Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Breda 060912 val van trap; nog veel geschilpunten en nadere bewijslevering en/of deskundigenonderzoek nodig

Rb Breda 060912 val van trap; nog veel geschilpunten en nadere bewijslevering en/of deskundigenonderzoek nodig; verzoek afgewezen;
- kosten; gevorderd 32,85 uur, begroot, niet toegewezen, 15 uur x € 245,00 + 6 % + 19 % + griffierecht 

3. De beoordeling 

3.1 Tussen partijen staan de volgende feiten vast. 
A. [verzoeker] is sinds 1 juni 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij L.V.B. als slijper en schoonmaker industrie. 
B. Op 24 november 2010 is [verzoeker] een ongeval overkomen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij L.V.B. 
C. [verzoeker] is tijdens de uitoefening van zijn werk op het werkterrein van L.V.B. van een trap (vanaf een hoogte van circa 2,5 meter) gevallen. 
D. [verzoeker] had van [Y] (meewerkend voorman en assistent productieleider bij L.V.B.) de opdracht gekregen om voormelde trap te beklimmen, althans om de slee schoon te maken bij de spoelplaats, die (alleen) bereikbaar is via de trap.   
E. [verzoeker] was al voor het ongeval onder controle bij de bedrijfsarts wegens knieklachten.  

3.2 [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat: 
a. hij als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen (nekklachten, lage rugklachten met uitstraling naar de linker heup en verergering van de knieklachten) en schade heeft geleden (door het ongeval kan hij zijn werkzaamheden niet meer volledig uitvoeren en is hij bezig met een WIA-traject); 
b. L.V.B. op de hoogte was van zijn knieklachten en de daarmee verband houdende beperkingen; 
c. hij desondanks de opdracht heeft gekregen om de trap te beklimmen, terwijl hij – [verzoeker] – expliciet heeft aangegeven zichzelf daartoe niet in staat te achten; 
d. L.V.B. – mede gelet op het voorgaande – niet heeft voldaan aan de (op grond van artikel 7:658 lid 1 BW) op haar rustende zorgplicht; 
e. er een causaal verband bestaat tussen de schending van de zorgplicht en het ongeval; 
f. er aan zijn zijde geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid en dat eigen schuld niet aan de orde is; 
g. L.V.B. (derhalve) aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade; 
h. partijen – ondanks de gevoerde onderhandelingen – verdeeld blijven over de aansprakelijkheidsvraag. 

3.3 L.V.B. en HDI hebben aangevoerd dat: 
a. het door [verzoeker] verzochte buiten de reikwijdte en het toepassingsgebied van de deelgeschilprocedure ex artikel 1019w e.v. Rv valt (het valt niet als deelgeschil aan te merken), omdat partijen voorafgaand aan het ingediende verzoek niet of nauwelijks hebben onderhandeld over de aansprakelijkheid (waaronder de feitentoedracht en de medische causaliteit); 
b. [verzoeker] – ondanks herhaald verzoek daartoe door HDI – geen nadere (medische) gegevens heeft verstrekt; 
c. het verzoek niet bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, althans niet zodanig dat een vaststellingsovereenkomst na de beslissing in het deelgeschil voorzienbaar is; 
d. het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, omdat partijen het verre van eens zijn over de feiten (omtrent de medische geschiedenis van [verzoeker] en de medische en kenbare beperkingen van [verzoeker] in relatie tot de opgedragen werkzaamheden) en omdat uitgevoerde bewijsvoering (via getuigenverhoren en deskundigenberichten) noodzakelijk is; 
e. niet voldaan is aan de vereiste formaliteiten zoals genoemd in artikel 1019x lid 3 onder a en c Rv; 
f. [verzoeker] op de dag van het ongeval redelijkerwijs in staat moest worden geacht de opgedragen, aangepaste, werkzaamheden te verrichten; 
g. er ten aanzien van de opgedragen, aangepaste, werkzaamheden geen sprake is van schending van enige zorgverplichting ex artikel 7:658 BW (er was – mede gelet op de getroffen voorzieningen – geen sprake van een onveilige werkplek en van L.V.B. kon niet worden verlangd dat zij expliciete instructies aan [verzoeker] gaf over het gebruik van de trap; 
h. het entameren van deze deelgeschilprocedure volstrekt onnodig en onterecht was en dat de gevorderde kosten excessief zijn.   

