Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 260814 val door dakkoepel; hoofdaannemer hoofdelijk aansprakelijk

Hof Arnhem-Leeuwarden 260814 val door dakkoepel; hoofdaannemer hoofdelijk aansprakelijk jegens uitzendkracht bij onderaannemer;
- cessie vordering slachtoffer aan (hoofdelijk) aansprakelijke verzekeraar toegestaan; onderlinge verhouding; 80% "werkgever" 20% hoofdaannemer

4.4.
Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende. Op 11 februari 2003 is [B] (hierna: [B]), die als uitzendkracht werkzaam was voor Ridder, bij zijn werkzaamheden van een hoogte van ongeveer zeven meter op een betonnen vloer ten val gekomen. De werkzaamheden vonden plaats in het kader van een onderaannemingsovereenkomst tussen [A] als hoofdaannemer en Ridder als onderaannemer. [B] moest een piramidevormige dakkoepel, waarin een uitsparing zat voor een (driehoekig) raam, om het raamkozijn heen met koper bekleden. Het raam was afgedekt met ondoorzichtig niet-waterdoorlatend folie. [B] stond bij zijn werkzaamheden op een constructie van één of twee pallet(s) met een plank daarover. Ofwel doordat de pallets weggleden ofwel doordat [B] zijn evenwicht verloor, is [B] door het folie en het kozijn naar beneden gevallen op de betonnen vloer. Hij heeft als gevolg van zijn val ernstig letsel opgelopen. [B] heeft Ridder aansprakelijk gesteld. Allianz is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Ridder. Allianz c.s. heeft aansprakelijkheid van Ridder erkend en zich bereid verklaard de schade aan [B] te vergoeden tegen cessie van diens vordering op [A]. Allianz c.s. hebben in deze procedure op basis van die cessie de vordering van [B] jegens [A] ingesteld, die neerkomt op een verklaring voor recht dat [A] aansprakelijk is voor de schade van [B] als gevolg van het ongeval, vergoeding van het door Allianz c.s. reeds uitgekeerde bedrag van in totaal € 350.000,00 en voor het overige verwijzing naar de schadestaatprocedure, dit alles met nevenvorderingen.

4.5.
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het vonnis komt er zeer kort samengevat op neer dat Ridder verantwoordelijk was voor de veiligheid van haar werknemers op het moment dat zij de werkzaamheden uitvoerden, dat van een situatie als bedoeld in art. 7:658 lid 4 geen sprake was en dat [A] of haar ondergeschikten ook niet onrechtmatig jegens [B] hebben gehandeld.

4.6.
De grieven 1 tot en met 3 van Allianz c.s. zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat artikel 7:658 lid 4 BW niet van toepassing is nu Ridder op het moment van het ongeval de verantwoordelijkheid had voor het treffen van veiligheidsmaatregelen en de ingevolge artikel 7:658 lid 4 BW vereiste zeggenschap van [A] ontbrak, tegen een aantal feitelijke vaststellingen en tegen de overwegingen van de kantonrechter over de contractuele verhouding tussen Ridder en [A]. Met deze grieven wordt het geschil in volle omvang ontsloten. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.7.
Het hof stelt onder verwijzing naar HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616, (Davelaar/Allspan) het volgende voorop. Met art. 7:658 lid 4 BW is beoogd een grondslag voor aansprakelijkheid te bieden indien hij, die in de uitoefening van zijn bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, tekortschiet in het treffen van veiligheidsmaatregelen en degene die de arbeid verricht daardoor schade lijdt. Naar de bedoeling van de wetgever strekt de bepaling ertoe bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever (hier: [A]) in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Dit brengt mee dat art. 7:658 lid 4 BW zich voor toepassing leent indien de persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. Of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zijn de feitelijke verhouding tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de ‘werkgever’, al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico's.

4.8.
Voor toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW is tevens vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden ‘in de uitoefening van het beroep of bedrijf’ van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht. Aangenomen moet worden dat de reikwijdte van de bepaling niet beperkt is tot werkzaamheden die tot het wezen van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de desbetreffende opdrachtgever kunnen worden gerekend of normaal gesproken in het verlengde daarvan liggen. Mede gelet op het beschermingskarakter van artikel 7:658 lid 4 BW kunnen daaronder ook andere werkzaamheden vallen, waarbij bepalend is of de verrichte werkzaamheden, gelet op de wijze waarop de desbetreffende opdrachtgever aan zijn beroep of bedrijf invulling pleegt te geven, feitelijk tot zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening behoren. Dit zal aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden.

4.9.
Aan de orde is de vraag of een hoofdaannemer jegens een medewerker (dat hier sprake is van een uitzendkracht doet niet ter zake) van een onderaannemer op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk kan zijn. Dat is mogelijk indien is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW, te weten dat de medewerker voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk is van de hoofdaannemer en dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van de hoofdaannemer.

4.10.
Allianz c.s. stelt dat aan beide criteria is voldaan. [geïntimeerde] betoogt dat de werkzaamheden van [B] niet tot de feitelijke bedrijfsuitoefening van [A] behoorden en dat [A] geen invloed had op de werkomstandigheden van [B].

4.11.
Het hof is van oordeel dat de werkzaamheden die [B] moest verrichten hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van [A]. [A] was (en [geïntimeerde] is) een landelijk opererend bouwbedrijf dat, naar zij stelt, bij grotere bouwprojecten optreedt als hoofdaannemer/uitvoerder. In het handelsregister zijn haar activiteiten onder meer omschreven als: “… het aannemen en (doen) uitvoeren van bouw-, wegenbouwkundige werken, staalconstructiewerken en grondwerken, (…)”. Het hoofdkantoor van vakbond De Unie te Utrecht was een dergelijk project. [A] koos er voor, zo heeft [geïntimeerde] gesteld, om de werkzaamheden grotendeels in onderaanneming aan diverse onderaannemers uit te besteden. Op het desbetreffende project waren ongeveer 40 onderaannemers werkzaam. Hieruit volgt dat het inschakelen van onderaannemers juist deel uitmaakte van de bedrijfsvoering van [A]. Daarnaast heeft zij zelf ongeveer 100 mensen kantoorpersoneel en 80 timmerlieden in dienst. In de periode dat Ridder haar werkzaamheden verrichtte waren er naast de werknemers van onderaannemers per week gemiddeld acht eigen timmerlieden op het project aanwezig, zo heeft [geïntimeerde] gesteld. Uit het feit dat [A] ongeveer 80 timmerlieden in dienst heeft en dat zij op dit project in de eindfase toch nog zo’n acht timmerlieden aanwezig had, moet worden afgeleid dat ook het bouwen zelf onderdeel was van de bedrijfsvoering van [A], naast het feit dat haar bedrijf bestaat uit het aannemen van bouwwerken en het, in dat kader, optreden als uitvoerder. Uit de omschrijving in het handelsregister kan ook niet worden afgeleid dat [A] in beginsel niet zelf bouwt, maar vooral doet bouwen en optreedt als uitvoerder. De werkzaamheden die [B] verrichtte betroffen werkzaamheden aan het door [A] als bouwproject aangenomen hoofdkantoor van De Unie, te weten het bekleden van de dakpiramides met koper. Het zijn werkzaamheden aan het te bouwen gebouw, die dus niet perifeer aan de ‘core-business’ van [A] zijn. Het zijn daarmee werkzaamheden die [A] als bouwbedrijf ook zelf zou kunnen verrichten. [A] heeft nog gesteld dat het bekleden van een dakkoepel specialistisch werk is, waarvoor zij Ridder als gespecialiseerd dakdekkersbedrijf in de arm heeft genomen. Ook deze omstandigheid kan, indien zij al juist zou zijn, niet meebrengen dat deze dakdekkerswerkzaamheden niet meer behoren tot het bedrijf van [A], te weten het bouwbedrijf. De conclusie is dan ook dat is voldaan aan het criterium dat [A] in de uitoefening van haar bedrijf arbeid liet verrichten door [B].

