Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Leeuwarden 240110 val van half geschilderde trap;

Rb Leeuwarden 240110 val van half geschilderde trap; regres uitzendbureau op onderaannemer. Deze is  niet aansprakelijk voor schade ingeleende uitzendkracht nu deze het gevolg is van handelen werknemers andere onderaannemers
4.1. Alvorens in te gaan op de vraag wat de grondslag moet zijn voor een vordering van de werkgever op de inlener van een werknemer, die door een ongeval bij de inlener tijdelijk arbeidsongeschikt is geworden, zal de rechtbank eerst ingaan op de door Tinga's Timmerbedrijf gevoerde verweren die strekken tot betwisting van haar aansprakelijkheid voor het ongeval. Immers wanneer de conclusie luidt dat Tinga's Timmerbedrijf niet aansprakelijk is voor schade jegens [Werknemer], is zij ook niet aansprakelijk jegens AB Fryslan. Dit volgt uit de artikel 6: 107a BW dat een loonvordering van de werkgever beperkt tot ten hoogste het bedrag, waarop de gekwetste werknemer aanspraak had kunnen maken jegens de aansprakelijke partij ware er geen loondoorbetalingsverplichting geweest.

4.2. Aan het meest verstrekkende verweer dat AB Fryslan niet heeft gesteld op welke grondslag zij Tinga's Timmerbedrijf aansprakelijkheid houdt, gaat de rechtbank voorbij nu AB Fryslan, zo blijkt ook uit de conclusie van antwoord van Tinga's Timmerbedrijf, de feitelijke gronden die ten grondslag liggen aan de vorderingen afdoende uiteen heeft gezet.

4.3. Tinga's Timmerbedrijf heeft voorts aangevoerd dat zij in het kader van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) noch in het kader van werkgeversaansprakelijkheid (artikel 7:658 BW) aansprakelijk gehouden kan worden voor de gevolgen van het ongeval van [Werknemer]. Immers van haar kon niet gevergd worden dat ze [Werknemer] zou waarschuwen voor de gladheid van een trap nu [Werknemer] was ingeschakeld voor werkzaamheden bestaande uit het aanbrengen van hang- en sluitwerk op een vaste werkplek, die gladheid van de trap haar hoe dan ook niet bekend was en de situatie voorts niet dusdanig was dat voorzorgsmaatregelen getroffen moesten worden. Ook betwist Tinga's Timmerbedrijf dat de trap glad was.
Zij voert daartoe aan dat [Werknemer van Hemubo], daarover het volgende heeft verklaard:
Ik ben er overigens van overtuigd dat er geen gevaarlijke situatie is geweest. De betonnen trappen werden ingesmeerd met een primer. Dit is een eerste gladde laag. Deze moet een tijd drogen en daarna wordt er in twee fasen een coating aangebracht die (..) het beton stroef moet maken. Na de eerste behandeling met de primer wordt de trap vanwege het risico volledig met planken afgedekt en met rode linten afgezet .Het is dan niet mogelijk, tenzij opzettelijk, dat iemand op deze primer laag stapt en ten val komt. Nadat de twee coatinglagen zijn aangebracht, deze coating bestaat uit een tweecomponenten laag met zand wat het materiaal stroef maakt, wordt er bij twijfel een test gedaan om te bepalen of het materiaal voldoende stroef is. In dit geval hoefde dat niet omdat de leverancier van de primer en coating Sikkens al had aangegeven dat de tweede coating volstaat. Wij hebben van geen enkele bewoner klachten gekregen over de gladheid van de trappen.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat Tinga's Timmerbedrijf als inlenend bedrijf jegens [Werknemer] dezelfde zorgverplichtingen heeft die een werkgever heeft voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer (artikel 7:658 lid 4 Burgerlijk Wetboek).
De rechtbank overweegt dat het in casu gaat om een bouwproject waar Tinga's Timmerbedrijf als onderaannemer zich heeft verbonden voor uitvoering van werkzaamheden op een werkplaats waar ook andere (onderaannemers werkzaam waren. Op deze werkplaats was in ieder geval ook de hoofdaannemer Hemubo aanwezig en werkzaam. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 1993, JAR 1993/194 geoordeeld dat de veiligheidsverplichting van de werkgever zich niet beperkt tot de locatie waar de werknemers (van de werkgever) hun werkzaamheden verrichten, maar zich in beginsel uitstrekt over het hele bouwterrein, dus ook over die locaties waar door derden werkzaamheden worden verricht. Voorts oordeelde de Hoge Raad dat dezelfde werkgever echter niet aansprakelijk is voor handelingen van werknemers van andere werkgevers, die in strijd zijn met de hen gegeven veiligheidsinstructies.

4.5. De rechtbank stelt vast dat of en hoe glad de betonnen trap was ten tijde van het ongeval niet vast is komen te staan in rechte en ook niet meer te achterhalen is nu wel vaststaat tussen partijen dat de betreffende betonnen trap na het ongeval nog één keer is behandeld door Hemubo. Wanneer de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de trap ten tijde van het ongeval ongebruikelijk glad was komt zij tot de volgende conclusie. In dat geval gaat de rechtbank ervan uit dat de oorzaak daarvan was dat de trap na de eerste gladde primerlaag nog niet voorzien was van de twee coatinglagen. Zoals kennelijk ook [werknemer] van Hemubo tegenover Tinga's Timmerbedrijf heeft aangegeven, had in dat geval de trap afgedekt moeten worden met planken en afgezet moeten worden met rode linten. Als dat niet gebeurt, is dat te wijten aan het niet in acht nemen van veiligheidsmaatregelen door werknemers van Hemubo. In lijn met de hiervoor aangehaalde jurisprudentie voert het de rechtbank te ver om aansprakelijkheid van Tinga's Timmerbedrijf aan te nemen voor handelingen van werknemers van een andere werkgever, die in strijd zijn met de hen gegeven veiligheidsinstructies. Dat zou anders zijn als Tinga's Timmerbedrijf wist of had moeten weten dat de trap op die dag glad was, echter zulks heeft AB Fryslan niet gesteld en is ook niet anderszins gebleken.

4.6. Ook wanneer de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de trap niet glad was, komt zij tot de conclusie dat Tinga's Timmerbedrijf niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de val van [Werknemer]. Immers in dat geval geldt, zoals ook betoogd door Tinga's Timmerbedrijf, dat de val van [Werknemer] niet de verwezenlijking van een werkrisico is maar van een zogenaamd huis-, tuin- en keukenrisico.
De rechtbank concludeert derhalve dat Tinga's Timmerbedrijf verweer dat zij niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de schade in verband met de val van [Werknemer] slaagt. Immers nu de conclusie is dat Tinga's Timmerbedrijf niet haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW heeft geschonden en deze zorgplicht niet minder verder strekt dan hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als bedoeld in artikel 6; 162 BW, is de conclusie gewettigd dat [Werknemer] Tinga's Timmerbedrijf niet kan aanspreken voor de schade die hij ten gevolge van zijn val heeft geleden. Daarmee behoeven de overige verweren geen bespreking. De vorderingen van AB Fryslan zullen worden afgewezen.
PIV-site

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies