarop het getuigenverhoor op 21 april 2008 plaatsvond.
Het hof oordeelt hierover als volgt.

4.4  [appellant] heeft zijn (schadevergoedings)vordering jegens de gemeente gebaseerd op de stelling dat de gemeente als bezitter van een gebrekkige opstal (de sproeikop, althans de sproei-installatie, althans het voetbalveld) in de zin van art. 6:174 BW, aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de val van [appellant] over een sproeikop, van de sproei-installatie, die ten onrechte nog boven het veld uitstak. Deze sproeikop bevond zich 5 á 10 meter van de zijlijn van het voetbalveld, waar [appellant] aan zijn pupillen een uit te voeren manoeuvre instrueerde. Deze niet (volledig) ingedaalde sproeikop was niet goed zichtbaar, waardoor deze sproeikop, althans deze sproei-installatie waarvan de sproeikop onderdeel was, althans het betreffende voetbalveld een gevaar vormde, aldus steeds [appellant] in de inleidende dagvaarding sub b, c en d. De vordering tegen OVO heeft [appellant] gegrond op art. 7:954 BW (directe actie bij aansprakelijkheidsverzekering).

4.5  Door [appellant] wordt niet betwist dat de bewijslast van zijn stelling, die gebaseerd is op voornoemde grondslag, krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv op hem rust. In de toelichting bij grief 2 voert [appellant] aan dat de rechtbank hiervan had dienen af te wijken en gebruik had moeten maken van één van de mogelijkheden om de bewijslast van [appellant] te verlichten.

4.6  [appellant] heeft aangevoerd “in bewijsnood” te verkeren, omdat hij zelf alleen heeft ervaren en kunnen verklaren dat hij over “iets hards” op het veld ten val is gekomen. Het hof begrijpt hieruit dat [appellant] een andere verdeling van de bewijslast (en daarmee van het bewijsrisico) voorstaat, als uitzondering op de hoofdregel, nu deze zou voortvloeien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Het hof stelt voorop dat, volgens vaste jurisprudentie, de rechter met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden toepassing geeft aan de uitzondering op de hoofdregel. Het bestaan van bewijsnood aan de zijde van [appellant] vormt op zichzelf onvoldoende reden om de bewijslast om te keren (vgl. HR 20 januari 2006,
LJN AU4529, NJ 2006, 78). Het is het hof niet gebleken dat [appellant] in een (onredelijk) zware bewijspositie of in bewijsnood is komen te verkeren door toedoen van de gemeente. De gemeente is bijna één jaar na het ongeval (pas) aansprakelijk gesteld en heeft voordien dan ook niets kunnen doen of nalaten waardoor de bewijspositie van [appellant] onredelijk zwaar is geworden; althans dat is (ook) niet gesteld of gebleken. De enkele omstandigheid dat Dekra in het kader van het toedrachtsonderzoek, waartoe zij ruim vóór de procedure in eerste aanleg opdracht had ontvangen, een onderhoud met de latere getuige [getuige 1] heeft gehad, biedt daarvoor geen steun. Voorzover [appellant] in dit kader ook nog heeft willen aanvoeren dat er hier sprake is van schending van een zorgvuldigheidsnorm en van gevaarzetting en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd, gaat dit betoog niet op. [appellant] is immers diegene die de feiten die daaraan ten grondslag liggen stelt en, na betwisting van die feiten, deze feiten dient te bewijzen. De betwiste feiten en de daaruit voortvloeiende stelling(en) kunnen daarom niet ten grondslag liggen aan omkering van de bewijslast.
Concluderend oordeelt het hof dat er geen termen aanwezig zijn om de bewijslast op gronden van redelijkheid en billijkheid om te keren.

4.7  [appellant] heeft tevens aangevoerd dat, kort gezegd, de omkeringsregel hier toegepast moet worden. De omkeringsregel houdt in dat indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico voor het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich heeft verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade; degene die zich op schending van deze norm beroept dient aannemelijk te maken dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 19 december 2008, LJN BG1890, NJ 2009, 28). In de onderhavige zaak is echter nog in geschil óf er ten tijde van de val van [appellant] sprake was van een gebrekkige opstal waardoor een risico voor het ontstaan van schade in het leven is geroepen en of de sproeikop inderdaad boven het veld uitstak. Dat het veld de dag voor de val nog besproeid was (waarbij de sproeikoppen boven het veld komen te staan) is daartoe onvoldoende. Daarom kan hier de omkeringsregel niet van toepassing zijn.

4.8  Voorts voert [appellant] aan dat zijn stelling dat hij ten val is gekomen door een uitstekende sproeikop, voorshands bewezen moet worden geoordeeld en dat de gemeente met het tegenbewijs moet worden belast.
Het hof kan deze stelling pas beoordelen na weging van al het voorhanden bewijsmateriaal. Het hof zal daarom overgaan tot bewijswaardering in het kader van de stelling van [appellant] dat hij ten val is gekomen doordat hij viel over een niet ingedaalde sproeikop op het voetbalveld.

4.9  In de brief van 26 oktober 2005 van [appellant] aan de sportvereniging (zie onder 4.1), waarin hij de vereniging aansprakelijk stelt, staat onder andere geschreven: “Door onregelmatigheden op het veld, tijdens het geven van de training, ben ik komen te vallen en daarbij ongelukkig terecht gekomen op mijn linkerarm/elleboog (…)”.
In het (concept) Personenschade rapport van Pi-Advice (zie onder 4.1) staat vermeld dat [appellant] (op 18 januari 2007) heeft verklaard dat hij wat voor de groep wilde voordoen met de bal en daarbij een draaiende beweging maakte, waarna hij ten val kwam. “Hij gaf aan niet gezien te hebben waarover hij was gevallen. Hij dacht een stok, nu zich om het veld bomen bevonden. (…) Toen hij op de grond lag, waren twee ouders van voetballers naar hem toegekomen. Zij hadden hem overeind geholpen. Zij zouden hem gewezen hebben op een sproeikop.”
Als (partij)getuige ter zitting van 21 april 2008 heeft [appellant] verklaard dat hij met zijn linkervoet tegen een hard voorwerp aan kwam, zijn evenwicht verloor en daardoor viel. Hij verklaart voorts dat niemand het veld kwam oplopen om hem te helpen, dat hij zelf is opgestaan en dat hij toen geen hulp heeft gekregen. Hij heeft niet gekeken waarover hij was gevallen. Hij is naar de kant gelopen naar twee ouders die stonden te kijken en heeft hen gevraagd of zij hadden gezien wat er aan de hand was. Die ouders (twee heren) hebben hem gezegd dat ze hem hadden zien vallen.
In een schriftelijke verklaring d.d. 16 januari 2006 van [getuige 1], één van de ouders die langs de zijlijn naar de training had staan kijken, staat onder meer opgenomen: “Tijdens die [draaiende; toev. hof] beweging lag hij ineens op de grond (…). Ik vroeg of het ging en waarom hij nu ineens onderuit ging. Hij had zich verstapt over een verhoging in het grasveld, dat bleek een sproeikop te zijn van de sproei-installatie die in het veld zit, deze was denk ik niet goed naar beneden gegaan na de laatste sproeibeurt.”
Als getuige ter zitting van 21 april 2008 heeft [getuige 1] verklaard dat [appellant] wegdraaide en viel. “Ik weet niet wat de oorzaak was van zijn val.” Daarna is [appellant] naar de kant toegelopen. “Hij zei mij dat hij ergens tegenaan was gelopen.” Als reactie op zijn eerdere schriftelijke verklaring zegt [getuige 1]: “Ik zeg u dat ik denk dat ik van [appellant] heb gehoord dat hij zich verstapt heeft. Zelf heb ik die sproeikop niet gezien.”
In een ongedateerde schriftelijke verklaring van [getuige 2] staat onder meer dat [appellant] tijdens de training op het veld is gevallen en dat hij tijdens het voordoen van een draaibeweging viel “over een sproeikop”.
Als getuige ter zitting van 21 april 2008 heeft [getuige 2] verklaard dat [appellant] een of andere (draai)beweging voordeed en toen onderuit lag en dat hij daarna naar hen toe kwam. Hij had hem verder niet gesproken. Gezien de afstand konden zij niet zien waarover [appellant] was gestruikeld. “Achteraf is gebleken dat er sproeikoppen in het veld zaten. [appellant] is schijnbaar over zo’n sproeikop gevallen.” Als reactie op zijn eerdere schriftelijke verklaring zegt [getuige 2] dat hij denkt “dat ikzelf heb geconcludeerd dat [appellant] over een sproeikop is gevallen.”

4.10  Uit de hiervoor genoemde schriftelijke stukken en getuigenverklaringenkan niet afgeleid worden dat [appellant] is gevallen over een (niet ingedaalde) sproeikop. Zo is de verklaring van [appellant] die opgenomen is in het concept Personenschade rapport een geheel andere verklaring dan zijn eigen verklaring(en) en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. De genoemde ouders/getuigen zijn helemaal niet naar [appellant] toegegaan en zij hebben [appellant] ook niet gezegd dat hij gevallen zou zijn over een sproeikop. Voorts valt uit deze getuigenverklaringen af te leiden dat zij op 26 september 2005 niet hebben gezien dat [appellant] over een sproeikop is gevallen, doch dat zij zelf – nadien – die conclusie hebben getrokken.

4.11  [appellant] heeft nog aangevoerd dat uit de door hem vervaardigde tekening, waarop aangegeven staat op welke plek hij op het veld gevallen is, blijkt dat, op een minimaal verschil na, zijn tekening van de plek van de val correspondeert met de locatie van een sproeikop zoals die blijkt uit de plattegrond van het sproeisysteem.
Ook als het hof van de juistheid hiervan uitgaat, dan brengt dit (enkele) feit nog niet met zich dat [appellant] dús over een sproeikop is gevallen. [appellant] zelf immers weet niet waarover (of waardoor) hij is gevallen; hij verklaart enkel als getuige dat hij met zijn voet tegen een hard voorwerp aankwam.

4.12  [appellant] heeft voorts aangevoerd dat uit verschillende verklaringen volgt dat een sproeikop wel eens níet (helemaal) in het gras daalt. Het hof oordeel hierover als volgt.
In het toedrachtonderzoek van Andriessen en Geurst staat vermeld dat het vermoeden bestaat dat één van de sproeikoppen na gebruik niet volledig indaalt dan wel dat één van de sproeikoppen uit zichzelf weer naar boven komt. [getuige 3] (secretaris van de vereniging) heeft de rapporteur, F.P. Peijster, begrepen “dat dit min of meer incidenteel nog wel eens voorkomt.” Als getuige ter zitting van 21 april 2008 heeft Peijster dit herhaald.
Als getuige ter zitting van 21 april 2008 heeft [getuige 3] verklaard dat zij zelf nooit gezien heeft dat een sproeikop in het Wetraveld niet goed indaalt. Zij heeft wel ongeveer een jaar na het ongeval van [appellant] van iemand die de sportvelden onderhoudt gehoord, dat het wel eens incidenteel gebeurt dat een sproeikop niet goed indaalt.
In het (concept) Personenschade Rapport van Pi-Advice staat opgenomen dat [appellant] nog nooit een niet (volledig) ingedaalde sproeikop had gezien tijdens het trainen en dat daarvan door de jongens nog nooit melding was gemaakt. Ook binnen de vereniging had hij daar nooit over gehoord. Als (partij)getuige ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij nooit gezien en nooit van andere spelers of trainers had gehoord dat de sproeikoppen niet goed werkten of dat zij omhoog kwamen.
In het kader van de mogelijkheid van een storing of defect aan de sproei-installatie en/of slecht onderhoud van het trainingsveld heeft Dekra in opdracht van OVO een toedrachtonderzoek (zie onder 4.2) uitgevoerd. Tijdens een bezoek aan de vereniging (en de voetbalvelden) is er een onderhoud geweest met de heren [getuige 4] (consul sportvelden), die elke zaterdag de velden keurt, en [getuige 5], die de dagelijkse leiding heeft van de vereniging. Zij gaven aan dat eenmaal in de twee jaar door een loonwerkersbedrijf de bovenlaag van ongeveer vier centimeter (humus, grond e.d.) van het betreffende veld wordt geschraapt. Het veld bestaat uit semi kunstgras/semi levend gras. In het veld zelf bevinden zich in totaal negen sproeikoppen, die verzonken liggen in het veld. Eenmaal per week wordt er gemaaid door de gemeente. Indien er een sproeikop bovenuit steekt, wordt dit meteen verholpen door de installateur van de installatie, Aquaco, omdat anders de maaimessen kapot gaan. De beide genoemde heren hebben nog nooit gehoord dat er een kop in het veld teruggetrapt is; dat kan ook niet, omdat er een heel systeem onder zit. Zij kunnen zich herinneren in al die jaren dat zij het veld onder zich hebben, dat er ooit éénmaal een kop boven het veld uit is gebleven.
Volgens de informatie van een medewerker (van onderhoud) van de gemeente, [Y], wordt er minder grond afgeschraapt en zitten de sproeikoppen veel dieper in het veld; het is misschien wel mogelijk dat een sproeikop na het sproeien niet voldoende terugzakt in de grond. Volgens [Y] hebben er zich geen storingen aan de sproeikoppen voorgedaan op het veld en hij had ook nog nooit een sproeikop boven het veld uit zien staan na het sproeien. Het zou wel kunnen dat een sproeikop na het sproeien niet voldoende terugzakt in de grond; het is dan volgens hem wel mogelijk deze met een lichte druk met de voet de grond in te drukken.
Uit telefonische informatie van de firma Aquaco, waarbij gesproken is met [Z], volgt dat het mogelijk is dat er wel eens een sproeikop blijft hangen als er gras of zand tussenkomt, maar dan moet deze sproeikop wel ernstig vervuild zijn. Het is wel mogelijk door middel van een lichte druk de sproeikop terug te duwen. Hoppenreijs had nog nooit gehoord dat er wel eens iemand over een sproeikop was gevallen. Als een kop boven de grond uitsteekt dan valt deze, gezien zijn afmetingen, zeer zeker op.
Uit het rapport van Dekra volgt voorts dat er op 3 mei 2005 twee sproeikoppen op het Wetraveld zijn vervangen. Op 18 juli 2005 zijn er werkzaamheden verricht aan de beregeningspomp. Nadien zijn er geen (herstel)werkzaamheden meer verricht aan de sproeikoppen, ook niet vlak na 26 september 2005 zoals de gemeente en OVO onbestreden hebben aangevoerd.
Uit de hierboven weergegeven informatie en verklaringen volgt dat er weliswaar een (theoretische) mogelijkheid is dat een sproeikop niet indaalt (vooral als er sprake is van ernstige vervuiling van de sproeikop), maar niemand heeft dat ooit gezien en slechts eenmaal wordt zo’n incident genoemd. De positieve verklaringen hierover (van [getuige 3], “van horen zeggen”) en de heren [getuige 4] en [getuige 5] (ooit eenmaal) zijn te weinig specifiek om daaruit te kunnen concluderen dat er een storing moet zijn geweest aan een sproeikop in het Wetraveld op 27 september 2005, waardoor deze boven het veld uitstak én waarover [appellant] is gevallen. Het hof heeft geen aanwijzingen kunnen vinden dat er sprake is geweest van gebrekkig onderhoud aan het Wetraveld en/of de sproei-installatie.

4.13  Ook alle voornoemde omstandigheden tezamen gewogen en in onderling verband gezien, kunnen niet leiden tot de conclusie dat [appellant] op 26 september 2005 ten val is gekomen doordat hij viel over een niet ingedaalde sproeikop op het voetbalveld.
In dit kader merkt het hof op dat, ook al zou het probandum anders hebben moeten luiden volgens [appellant] (memorie van grieven p. 17), zijn stelling dat hij over een sproeikop is gevallen ook dan nog steeds niet (voorshands) is bewezen. Hoe ingrijpend de gevolgen van de val ook voor [appellant] zijn en hoe lastig zijn bewijspositie ook is (dit laatste geldt overigens ook voor de gemeente en OVO), deze omstandigheden kunnen ook niet tot de conclusie leiden dat [appellant] wél (voorshands) geslaagd is in het bewijs van zijn stelling.
De stelling of conclusie van [appellant] (memorie van grieven p. 10-11) dat de experts van Pi-Advice en Dekra onvoldoende onderzoek hebben kunnen doen door toedoen van de gemeente en OVO, deelt het hof niet. Dat de gemeente en OVO een eigen expert, Dekra, hebben ingeschakeld om de toedracht van het ongeval op 26 september 2005 te onderzoeken, is te begrijpen, nu een dergelijk onderzoek nog niet gedaan was. Het rapport van Andriessen en Geurst is niet alleen zeer summier, maar ook opgemaakt door een andere (niet betrokken) partij. Het feit dat [appellant] niet mee wilde werken aan de totstandkoming van het Dekrarapport, behoefden de gemeente en OVO ook niet te beletten om onderzoek te laten verrichten naar de toedracht van het ongeval. Terzijde merkt het hof op dat het rapport van Pi-Advice geen toedrachtonderzoek betreft, doch een onderzoek ter vaststelling van letselschade. Voorts is niet gesteld althans onvoldoende onderbouwd, dat de door Dekra ingewonnen informatie bij de personen en/of instanties die (nauw) betrokken zijn bij het onderhoud van het Wetraveld, niet objectief zou zijn en/of dat door Dekra onvoldoende onderzoek heeft plaats kunnen vinden naar de oorzaak van de val van [appellant]. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de in het Dekrarapport opgenomen en de hiervoor (onder 4.12) weergegeven verklaringen.

4.14  De stelling van [appellant] ten slotte (memorie van grieven, p. 4), dat het getuigenverhoor dat op 21 april 2008 plaatsvond “mislukt” is en dat er “te weinig” aan de waarheidsvinding is bijgedragen, passeert het hof. In het midden kan blijven of het getuigenverhoor al dan niet vlekkeloos is verlopen. Niet gesteld of gebleken is dat de getuigen ánders zouden hebben verklaard, zodat hun onder ede afgelegde verklaringen de waarheidsvinding (kunnen) dienen. Het aanbod om deze getuigen nogmaals te laten horen, passeert het hof dan ook. De overige genoemde getuigen (pleitnota p. 10) betreffen alle personen die niet betrokken zijn geweest bij de val van [appellant] op 26 september 2005 en kunnen daarom niet bijdragen tot bewijs van de door [appellant] betrokken stelling dat hij op 26 september 2005 ten val is gekomen doordat hij viel over een niet ingedaalde sproeikop op het voetbalveld. In zoverre is het bewijsaanbod niet relevant. De bij pleidooi geopperde mogelijkheid dat misschien één van de jongeren aan wie [appellant] op 26 september 2005 training gaf, iets gezien zou kunnen hebben, is zó vaag en weinig concreet dat ook dit bewijsaanbod wordt gepasseerd.
LJN BN3671

Deze website maakt gebruik van cookies