Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 260416 aansprakelijkheid eigenaar en exploitant sporthal vanwege te weinig uitloopruimte voor zaalvoetbalwedstrijd? deskundigenonderzoek gelast

Hof Arnhem-Leeuwarden 260416 aansprakelijkheid eigenaar en exploitant sporthal vanwege te weinig uitloopruimte voor zaalvoetbalwedstrijd? deskundigenonderzoek gelast

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:

3.1
Gemeente Tiel is eigenaar van de sporthal De Betuwe in Tiel, hierna: de sporthal. [geïntimeerde sub 1] is, in elk geval sinds 2007, (onder)huurder en exploitant van de sporthal.

3.2
Een vriend van [appellant] heeft op 30 oktober 2009 van 21.30 uur tot 22.30 uur de sporthal gehuurd voor een zaalvoetbalwedstrijd, waaraan onder anderen [appellant] als speler deelnam. Tijdens deze wedstrijd is [appellant] aan de zijde van één van de doelen tegen de muur van de zaal aangelopen (“het ongeval”) en heeft hij letsel opgelopen aan zijn rechterelleboog.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1
[appellant] heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking in deelgeschil te bepalen dat Gemeente Tiel jegens hem aansprakelijk is ter zake van de door hem bij het ongeval opgelopen letselschade en om Gemeente Tiel te veroordelen om een voorschot van € 10.000 aan hem te betalen. Hiertoe heeft hij gesteld dat de uitloopruimte rondom het speelveld van één meter gevaarlijk klein was, dit in strijd met KNVB-voorschriften. Nadat Gemeente Tiel verweer had gevoerd tegen het verzochte, heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant] bij beschikking van 28 maart 2013 afgewezen. Hiertoe heeft zij onder meer overwogen dat, indien de sporthal (zoals bedoeld in artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek - BW) niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, het bepaalde in artikel 6:181 BW aan de aansprakelijkheid van Gemeente Tiel in de weg staat doordat [geïntimeerde sub 1] de hal exploiteerde, en dat Gemeente Tiel evenmin aansprakelijk is ex artikel 6:74 BW bij gebreke van een huurovereenkomst tussen [appellant] en Gemeente Tiel, terwijl ook al niet gebleken is dat Gemeente Tiel verantwoordelijk is voor belijning op en de gaten in de vloer van de sporthal, zodat er geen sprake was van onrechtmatig handelen van Gemeente Tiel.

4.2
[appellant] heeft vervolgens bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel hoofdelijk jegens hem aansprakelijk zijn, [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel zou veroordelen tot betaling van een bij staat op te maken schadevergoeding, alsmede tot betaling van twee voorschotten daarop van elk € 15.000, te weten ter zake van door hem geleden immateriële respectievelijk materiële schade, een en ander met rente en proceskosten (waaronder de kosten van de deelgeschilprocedure). [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel hebben verweer gevoerd.

4.3
De rechtbank heeft de vorderingen bij het eindvonnis afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft zij de inhoud van de deelgeschilbeschikking, welke inhoud uitsluitend ten aanzien van Gemeente Tiel gold, gehandhaafd voor zover het gaat om het beroep van [appellant] op artikel 6:174 BW en heeft zij wederom geoordeeld dat van onrechtmatig handelen van Gemeente Tiel niet is gebleken. Met betrekking tot de vordering tegen [geïntimeerde sub 1] was er volgens de rechtbank geen sprake van wanprestatie nu [geïntimeerde sub 1] en [appellant] geen contractspartijen van elkaar waren, gold er geen norm die (ter voorkoming van ongevallen) een uitloopruimte van meer dan een meter voorschrijft en heeft [appellant] niet onderbouwd dat [geïntimeerde sub 1] veiligheidsmaatregelen had behoren te treffen of dat de sporthal gebrekkig was. [appellant] had (in zijn spelgedrag) rekening moeten houden met de bestaande breedte van de uitloopruimte en hij heeft niet onderbouwd dat een uitloopruimte van twee meter het ongeval had voorkomen, aldus nog steeds het bestreden vonnis.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1
Tegen het comparitievonnis staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen hogere voorziening open, zodat het hof [appellant] bij later arrest in zijn hoger beroep tegen dat tussenvonnis niet-ontvankelijk zal verklaren.

5.2
Volgens Gemeente Tiel (zie § 32 van haar memorie van antwoord) kan [appellant] haar niet meer aanspreken tot vergoeding van de schade nu hij zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW niet is nagekomen. [appellant] wist namelijk op 30 oktober 2009 van het ongeval en het letsel dat hij daarbij had opgelopen, maar heeft tot 10 mei 2012 gewacht voordat hij Gemeente Tiel aansprakelijk stelde, waarmee hij voor het eerst zijn klacht heeft geuit, aldus Gemeente Tiel. Omdat [appellant] hierop nog niet heeft kunnen reageren, zal het hof [appellant] in staat stellen die reactie te geven, voordat het beroep op de klachtplicht van artikel 6:89 BW nader zal worden beoordeeld.

5.3
Mede gelet op de rechtsregel van de reeds door partijen aangehaalde arresten HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik), en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR: 2013:47 (Bon Futuro), zal het hof beoordelen in hoeverre in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval [geïntimeerde sub 1] en/of Gemeente Tiel, door de aanleg in de sporthal van een zaalvoetbalveld van 40 x 20 meter en de instandhouding daarvan, een situatie in het leven hebben geroepen of hebben laten voortbestaan die voor anderen, en met name voor deelnemers aan een zaalvoetbalwedstrijd, bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was, in hoeverre zij rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat de bedoelde oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zouden worden genomen, en of zij met het oog daarop veiligheidsmaatregelen hadden moeten nemen, zoals door [appellant] aangedragen, zoals door te besluiten om het veld te verkleinen tot 38 x 18 meter en/of door de muren te laten bekleden, in elk geval de muren aan de zijden van het veld waar de doelen staan, tijdens het gebruik van de zaal voor vriendschappelijke (zaalvoetbal) wedstrijden.

5.4
Voor zover zal blijken dat [geïntimeerde sub 1] en/of Gemeente Tiel in de naleving van de hierboven bedoelde zorgplichten tekort zijn geschoten, blijkt in beginsel dat zij aldus (ook) jegens [appellant] onrechtmatig hebben gehandeld. Het gaat daarbij immers om de van hen te verlangen inspanningen ter vermindering van de kans op letsel bij de (zaalvoetbal)spelers die van de sporthal gebruik maken, zoals [appellant], zodat de in dat geval geschonden norm strekt tot bescherming tegen schade zoals beweerdelijk door [appellant] is geleden, een en ander in de zin van artikel 6:163 BW. 
In dat geval zal nog wel onderzocht moeten worden of het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden indien de geschonden zorgplichten wel behoorlijk zouden zijn nageleefd (dat is de vraag naar het oorzakelijk verband).

5.5
Het hof heeft behoefte aan deskundige voorlichting over de vraag in welke mate het gevaar zich voordoet, dat spelers tijdens een zaalvoetbalwedstrijd (buiten competitieverband) op zodanige wijze tegen de muren achter de doelen aankomen dat zij daardoor letsel oplopen, doordat er aan de zijde van de doelen uitloopstroken van niet meer dan een meter lagen en/of doordat de steenmuren niet waren bekleed en/of doordat er klimrekken op/aan die muren waren bevestigd. Het feit dat [appellant] niet in aanraking met de klimrekken is gekomen, neemt immers niet weg dat de aanwezigheid daarvan aan het ongeval en/of de toedracht daarvan kan hebben bijgedragen. In dit verband valt voorts te denken aan onderzoek naar de vraag in hoeverre dergelijke ongevallen vaker voorkomen tijdens wedstrijden in verenigings- en/of competitieverband dan daarbuiten. Voorts heeft het hof behoefte aan deskundige voorlichting over de vraag hoe waarschijnlijk het is dat het onderhavige ongeval niet zou zijn gebeurd indien de uitloopstroken breder dan een meter zouden zijn geweest.

5.6
Het hof heeft zich dan ook voorgenomen om een deskundige te benoemen. Het zal partijen de gelegenheid geven om zich voorafgaand aan een comparitie van partijen uit te laten over de te benoemen persoon van de deskundige, de voorwaarden waaronder de opdracht zou moeten of kunnen worden gegund en de inhoud van de opdracht. Het hof nodigt partijen uit om voordien in onderling overleg de te benoemen deskundige(n) aan te wijzen uitgebreide ervaring van de deskundige met de analyse van sportongevallen bij zaalvoetbal, of in elk geval bij zaalsporten in het algemeen lijkt van belang en om de vraagstelling te formuleren. Elk van de partijen zal daartoe ter comparitie een akte kunnen nemen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof hen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen.

5.7
Ter comparitie zal tevens met partijen van gedachten worden gewisseld over de vraag in hoeverre de omstandigheden van het onderhavige geding aanleiding geven om niet de hoofdregel van artikel 195 Rv te volgen, maar [geïntimeerde sub 1] met de betaling van het voorschot te belasten. De organisatie waarvan [geïntimeerde sub 1] deel uitmaakt exploiteert immers niet alleen de onderhavige hal, maar ook ongeveer 300 andere sportaccommodaties in Nederland, zodat die organisatie gebaat is bij een veiligheidsonderzoek zoals voorgenomen, te meer nu gegevens over ongevallen als het onderhavige haar niet bekend zijn.

6 De slotsom

6.1
Het hof zal een comparitie van partijen gelasten, waar elk van de drie partijen een akte kan nemen, die tevoren aan het hof en aan de andere twee partijen dient te worden toegezonden.

6.2
Voor [appellant] gaat het bij de akte om hetgeen in de rechtsoverwegingen 5.2 (klachtplicht) en 5.6 (deskundigenbenoeming) staat beschreven, terwijl het hof hem uitnodigt om tevens de voorschriften over te leggen die de KNVB op 30 oktober 2009 hanteerde voor hun zaalvoetbalwedstrijden.

6.3
[geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel worden uitgenodigd in te gaan op rechtsoverweging 5.6 (deskundigenbenoeming).

6.4
Ter comparitie zal gesproken worden over de onderwerpen van de rechtsoverwegingen 5.2, 5.6 en 5.7, terwijl daarbij tevens onderzocht kan worden of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

6.5
Verdere beslissingen, waaronder de niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn hoger beroep tegen het comparitievonnis, zullen bij een later arrest volgen. ECLI:NL:GHARL:2016:3429

Deze website maakt gebruik van cookies