3.4 De kantonrechter oordeelt (voorts) als volgt. 

3.4.1 In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in de artikelen 1019w tot en met 1019cc Rv. 

3.4.2 De kantonrechter overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet Deelgeschillen) de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18). 

3.4.3. Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de kantonrechter voorop dat in de memorie van toelichting bij voornoemde wet is vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10). Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat partijen nimmer met de (inhoudelijke) onderhandelingen zijn gestart, zoals door L.V.B. en HDI is aangevoerd, onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers een geschil aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter op de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen. Overigens houdt de kantonrechter daarbij wel voor ogen dat de deelgeschilprocedure niet is bedoeld om partijen aan de onderhandelingstafel te dwingen. 

3.4.4 In deze procedure is gebleken dat L.V.B. en HDI niet alleen de aansprakelijkheid betwisten, maar zich ook om diverse andere redenen niet gehouden voelen om tot vergoeding van de door [verzoeker] gestelde schade over te gaan. Zo voeren L.V.B. en HDI onder meer aan dat het de vraag is of en zo ja hoeveel schade [verzoeker] heeft geleden en of er sprake is van een (voldoende) causaal verband tussen de – eventuele – schade en het ongeval. Gelet hierop is de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst gering. Immers, na een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag lijken nog veel geschilpunten in de weg te liggen aan minnelijke overeenstemming over de te vergoeden schade. 

3.4.5 Daar komt bij dat er naar het oordeel van de kantonrechter niet nu reeds tot een eindbeslissing over de eventuele aansprakelijkheid van L.V.B. kan worden gekomen, omdat nadere bewijslevering en/of deskundigenonderzoek noodzakelijk is. Daarbij kan gedacht worden aan getuigenverklaringen van onder meer [Y] en [verzoeker] over de door [Y] gegeven opdracht en de reactie daarop van [verzoeker], alsmede aan een (onafhankelijk) deskundigenonderzoek omtrent de (kenbare) medische beperkingen van [verzoeker] ten tijde van het ongeval. Kortom, om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek is – op welke partij de bewijslast ook rust – nadere bewijslevering en/of deskundigenonderzoek noodzakelijk. Nu hiervoor reeds is gebleken dat de bijdrage die de verzochte beslissing aan een totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren gering is, weegt deze bijdrage niet op tegen de investering in tijd, geld en moeite die is gemoeid met nadere bewijslevering en/of nader deskundigenonderzoek. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen. 

4. De kosten 

4.1 In het verzoekschrift verzoekt [verzoeker] veroordeling van L.V.B. en HDI in de kosten van de procedure. Dit verzoek zal worden afgewezen, omdat in dit deelgeschil niet is komen vast te staan dat L.V.B. of HDI aansprakelijk is voor de – mogelijk – door [verzoeker] geleden schade. Echter, artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt, dient te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dat is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Mede gelet op het nu in deelgeschil gevoerde partijdebat over de voor de aansprakelijkheid van belang zijnde feiten, kan het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift niet bij voorbaat als volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd. 

4.2 Mr. Schoemaker heeft aangevoerd € 10.152,07 aan kosten te hebben gemaakt voor het entameren van dit deelgeschil. Daarbij is mr. Schoemaker uitgegaan van 32,85 declarabele uren tegen een uurtarief van € 245,00 exclusief 6,00% bureaukosten en 19,00% BTW (oftewel € 309,04 inclusief 6,00% bureaukosten en 19,00% BTW). L.V.B. en HDI achten met name de aan de zaak bestede tijd bovenmatig. 

4.3 De kantonrechter overweegt dat voormelde kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Gelet op de aard en de complexiteit van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het gevorderde aantal bestede uren de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De kantonrechter acht een besteding van 15 uren aanvaardbaar. Het door mr. Schoemaker gehanteerde uurtarief hebben L.V.B. en HDI niet (gemotiveerd) betwist en komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor. De kantonrechter begroot de kosten van dit deelgeschil daarom op € 4.635,65 (15 maal € 309,04), vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 437,00 (zijnde het griffierecht voor een verzoekschrift van een natuurlijk persoon in een zaak met een beloop van meer dan € 12.500,00). LJN BX7896

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies