Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Noord-Holland 241214 causaal verband tussen werkomstandigheden en burnout en hartklachten te onzeker en onbepaald

Rb Noord-Holland 241214 causaal verband tussen werkomstandigheden en burnout en hartklachten te onzeker en onbepaald; ook geen proportionele aansprakelijkheid

De feiten
SNU biedt professionele ondersteuning, behandeling en mogelijkheden voor verblijf aan mensen met lichamelijke en/of cognitieve beperkingen ten gevolge van neurologische aandoeningen. Zij heeft haar hoofdlocatie in Zandvoort en bestaat uit drie onderdelen, waarbij de financiële administratie is ondergebracht bij het onderdeel Staf en Facilitair, dat tot maart 2008 werd aangestuurd door mevr [XXX], die ook leiding gaf aan de afdeling Financieel Economische Zaken (FEZ) en het hoofd van die afdeling,[YYY]. Per 1 maart 2008 werd [eiser] aangetrokken, toen nog als zzp’er werkzaam binnen zijn eigen bedrijf [voornaam] [eiser] Interim Management B.V. Verwacht werd dat hij ongeveer twee jaar werkzaam zou blijven voor SNU op het gebied van planning & control, terwijl hij zich voorts ging bezig houden met het begeleiden en ondersteunen van de medewerkers van de EAD (Economisch Administratieve Dienst).
[eiser] heeft zijn werkzaamheden van 1 maart 2008 tot 1 april 2010 naar tevredenheid van SNU verricht. Eind 2009 veranderde [XXX] van functie (zij werd Manager Behandelzaken en Innovatie). Per 1 april 2010 bereikten SNU en [eiser] overeenstemming over een arbeidsovereenkomst, waarna [eiser] de functie ging bekleden van Hoofd Economisch-Administratieve Dienst (HEAD), welke functie tot kerndoel heeft: leiding geven aan de medewerkers van de afdeling Financieel Economische Zaken (vanaf 2010 EAD genaamd) met als doel een zorgvuldige administratie van inkomsten en uitgaven, een tijdige signalering van dreigende budgetoverschotten en de aanlevering van adequate managementinformatie. [eiser] ging een hoger salaris voor deze functie ontvangen dan gebruikelijk en hij bedong voorts vergoeding van de kosten van zijn leaseauto. Aanvankelijk werkte hij 27 uren per week, per 1 januari 2011 is hij op zijn verzoek 36 uren per week gaan werken. Hij gaf toen aan dat hij meer uren nodig had dan aanvankelijk overeengekomen. Een deel van het overwerk (6 uur per week) is krachtens de toepasselijke CAO Gehandicaptenzorg inbegrepen in het salaris. De HEAD wordt onder meer geacht strategisch en tactisch financieel en administratief beleid binnen de organisatie te ontwikkelen en de Raad van Bestuur (waarvan [ZZZ] deel uitmaakte) te adviseren met betrekking tot financieel economische resultaten en risico’s. Voorts wordt van hem verwacht dat hij ingrijpende veranderingen in de organisatie kan uitvoeren.
Een maand na indiensttreding van [eiser] is [AAA] aangenomen als manager Vastgoed en bedrijfsvoering (de nieuwe naam voor het onderdeel Staf en Facilitair). Hiërarchisch kwam [eiser] onder [AAA] te vallen, die op zijn beurt rechtstreeks viel onder de leiding van de Raad van Bestuur. [eiser] had vervolgens bij het op orde brengen van de aan het managementteam van SNU te verschaffen informatie met name te maken met [BBB], manager zorg en dagbesteding, en [CCC], hoofd Personeel & Organisatie.
Op 18 december 2011 heeft [eiser] aan de Raad van Bestuur van SNU en [AAA] een uitvoerige agenda gestuurd van werkzaamheden en processen die volgens hem nog gedaan of verbeterd dienden te worden. De conclusie van dit stuk eindigt als volgt:
“Ik loop al een poosje langer mee en als ik kijk naar de organisaties, waar ik opdrachten heb vervuld en die ongeveer van gelijke grote zijn, dan is de bezetting bij NU zowel kwantitatief als kwalitatief slecht bemeten.
Verder kan ik mede delen, dat ik geen vertrouwen meer heb in de manager bedrijfsvoering en vastgoed, omdat ik vind dat hij een dolk in mijn rug heeft gestoken”(…)

5. 
Hierop heeft de Raad van Bestuur besloten de werkrelatie met [AAA] te beëindigen. Op 15 maart 2012 heeft [eiser] zich ziek gemeld met klachten van overspannenheid, die tot op heden voortduren.

De vordering

6. 
[eiser] vordert na intrekking van zijn provisionele vordering verklaring voor recht dat hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden en dat SNU daarvoor jegens hem aansprakelijk is, met veroordeling van SNU tot vergoeding van die schade als nader op te maken bij staat, alles met nevenvorderingen, die eveneens op de aansprakelijkheid van SNU zijn gegrond, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen, samengevat, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder extreem ziekmakende omstandigheden waarvoor hij SNU verantwoordelijk houdt: binnen de Economische en Administratieve Dienst die hij moest leiden heerste een enorme chaotische situatie en extreem hoge werkdruk. Voornoemde [YYY] had daar een enorme administratieve chaos achtergelaten. De aan [eiser] overgedragen cijfers klopten veelal niet. De ondersteuning maakte veel fouten en [eiser] moest daardoor alles nalopen. Er was sprake van onderbezetting en de landelijke regelgeving op het gebied van cliëntadministratie en registratie werd steeds complexer en tijdrovender. Vele malen heeft [eiser] dringend aan [AAA] en de Raad van Bestuur verzocht de formatie uit te breiden en te versterken. Zijn verzoeken werden stelselmatig genegeerd. Hij heeft ook duidelijk aan [AAA] aangegeven dat hij het werk niet meer aankon; hij maakte lange dagen, werkte ’s avonds en in het weekend over. Gaandeweg ging hij lijden aan spanningsklachten als gevolg van het werk. Ook ontwikkelde hij de eerste symptomen van hartklachten. Uiteindelijk raakte hij burn-out en kreeg hij, in juli 2012, ook nog ernstige hartklachten. De druk en de eenzaamheid van de functie als HEAD en het feit dat de organisatie hem in zijn sop liet gaarkoken zijn overduidelijk de oorzaak van de klachten.

7.
[eiser] betoogt dat hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden gezondheidsschade heeft geleden als gevolg van langdurige en ernstige overbelasting op het werk. Hij legt ter adstructie van zijn standpunt over een rapport van zijn huisarts van 20 september 2012, een brief van zijn cardioloog van 15 oktober 2012 en bevindingen van zijn behandelend psycholoog drs P. v.d. Eijnden te Katwijk van 7 november 2012 en 14 december 2013, nog gevolgd door een verslag van 3 juli 2014 van zijn behandelend cardioloog M.J. Suttorp. Bovendien heeft SNU erkend dat causaal verband bestaat tussen werk en schade door in een brief van 15 mei 2012 aan hem te schrijven: Uw arbeidsongeschiktheid is duidelijk werk gerelateerd. Ook heeft SNU een aantal normen geschonden waaronder haar algemene zorgplicht jegens hem, aldus nog steeds [eiser], die erop wijst dat hij zijn werk in ongezonde omstandigheden moest verrichten. [CCC] en [XXX] zijn ook een aantal malen bij hem komen vragen of het nog wel ging. SNU had moeten zien dat hij langzaam wegzakte doordat hij structureel overwerkte en nagenoeg geen vakantie meer opnam. SNU heeft met hem geen enkel functioneringsgesprek gevoerd. Daarnaast heeft SNU nog een aantal specifieke wettelijke normen geschonden, zoals artikelen 3 en 5 Arbowet, artikel 11 CAO Gehandicaptenzorg. Ook naar aanleiding van voornoemde brief van 18 december 2011 aan de Raad van Bestuur had SNU moeten ingrijpen, maar na het vertrek van [AAA] heeft zij hem aan zijn lot overgelaten, aldus [eiser].

Het verweer

8. 
SNU betwist de vordering. Zij voert op alle onderdelen van de vordering uitvoerig verweer waarop hieronder voor zover relevant zal worden ingegaan.

De beoordeling

9. 
Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige geschil is dat ook wanneer er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat sprake is geweest, zoals [eiser] stelt maar SNU betwist, van normschending en dus onzorgvuldig gedrag van SNU (op de grond dat van SNU had mogen worden verwacht dat zij wel regelmatig functioneringsgesprekken met [eiser] had gevoerd of dat SNU langs andere weg wist of had moeten weten dat [eiser] zich chronisch overbelast voelde, zodat zij moest of had kunnen ingrijpen in zijn arbeidssituatie), dan nog kan het oorzakelijk verband tussen de door [eiser] verrichte werkzaamheden en de door hem thans opgevoerde gezondheidsschade niet op basis van een vermoeden worden aangenomen indien het verband tussen die schade en de arbeidsomstandigheden waaronder hij zijn werk verrichtte te onzeker of te onbepaald is. Dit uitgangspunt wordt ontleend aan HR 17 november 2000, NJ 2001, 596 inzake Unilever/Dikmans en de op 7 juni 2013 door de Hoge Raad gewezen arresten inzake Lansink/Ritsma en SVB/Van de Wege (JAR 2013, 178 en 177).

10. 
De meest springende vraag is derhalve, of voldoende grond bestaat voor het vermoeden dat de chronische overbelasting waarover [eiser] klaagt (en zegt ook meermalen bij [AAA] geklaagd te hebben) de door hem thans als gezondheidsschade opgevoerde burn-out en/of hartklachten heeft veroorzaakt, dan wel dat moet worden vastgesteld dat het verband tussen die schade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. In het laatste geval kan het door [eiser] te bewijzen verband tussen schade en arbeidsomstandigheden niet (ook niet “in beginsel”) door toepassing van de zogenoemde omkeringsregel worden aangenomen en moet worden bezien of [eiser] terzake, zoals door hem ook ten aanzien van dit onderdeel van het geschil aangeboden, tot nadere bewijslevering van dit verband dient te worden toegelaten.

11. 
Vooreerst wordt vastgesteld dat aan voornoemde brief van 15 mei 2012 van SNU aan [eiser] niet de slotsom kan worden verbonden dat thans geen ruimte meer bestaat voor debat over de causaliteitsvraag op de grond dat SNU het bestaan van oorzakelijk verband tussen werkomstandigheden en schade zou hebben erkend; naar het oordeel van de kantonrechter wordt in die brief niet meer medegedeeld dan dat SNU aan [eiser] laat weten dat hij tijdens zijn werkzaamheden voor SNU gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, maar niet dat in de visie van SNU (tevens) vaststaat dat zijn gezondheidsklachten ook zijn veroorzaakt door de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden heeft verricht.

12. 
Ten aanzien van de door [eiser] opgevoerde hartklachten kan uit de door de cardiologen W. Tietge in 2012 en M.J. Suttorp in 2014 geproduceerde verslaglegging worden opgemaakt dat bij [eiser] voor het eerst in 2002 en vervolgens in 2005 atypische thoracale klachten zijn geconstateerd en dat hij medio april 2012 klachten kreeg van pijn op de borst bij inspanning en fors transpireren, waarna coronair lijden werd vastgesteld en dotterbehandeling volgde in juli 2012. Daarna is hij twee weken klachtenvrij geweest waarna opnieuw thoracale pijnklachten volgden. Klaarblijkelijk is [eiser] in juni 2014 andermaal aan het hart geopereerd; gemeld wordt, in juli 2014, dat nadien geen specifieke klachten bestaan behoudens wat licht in het hoofd. Gemeld wordt tevens dat geen bezwaar bestaat tegen het starten met hartrevalidatie. Bij de familie anamnese wordt vermeld: positief voor premature atherosclerose (minder dan 65 jaar), positief voor plotselinge hartdood, positief voor cardiomyopathie, positief voor ritme-/geleidingsstoornis. Overige familie anamnese: Vader op 47-jarige leeftijd eerste hartinfarct en op 64 jarige leeftijd overleden. 2 broers overleden aan hart en broer en diens zoons hebben cardiomyopathie.

13. 
Ten aanzien van de burn-out gerelateerde klachten wijst [eiser] op twee rapportages van drs V.d. Eijnden van 7 november 2012 en 14 december 2013. In eerstgenoemde rapportage concludeert de psycholoog: “De heer [eiser] “voelt zich nog steeds niet goed” en is voorzichtig met lichamelijke inspanning. Hij is in de werksituatie bij deze werkgever fors overbelast geraakt en vraagt zich terecht af of in de onwerkbaar geraakte en verwijtende werksfeer terugkeer mogelijk is (…) Hij weet zich behoorlijk beschadigd geraakt en heeft nog geruime tijd en behandeling nodig voor herstel”. In het tweede verslag (eigenlijk het derde, maar het verslag van 5 juni 2013 is niet overgelegd) stelt de psycholoog vast: Het lichamelijke beeld is verslechterd: er is regelmatig sprake van hartfalen, en daarop geïndiceerd cardiale interventies, zoals recent nog op 27 november jl. (opnieuw plaatsen van “stents”).(…) In de aan de medisch adviseur genoemde diagnose op 7 november 2012 worden “burn-out-klachten” genoemd, zijnde reeds aanwezig op de verrichte intake van 16 maart 2012. Deze klachten bepaalden toenmalig de arbeidsgeschiktheid; de later verschenen hartklachten zijn daarbij gekomen. Het is mede door deze opnieuw regelmatig optredende hartklachten twijfelachtig of de heer [eiser] weer tot werkhervatting zal kunnen komen”.

14. 
Voorgaande rapportages laten onverlet dat zowel ten aanzien van de hartklachten als ten aanzien van de burn-out klachten mogelijk sprake kan zijn van multi-causale ziektebeelden; deze kunnen door meerdere oorzaken van uiteenlopende aard zijn ontstaan.

15. 
Voor de hartklachten kan uit de boven weergegeven familie-anamnese worden afgeleid dat aannemelijk moet worden geacht dat [eiser] voor de ontwikkeling van dergelijke klachten een gepredisponeerde aanleg had; zijn vader en broers hebben dergelijke klachten ook, in zeer ernstige mate, ontwikkeld. Daarnaast is bij [eiser] heel wel mogelijk dat deze klachten, die bij hem eerst later zijn ontstaan, de optelsom vormen van een aantal oorzaken, die zich min of meer gelijktijdig hebben voorgedaan: [eiser] heeft niet of te weinig gemotiveerd betwist dat hij naast zijn drukke werkzaamheden voor SNU nog andere werkzaamheden verrichtte als zzp’er; die werkzaamheden waren naast zijn vaste baan bij SNU in de gegeven omstandigheden wellicht net te veel. Al met al is het verband tussen de ingetreden hartklachten en de door [eiser] als overbelastend ervaren werkomstandigheden te onzeker en te onbepaald om te kunnen zeggen dat het ontstaan van die klachten (in meerdere of mindere mate) aan SNU als werkgever kan worden toegerekend, ook wanneer, zoals gezegd, ervan wordt uitgegaan dat SNU haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden door niet in te grijpen in de door hem als overbelastend ervaren arbeidssituatie.

16. 
Voor de burn-out klachten geldt mutatis mutandis hetzelfde; ook deze klachten kunnen bij [eiser] (mede) zijn ontwikkeld door andere, gelijktijdig optredende oorzaken naast zijn als overbelastend ervaren werkzaamheden bij SNU. Het is immers opmerkelijk dat [eiser] in zijn eerder genoemde brief van 18 december 2011 (relatief kort voor zijn ziekmelding geschreven) in acht bladzijden wel een groot aantal verbeterpunten op organisatorisch vlak weet te noemen, maar nergens expliciet zijn eigen arbeidssituatie aan de kaak stelt. Dat had wel voor de hand gelegen wanneer hij al geruime tijd leed onder overbelasting en van mening was dat daaraan (ook) iets zou moeten gebeuren om zijn situatie te verlichten. Door die situatie in december 2011 niet te (be-)noemen bestaat thans te veel onzekerheid over het werkelijk gewicht daarvan naast andere denkbare oorzaken. Niet kan dan ook worden gezegd dat en/of in welke mate het aannemelijk is dat de arbeidsomstandigheden van [eiser] bij SNU causaal zijn geweest voor zijn burn-out klachten.

17. 
Bij het voorgaande dienen zich nog twee perspectieven aan: bij langzaam intredende gezondheidsklachten als de onderhavige waarvan de ontstaansoorzaak niet met nauwkeurigheid en precisie kan worden vastgesteld, past bij de huidige stand van de wetgeving ook daarom terughoudendheid alvorens oorzakelijk verband tussen werk en schade aan te nemen, omdat bij het loslaten daarvan de reikwijdte van de werkgeversaansprakelijkheid bij dergelijke klachten niet voldoende meer te overzien zal zijn. Daarmee zou de rechtspraak afbreuk doen aan zijn ordenende functie op dit terrein.

18. 
Partijen hebben geen debat gevoerd over de vraag of SNU (wèl) door proportionele aansprakelijkheid jegens [eiser] wordt getroffen. Gelet op vorenstaande overwegingen en de rechtspraak op het gebied van de proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband zou een dergelijk debat naar het oordeel van de kantonrechter niet tot een andere uitkomst hebben geleid.

19. 
Aan (verdere) voorlichting door deskundigen, zoals door [eiser] als mogelijkheid opgeworpen, bestaat geen behoefte. Waar door [eiser] (ook) op het punt van het oorzakelijk verband getuigenbewijs is aangeboden, maar hij heeft nagelaten toe te lichten wat die getuigen dan uit eigen wetenschap zouden kunnen toevoegen aan het door hem te leveren bewijs met betrekking tot de invloed van zijn arbeidsomstandigheden op zijn gezondheid en zijn klachten, zal aan dat bewijsaanbod verder worden voorbijgegaan als te weinig gespecificeerd.

20.
Een en ander voert tot de slotsom dat het gevorderde niet kan worden toegewezen. ECLI:NL:RBNHO:2014:12431