Artikelen

Rb R'dam 210607 k.g.; val agv gladheid op perron; RET handelde ism zorgvuldigheid

Hoofdcategorie: Aansprakelijkheid roerende-, onroerende zaken en producten
Categorie: Aansprakelijkheid voor opstallen 6:174 BW

Rb R'dam 210607 k.g.; val agv gladheid op perron; RET handelde ism zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt
2.1 [eiseres] is op 6 februari 2007 om 06.17 uur ten val gekomen op het open perron van het metrostation Romeynshof te Rotterdam. Dit metrostation wordt beheerd door c.q. is ei-gendom van de RET. Als gevolg van de val heeft [eiseres] drie breuken in de rechterenkel en twee breuken in haar rechter kuitbeen opgelopen.

2.2 Op 5 februari 2007 en op (om 01.20 uur) 6 februari 2007 heeft de Roteb de Centrale Verkeersleider van de RET gewaarschuwd voor gladheid in (onder meer) de vroege ochtend van 6 februari 2007. Naar aanleiding van deze waarschuwing is in opdracht van de Centrale Verkeersleider van de RET op (onder meer) 6 februari 2007 tussen 00:00 uur en 02:30 zout gestrooid op de open perrons van de RET. Op verzoek van de Centrale Verkeersleider is voorts extra zout gestrooid op 6 februari 2007 tussen 06:00 uur en 11:30 uur. (...)

4.2 Bij de beantwoording van de vraag of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt - en of het achterwege laten van die maatregelen in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens an-ders persoon of goed - moet worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (zie HR 5 november 1965, NJ 1966, 136; recent: HR 28 mei 2004, NJ 2005, 105).

4.3 Voldoende aannemelijk is geworden dat het in de vroege ochtend van 6 februari 2007 door bevriezing glad kon zijn op het open perron van het betreffende metrostation. Tussen partijen staat immers vast dat de RET is geadviseerd vanwege gladheid te strooien op de open perrons en dat zij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

4.4 [eiseres] heeft gesteld ten val te zijn gekomen omdat zij is uitgegleden over ijs. Nu dit als zodanig niet is weersproken en uit het over en weer verklaarde geen andere toedracht voor het ongeval valt af te leiden, gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat dit juist is.

4.5 Ter zitting heeft de RET aangegeven dat mogelijk op het betreffende metroperron ten tijde van de val van [eiseres] (06.17 uur) nog niet was gestrooid. In het verlengde van hetgeen in 4.4 is overwogen, wordt er in het kader van dit kort geding van uitgegaan dat op dat moment inderdaad nog niet was gestrooid.

4.6 Voorshands wordt geoordeeld dat van de RET in beginsel verlangd mag worden dat zij onder genoemde weersomstandigheden maatregelen neemt om te voorkomen dat door glad-heid op de open perrons iemand op deze perrons ten val komt en letsel oploopt (waarbij op een metroperron nog het extra risico aanwezig is dat de persoon door de val op enigerlei wijze in aanraking komt met een (rijdende) metro en daardoor (extra) letsel oploopt).
Kennelijk is ook de RET deze mening toegedaan nu zij, naar aanleiding van de waarschu-wing van de Roteb voor gladheid, besloten heeft te strooien op de open perrons. Naar voor-lopig oordeel valt evenwel niet in te zien waarom de RET er niet voor heeft zorggedragen dat het strooien gereed was op het moment dat de eerste reizigers op het perron konden worden verwacht, dan wel dat op dat tijdstip anderszins adequate maatregelen waren geno-men om te voorkomen dat reizigers door de gladheid op het open perron ten val zouden komen en letsel zouden oplopen. Nu, zoals [eiseres] onweersproken heeft gesteld, de eerste metro’s op het station Romeynshof om circa 05.45 uur gaan rijden, hadden - naar voorlopig oordeel - rond circa 05.30 uur maatregelen genomen moeten zijn. Door slechts vanaf 06:00 uur te gaan strooien, heeft de RET geen afdoende maatregelen getroffen voor de eerste, vroege reizigers. Dat de RET vanwege mogelijke geluidsoverlast voor omwonenden niet vóór 07:00 uur gebruik maakt van de omroepinstallatie (zodat zij niet vóór 07:00 uur met behulp van deze installatie heeft gewaarschuwd voor gladheid) en dat het metrostation vóór 07:00 uur niet bemand is (zodat ook niet voor 07:00 uur via de matrixborden (“Drims”) een gladheidwaarschuwing is gegeven), zijn voorts omstandigheden die voor rekening en risico van de RET komen.

4.7 Door, bekend zijnde met mogelijke gladheid op de open perrons, niet tijdig te strooien, noch anderszins zorg te dragen voor een adequate waarschuwing voor mogelijke gladheid op het open perron, in aanmerking nemende dat de weersomstandigheden de betreffende ochtend niet zodanig waren dat [eiseres] steeds op gladheid bedacht moest te zijn - zij heeft immers onweersproken gesteld dat zij, toen zij naar het metrostation liep, niets heeft gemerkt van gladheid -, moet het er naar voorlopig oordeel voor worden gehouden dat er een reële kans bestaat dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de RET ten aanzien van [eiseres] heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt en dat zij jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de scha-de die [eiseres] tengevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Dit betekent dat in beginsel aanleiding bestaat tot het toewijzen van een voorschot.
LJN BA7938

Deze website maakt gebruik van cookies