4.12.
De volgende vraag is of [B] voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van [A]. Ook dat is naar het oordeel van het hof het geval. Als vaststaand kan worden aangenomen dat er op het moment dat [B] zijn werkzaamheden verrichtte, geen doorvalbeveiliging was aangebracht achter het kozijn, terwijl het zicht was belemmerd door ondoorzichtig folie. Een dergelijke situatie, waarin in het dak, op een hoogte van ongeveer zeven meter boven een betonnen vloer, koepels zijn aangebracht met open kozijnen die zijn afgedekt met ondoorzichtig folie, maar zonder doorvalbeveiliging, is gevaarlijk. Het is [A], niet Ridder, die de piramides op het dak heeft aangebracht en die het ondoorzichtige folie heeft aangebracht. Het was dan ook [A] die jegens degenen die het dak zouden betreden, onder wie haar eigen werknemers, werknemers van onderaannemers en derden, ervoor had te zorgen dat sprake was van een doorvalbeveiliging. De ‘uitgangssituatie’ mag niet gevaarlijk zijn. In zoverre was [B] voor zijn veiligheid mede afhankelijk van [A]. Over die ‘uitgangssituatie’ had [A] ook zeggenschap. Een en ander wordt bevestigd door Heijmerinks stelling dat zij de kozijnen in de dakpiramides wél had beveiligd met een plaat. Daarmee is dus tevens voldaan aan het tweede criterium voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW.

4.13.
[A] heeft gesteld dat zij de kozijnen heeft beveiligd met op die kozijnen aangebrachte rechthoekige platen met een afmeting van 2,40 bij 1,25 meter. Volgens [A] heeft Ridder de plaat van de betreffende piramide verwijderd, wat voor haar werkzaamheden (het bekleden van de piramide met koper) ook nodig was. De daardoor ontstane gevaarlijke situatie is dan ook te wijten aan Ridder, niet aan haar, zo stelt [A].

4.14.
Nu hiervoor reeds is geoordeeld dat artikel 7:658 lid 4 BW wél van toepassing is, is [A] op grond van artikel 7:658 lid 1 en 2 BW jegens [B] aansprakelijk, tenzij zij aantoont dat zij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen.

4.15.
Veronderstellenderwijs aangenomen dat de plaat een voldoende veiligheidsmaatregel was, is door het verwijderen daarvan een gevaarlijke situatie ontstaan. Die gevaarlijke situatie is niet afdoende onderkend. [A] heeft gesteld dat het (mensen van) Ridder zelf waren die de plaat hebben verwijderd als onderdeel van hun werkzaamheden en dat zij, [A], met het aanbrengen van die plaat haar zorgplicht is nagekomen, zodat zij niet jegens [B] aansprakelijk is. Gezien artikel 7:658 lid 2 BW zal [A] hebben te bewijzen dat er nog plaatmateriaal aanwezig was toen Ridder met haar werkzaamheden begon en dat Ridder de plaat heeft verwijderd.

4.16.
Er zijn bij het voorlopige getuigenverhoor vijf getuigen gehoord, te weten [C] (uitvoerder bij [A]), [D] (directeur van Ridder), [F] (uitvoerder bij Ridder), [G] (projectleider bij [A]) en [H] (uitvoerder bij [A]). Verder heeft de Arbeidsinspectie direct na het ongeval een onderzoek uitgevoerd, in welk kader [B], zijn collega [E] en [F] voornoemd zijn gehoord.

4.17.
[C] heeft, voorzover van belang, verklaard:

“5. (…) Op de dag voorafgaand aan het ongeval heb ik gezien dat deze waren afgeschermd met hout. Er stonden afzettingen voor. (…) Het zijn die openingen waar glas moest komen die waren afgeschermd met hout. Ik kan mij niet meer precies herinneren hoe dat er uit zag. Volgens mij waren de afzettingen van hout gemaakt. (…)
7. De werknemers van Ridder Metalen moesten de bescherming weghalen om hun werk te kunnen doen. De bescherming zat namelijk op de plek waar het zink moest komen. Ik weet niet meer of ik heb gezien dat ze de beveiliging weghaalden.”

4.18.
[D] heeft verklaard dat hij pas een paar dagen na het ongeval voor het eerst op het werk is geweest. Hij heeft niets verklaard over de vraag of de kozijnen voor het ongeval afgezet waren met houten platen en zo ja, wie de plaat van de desbetreffende piramide heeft verwijderd.

4.19.
[F] heeft verklaard dat er geen beveiliging aanwezig was bij de piramides en dat hij in de veronderstelling verkeerde, bij aanvang van de werkzaamheden, dat onder de piramides een doorvalbeveiliging was aangebracht door [A]. Verder heeft hij verklaard:

“Wij hebben geen beveiliging verwijderd voordat wij ons werk aanvingen. Dat was ook niet nodig. Er zat niks in de weg.”

4.20.
[G] heeft verklaard:

“Toen ik die ochtend op het dak kwam, waren de mensen van Ridder Metalen met één piramide bezig. Ik heb gezien dat bij de overige 4 piramides beveiliging aanwezig was. Dit was een beveiliging door middel van plaatmateriaal dat mechanisch (met schroeven of met spijkers) aan de constructie van de piramides was bevestigd. De vijfde piramide, waar de werknemers van Ridder Metalen hun werkzaamheden aan uitvoerden, had ook een dergelijke beveiliging gehad. Het is mij niet bekend of die beveiliging aanwezig was toen de mensen van Ridder Metalen hun werk aanvingen. (…)”

4.21.
[H] heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval niet aanwezig was. Verder heeft hij verklaard dat zes à acht weken voor het ongeval houten platen zijn aangebracht aan de kozijnen in de piramides. Voorts heeft hij verklaard:

“Ik weet heel zeker dat er plaatmateriaal was aangebracht, omdat ik voor het ongeval aanwezig was toen glas werd ingemeten in de prisma’s. Het plaatmateriaal moest worden verwijderd, voor de meetwerkzaamheden konden plaatsvinden. Verder weet ik zeker dat de plaatmateriaal aan de prisma’s was bevestigd, omdat ik elke dag op het dak kwam. (…)”

4.22.
Uit deze verklaringen blijkt weliswaar dat er op enig moment plaatmateriaal op de piramides is aangebracht, maar daaruit komt niet met voldoende mate van zekerheid vast te staan op welk moment en door wie de plaat van de onderhavige piramide is verwijderd. [C] heeft weliswaar verklaard dat hij op de dag voor het ongeval heeft gezien dat het plaatmateriaal aanwezig was, maar hij heeft niet gezien dat de mensen van Ridder de bescherming weghaalden. [G] heeft op de ochtend van het ongeval gezien dat bij de overige piramides beveiliging aanwezig was, maar hem is niet bekend of die beveiliging aanwezig was (op de piramide) toen de mensen van Ridder Metalen hun werk aanvingen. Daartegenover heeft [F], de uitvoerder van Ridder, verklaard dat hij of zijn mensen geen plaatmateriaal hebben verwijderd en dat hij ervan uitging dat er een beveiliging onder het kozijn aanwezig was. Gezien de toedracht van het ongeluk kan worden aangenomen dat [F], [B] en Ball ervan uitgingen dat er beveiliging onder het kozijn aanwezig was. Dat ondersteunt de verklaring van [F] dat Ridder geen plaatmateriaal heeft verwijderd. De conclusie luidt dan ook dat niet is bewezen dat (mensen van) Ridder de plaat hebben verwijderd en dat er nog plaatmateriaal aanwezig was toen Ridder met haar werkzaamheden begon.

4.23.
[geïntimeerde] is dus niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de piramides waren beveiligd met plaatmateriaal en dat het mensen van Ridder Metalen zijn geweest die dit plaatmateriaal bij aanvang van hun werk hebben verwijderd. [geïntimeerde] heeft niet gespecificeerd aangeboden nog meer getuigen over dit thema te doen horen.

4.24.
De conclusie van het voorgaande is dat [A] jegens [B] aansprakelijk is. De grieven 1 en 2 slagen dan ook.

4.25.
Het is niet in geschil dat (ook) Ridder jegens [B] aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Allianz heeft bij brief van 19 september 2003 de aansprakelijkheid van Ridder jegens [B] immers erkend. Ridder en [geïntimeerde] zijn dus hoofdelijk jegens [B] aansprakelijk. Dat betekent dat thans in beginsel de regresverhouding tussen Ridder en [geïntimeerde] aan de orde dient te komen.

ECLI:NL:GHARL:2014:6672

Deze website maakt gebruik van cookies