Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's-Gravenhage 120112 hernia agv verstappen bij verlaten van verhoging (podium) werkgever aansprakelijk

Rb 's-Gravenhage 120112 hernia agv verstappen bij verlaten van verhoging(podium) werkgever aansprakelijk 

1  Feiten 
De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten. 
1.1 [eiseres] is sinds 1 augustus 1995 als docente werkzaam voor de [school] (verder het gymnasium of werkgever), een verzekerde van Reaal. 
1.2 [eiseres] doceert het vak Duits aan de leerlingen van het gymnasium. 
1.3 In de loop van de jaren is er voor het gymnasium een nieuw schoolgebouw gebouwd, welk schoolgebouw in augustus 2005 is opgeleverd. 
1.4 [eiseres] deelde haar leslokaal met een collega, mevrouw [A] (verder: [A]). [A] had een oogafwijking en in verband met haar zichtlijn was het plaatsen van een verhoging/podium in het leslokaal gewenst. 
1.5 Op verzoek van [A] werd direct bij de nieuwbouw van het schoolgebouw in het leslokaal een hardhouten verhoging aangebracht van 178 centimeter breed en 525 centimeter lang. Over de hoogte van het podium verschillen partijen van mening. 

Aan de zijkant van de verhoging werd op verzoek van [A] een trapje van één trede aangebracht om de toegankelijkheid van de verhoging voor [A] - die slecht ter been was - te verbeteren. Op het podium stonden links en rechts een bureau. 
1.6 Met ingang van 31 maart 2008 is [A] met vroegpensioen gegaan. [eiseres] heeft vervolgens 6 lesuren van [A] overgenomen. [A] is per juli 2008 voor één jaar voor 12 uren opgevolgd door mevrouw [B] (verder: [B]). Na het vertrek van [A] is het trapje van één trede verwijderd; bij het aantreden van [B] was dit trapje reeds verwijderd. 
1.7 Op 19 mei 2009, aan het begin van het tweede lesuur, is aan [eiseres] bij het afstappen van de hardhouten verhoging een ongeval overkomen; [eiseres] is van de verhoging gestapt en daarbij met twee voeten tegelijk op de grond terecht gekomen. [eiseres] heeft zich de volgende dag arbeidsongeschikt gemeld. 
1.8 In verband met klachten na de verstapping is [eiseres] onder behandeling geweest bij de pijnpoli te Eindhoven en zij bezocht de polikliniek neurologie op 18 juni 2009. Op 24 juni 2009 en 13 juli 2009 heeft een behandeling plaatsgevonden bij het pijnteam in verband met een wortelblokkade. Van 1 tot 7 september 2009 is [eiseres] opgenomen geweest en op 1 september 2009 werd zij geopereerd aan een hernia. 
1.9 Na het ongeval heeft het gymnasium de hardhouten verhoging verwijderd. 
1.10 Op 26 juni 2009 heeft [eiseres] haar werkgever formeel aansprakelijk gesteld voor (de gevolgen van) het ongeval. 
1.11 Bij brief van 23 oktober 2009 heeft letselschadebureau Schut Oosting Letselschade B.V. (verder: Schut Oosting) zich als belangenbehartiger van [eiseres] bij (de volmacht van) Reaal gemeld. 
1.12 Reaal heeft vervolgens de behandeling van de zaak zelf ter hand genomen en in november 2009 Van Kouterik Personenschade (verder: Van Kouterik) verzocht een onderzoek in te stellen naar de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheidsvraag. 
1.13 Na een ingesteld onderzoek heeft Van Kouterik op 19 februari 2010 een rapport uitgebracht. Van Kouterik oordeelde dat de verhoging niet gevaarzettend was en dat het gymnasium niet aansprakelijk was. Bij brief van 3 maart 2010 heeft Van Kouterik dit aan Schut Oosting gemeld. 
1.14 In de rapportage van Van Kouterik is de verklaring van een ooggetuige opgenomen. Het betreft een leerlinge die in de klas van [eiseres] zat. Zij verklaarde als volgt: "Die ochtend kreeg de klas een toets. Betrokkene (kantonrechter: [eiseres]) stond met haar gezicht naar de klas. Zij wilde vermoedelijk iets uitdelen. Zij verstapte zich alsof zij dacht dat de verhoging verder doorliep dan feitelijk het geval was. Ze is niet gevallen. Zij vertrok van de pijn, maar heeft het lesuur afgemaakt.". 

2  Vordering 
[eiseres] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat Reaal aansprakelijk is voor alle door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het bedrijfsongeval van 19 mei 2009 en Reaal te veroordelen de door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Reaal in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van gemachtigde. En daarbij tevens te bepalen dat Reaal de nakosten en de wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW) over de proceskosten verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening, als Reaal de proceskosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis aan [eiseres] heeft betaald. 
[eiseres] legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van voormelde feiten, het volgende ten grondslag. 
2.1 Op 19 mei 2009, aan het begin van het tweede lesuur, is [eiseres] bij het afstappen van de hardhouten verhoging, ter hoogte van het tweede tafeltje, met twee voeten tegelijk met een harde klap op de grond terechtgekomen. De dreun, als gevolg van de harde klap, is door heel het lichaam van [eiseres] gegaan. [eiseres] is vervolgens doodstil blijven staan en heeft voorzichtig geprobeerd haar tenen en vingers te bewegen. 
2.2 Gedurende de ochtend en naarmate de middag vorderde kreeg [eiseres] steeds meer pijn in haar rug. Zitten en lopen werd steeds moeilijker. Na het laatste lesuur is [eiseres] met veel pijn en moeite thuisgekomen, waarna zij voor de volgende dag een afspraak heeft gemaakt met de huisarts. 
2.3 Omdat [eiseres] vreselijke rugpijn had en omdat zij niet meer kon lopen heeft zij zich op 20 mei 2009 ziek gemeld. De huisarts is vervolgens aan huis gekomen omdat [eiseres] zich niet meer kon verplaatsen en niet meer mobiel was. In de middag verslechterde de situatie van [eiseres] zich verder en in de loop van de avond en nacht was de pijn zodanig dat zij drie keer contact heeft moeten opnemen met de Centrale Huisartsenpost. 
2.4 Na het ongeval, ongeveer op of omstreeks 1 juni 2009, heeft het schoolbestuur besloten de geplaatste hardhouten verhoging in het leslokaal van [eiseres] te verwijderen om herhaling van een dergelijk ongeval te voorkomen. 
2.5 Bij brief van 31 augustus 2009 heeft Schut Oosting de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Voorts heeft Schut Oosting Reaal bij brief van 23 oktober 2009 op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. 
2.6 Reaal heeft in reactie op de brief van Schut Oosting van 23 oktober 2009 Van Kouterik verzocht een expertiserapport op te stellen naar aanleiding van het door [eiseres] overkomen ongeval op 19 mei 2009. 
2.7 Bij brief van 3 maart 2010 gaf Reaal via Van Kouterik te kennen dat zij de aansprakelijkheid voor het betreffende ongeval niet erkent. Zij stelt dat er in haar optiek geen sprake is geweest van een gevaarzettende situatie in het kader van artikel 7:658 BW. [eiseres] was gedurende langere tijd bekend met de verhoging en heeft zich blijkbaar verstapt. Dit had haar net zo goed in de privésituatie kunnen overkomen, aldus Reaal. 
2.8 [eiseres] stelt echter dat zij slachtoffer is geworden van een bedrijfsongeval, waarvoor Reaal, als verzekeraar van het gymnasium, op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. Naar aanleiding van dit ongeval heeft [eiseres] (letsel)schade opgelopen. [eiseres] stelt dat Reaal voor alle uit het ongeval voortvloeiende schade aansprakelijk is te achten. 
2.9 Op grond van artikel 7:658 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij het lokaal waarin de werknemer zijn arbeid doet verrichten, op zodanige wijze heeft ingericht en onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft getroffen en aanwijzingen heeft verstrekt als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. 

2.10 De zorgplicht van de werkgever heeft betrekking op de inrichting en het onderhoud van het lokaal waarin hij de werknemer arbeid doet verrichten. Bovendien betreft de zorgplicht ook de instructie die de werkgever aan de werknemer dient te geven bij de gebruikmaking van het lokaal. 
2.11 Onder de zorgplicht worden mede verstaan de verplichtingen die de werkgever heeft krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en andere publiekrechtelijke regelingen ter zake van de arbeidsomstandigheden. Wanneer een dergelijke norm geschonden is, dan is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor de letselschade die de werknemer lijdt doordat zich een ongeval voltrekt dat de geschonden norm tracht te voorkomen. 
2.12 [eiseres] heeft vervolgens verwezen naar artikel 3.2 lid 1 sub b en artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 3.2 lid 1, 3.11 lid 1, 3.15 en 8.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en naar de Arbocatalogus en een uitgebreide toelichting op een en ander gegeven. 
2.13 Ter zake van de schade stelt [eiseres] dat, omdat zij naar aanleiding van het ongeval niet herstelde, zij in september 2009 is geopereerd aan een hernia. Ten tijde van de dagvaarding was [eiseres] nog arbeidsongeschikt en van een eventuele medische eindtoestand was nog geen sprake, daar er nog verschillende medische onderzoeken moesten worden uitgevoerd. De omvang van de geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade is dan ook nog niet vast te stellen, zodat de schade nog nader moet worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet. 
2.14 Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] aangevoerd, dat zij nog steeds niet volledig aan het werk is. Na de herfstvakantie van 2011 is [eiseres] voor 75% aan het werk en werkt zij voor 25% op arbeidstherapeutische basis. 
2.15 Ter verkrijging van voldoening buiten rechte is Reaal de gemaakte kosten verschuldigd overeenkomstig artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Daar de hoofdsom nog onbekend is, vordert [eiseres] vergoeding van de kosten overeenkomstig artikel 6:96 lid 2 sub c BW op grond van rapport Voorwerk II nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 
2.16 Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar vorderingen nader toegelicht en onderbouwd. De inhoud van die conclusie wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. 

3  Verweer 
3.1 Reaal heeft (ter gelegenheid van de comparitie van partijen) niet betwist dat het onderwerpelijke ongeval heeft plaatsgevonden en dat [eiseres] daardoor schade heeft geleden. Zij betwist echter dat er een (voldoende) causaal verband is (aangetoond) tussen de hernia waaraan [eiseres] is geopereerd en het ongeval. 
3.2 Reaal heeft (ook) voor het overige gemotiveerd verweer gevoerd en daarbij met name betwist dat het gymnasium is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW. Er is naar de mening van Reaal sprake van een huis-, tuin- en keukenongeval, waarvoor het gymnasium niet aansprakelijk is. Een en ander zoals breder omschreven in de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek. De inhoud van die bescheiden wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd 
3.3 Reaal heeft geconcludeerd [eiseres] in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van deze procedure. 


3.4 Op het gevoerde verweer zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan. 

4  Beoordeling 
4.1  De kantonrechter gaat uit van het volgende juridisch kader. 
4.1.1 De werkgever is op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 van dat artikel genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat in casu van dat laatste - opzet of bewuste roekeloosheid - sprake zou zijn, is gesteld noch gebleken, zodat die situatie verder buiten beschouwing zal blijven. 
4.1.2 De uit artikel 7:658 lid 1 BW voortvloeiende zorgplicht houdt in algemene bewoordingen in dat de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen geeft als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. 
4.1.3 Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever in de gegeven omstandigheden aan deze zorgplicht heeft voldaan, geldt als uitgangspunt dat de omvang van deze zorgplicht in de eerste plaats en in elk geval wordt bepaald door hetgeen op grond van de regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden van de werkgever gevergd wordt. Deze zorgplicht heeft een ruime strekking. 
4.1.4 De Hoge Raad heeft voorts weliswaar bij herhaling in het kader van artikel 7:658 BW uitgesproken, dat met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd wordt een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Maar gelet op de zojuist aangegeven ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. 
4.2 Partijen verschillen van mening over de hoogte van het podium. Als laagste waarde repte Reaal aanvankelijk in de conclusie van antwoord over een hoogte van 17 centimeter; bij conclusie van dupliek heeft Reaal aangevoerd dat de hoogte niet meer dan 20 centimeter was. [eiseres] heeft het in de dagvaarding ook over 20 centimeter, maar in de conclusie van repliek stelt zij zich kennelijk op het standpunt dat de hoogte 25 - 30 centimeter was; zij heeft daarbij verwezen naar door haar overgelegde schriftelijke verklaringen van [A] en [B]. Reaal betwist die door [eiseres] gestelde hoogte. 
4.3 De kantonrechter zal er in het navolgende veronderstellenderwijs van uitgaan, dat het laatste standpunt van Reaal (en het eerste standpunt van [eiseres]) juist is en dat het podium dus (niet meer dan) 20 centimeter hoog was, omdat die hoogte - die in ieder geval minimaal vaststaat - als het minst gevaarlijk/gevaarzettend kan worden aangemerkt. 
4.4 De kantonrechter is van oordeel dat een dergelijke verhoging van 20 centimeter een onveilige situatie kan opleveren. Men kan er bijvoorbeeld over struikelen, er vanaf vallen of zich verstappen bij het eraf stappen (zoals in casu het geval is geweest). Voor een hogere verhoging (tot 30 centimeter) zou dat vanzelfsprekend ook gelden. 
4.5 De kantonrechter is voorts van oordeel dat de inrichting van het lokaal daarmee niet voldeed aan de daaraan op grond van de regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden te stellen veiligheids- en gezondheidseisen. 
4.6 Immers, op grond van de Arbocatalogus geldt dat theorielokalen - waaronder het onderhavige lokaal gerangschikt kan worden - zodanig ingericht dienen te zijn, dat de kans op ongelukken zo gering mogelijk is. Daaraan voldeed het lokaal door de (onnodige) aanwezigheid van het podium niet. 
4.7 Het verweer van Reaal dat de Arbocatalogus ook vermeldt dat het is toegestaan om gebruik te maken van een podium voor het bureau van de docent en dat er geen wet- en regelgeving is die het gebruik van podia verbiedt doet aan het vorenstaande niet af. Dat het niet is verboden om podia te gebruiken wil immers niet zeggen, dat niet van dat gebruik behoort te worden afgezien, indien daarvoor geen noodzaak (meer) aanwezig is en de kans op ongelukken door de verwijdering van het podium kan worden verminderd. Die situatie doet zich in casu voor. 
4.8 Bovendien is in artikel 3 lid 1 sub b van de Arbeidsomstandighedenwet onder meer bepaald, dat de werkgever zorg dient te dragen voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten. Daarbij geldt dat door de werkgever de gevaren en risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste instantie bij de bron daarvan dienen te worden voorkomen of beperkt. 
4.9 Het gymnasium heeft echter de gevaren en risico's voor de veiligheid en de gezondheid van [eiseres] niet zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door na het vertrek van [A] de verhoging - zijnde de bron van de gevaren en risico's - niet te verwijderen. Er was vanaf dat vertrek naar het oordeel van de kantonrechter geen noodzaak of rechtvaardiging meer voor de aanwezigheid van de verhoging. 
4.10 Weliswaar heeft Reaal als verweer aangevoerd dat het gymnasium na het vertrek van [A] bij [eiseres] heeft geïnformeerd of zij de verhoging gehandhaafd wilde zien en dat [eiseres] zou hebben aangegeven, dat de verhoging juist praktisch voor haar was en dat zij de verhoging gehandhaafd wilde zien, maar afgezien van het feit dat [eiseres] een en ander heeft betwist - zij stelt juist dat zij hoopte dat het podium na het vertrek van [A] verwijderd zou worden, al heeft zij nooit zelf om die verwijdering verzocht - , is hetgeen Reaal heeft aangevoerd niet relevant. Het gymnasium diende immers als werkgever de gevaren en risico's voor de veiligheid en de gezondheid van [eiseres] zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken en in dat kader is het niet van belang wat [eiseres] wel of niet praktisch vond en of zij de verhoging wel of niet gehandhaafd wilde zien. Aan dit verweer van Reaal moet derhalve - zo het al feitelijk juist zou zijn - als niet relevant voorbij te worden gegaan. 
4.11 Reaal heeft voorts nog als verweer aangevoerd, dat het voor het gymnasium niet kenbaar was dat de verhoging een inherent gevaar voor de docenten vormde, mede gelet op de geringe hoogte van de verhoging, maar ook dat verweer kan Reaal niet baten. Zoals sub 4.4 reeds is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat een verhoging van 20 centimeter een onveilige situatie kan opleveren, omdat men daar over kan struikelen, vallen of zich verstappen. Dat zijn feiten van algemene bekendheid en het gymnasium had dat dus ook kunnen en moeten weten. 
4.12 Bij een en ander komt nog, dat het gymnasium [eiseres] ook had dienen te waarschuwen voor de gevaarlijke situatie. Weliswaar was [eiseres] bekend met de situatie en blijkt uit haar relaas van het gebeurde ter gelegenheid van de comparitie van partijen dat zij zich ervan bewust was dat zij van de verhoging moest afstappen, maar uit hetgeen ter comparitie verder over de gang van zaken is gezegd, volgt dat een waarschuwing voor de situatie wel op zijn plaats was geweest. 


4.13 Immers, [eiseres] heeft verklaard dat er allemaal rugzakjes op het podium lagen en dat zij daar tussendoor moest, waardoor zij iets verder moest stappen. (De gemachtigde van) Reaal heeft bevestigd dat er rugzakjes op het podium lagen waar [eiseres] overheen moest stappen en dat zij dus een bijzondere beweging moest maken. [eiseres] is uiteindelijk met haar beide voeten tegelijk op de grond terecht gekomen ter hoogte van het tweede tafeltje, zo blijkt uit de onweersproken stelling van [eiseres] in de dagvaarding. 
4.14 Uit het vorenstaande volgt dat er niet alleen sprake was van een verhoging waar vanaf gestapt diende te worden, maar van een verhoging waarop rugzakjes van scholieren lagen waar [eiseres] tussendoor diende te stappen vooraleer zij van het podium kon stappen en waardoor zij een bijzondere beweging moest maken en verder diende te stappen dan kennelijk normaal was. Het gymnasium had voor die situatie kunnen en moeten waarschuwen en/of maatregelen dienen te nemen - bijvoorbeeld het verbieden van de rugzakjes op het podium - waardoor deze extra gevaarlijke situatie had kunnen worden voorkomen. 
4.15 Al met al is de kantonrechter van oordeel dat het gymnasium niet aan haar zorgverplichting heeft voldaan en dat zij derhalve aansprakelijk is voor de door [eiseres] door het ongeval geleden en te lijden schade. Er is, anders dan Reaal heeft aangevoerd geen sprake van een huis-, tuin- en keukenongeval. Het onderhavige ongeval is niet vergelijkbaar met een ongeval dat in een thuissituatie - bijvoorbeeld bij het aflopen van een trap - ook had kunnen plaatsvinden. 
4.16 De diverse verwijzingen door Reaal naar in de jurisprudentie behandelde voorvallen kunnen Reaal ook niet baten, nu de feiten in die zaken niet, althans onvoldoende vergelijkbaar zijn met de feiten in deze casus. Dat geldt ook voor de casus in het arrest waar de onderhavige zaak volgens Reaal veel overeenkomsten mee heeft, te weten het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2007. 
4.17 In die casus was een geestelijk gehandicapte vrouw in de uitoefening van haar werkzaamheden van een podium afgestapt en gewond geraakt. 
In dat geval oordeelde de Hoge Raad, zo stelt Reaal, dat er geen sprake was van aansprakelijkheid aan de zijde van de werkgever, aangezien de verstandelijke handicap van de werkneemster "er niet aan in de weg stond dat zij op de hoogte was van de situatie ter plaatse en zich bewust was van het gevaar van dat hoogteverschil.". 
4.18 In dat geval, aldus Reaal, was er ook sprake van een (aanzienlijk hoger) podium, wat ook de reden was voor het feit dat collega's van de gehandicapte vrouw de vrouw kort ervoor nog hebben gewaarschuwd. Daarnaast speelde ook de geestelijke handicap van de vrouw zelf een rol, hetgeen in de onderhavige zaak vanzelfsprekend niet aan de orde is; er mocht van [eiseres] meer worden verwacht wat betreft de in acht te nemen zorgvuldigheid. Een en ander ook met het oog op het feit dat deze situatie al ruim 5 jaar bekend was voor haar. Aldus Reaal. 
4.19 Zoals gezegd: ook de verwijzing naar dit arrest kan Reaal niet baten, omdat de feiten in die casus onvoldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. 
In die zaak was immers de (gehandicapte) vrouw door collega's gewaarschuwd om niet van de verhoging af te stappen maar om het daar aanwezige trappetje te gebruiken. In de onderhavige zaak is geen sprake van waarschuwingen door wie dan ook en een trappetje was niet (meer) aanwezig. Reeds om deze redenen kunnen de zaken naar het oordeel van de kantonrechter niet (goed) met elkaar worden vergeleken en is er dus ook geen aanleiding om in gelijke zin als in die casus te oordelen. 

4.20 Nu de door [eiseres] geleden en mogelijk nog te lijden schade thans nog niet, althans nog niet geheel kan worden vastgesteld, zullen partijen ter zake naar de schadestaat-procedure worden verwezen. 
   
5  Slotsom; proceskosten 
5.1 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel, dat de werkgever zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW heeft geschonden. De werkgever, en in het verlengde daarvan Reaal, is dan ook aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval van 19 mei 2009. De kantonrechter komt daarmee terug op zijn ter comparitie gegeven - overigens: uitdrukkelijk voorlopige - oordeel. 
5.2 De vordering van [eiseres] zal derhalve worden toegewezen op na te melden wijze, te weten ter zake van de aansprakelijkheid voor het bedrijfsongeval als verklaring voor recht (zoals sub 1.1. van de dagvaarding geformuleerd en hierboven sub 2. weergegeven) en niet zoals in het petitum van de dagvaarding sub I. is omschreven. 
5.3 Met betrekking tot hetgeen sub 2.14 is overwogen over de buitengerechtelijke incassokosten is door [eiseres] geen vordering ingesteld, zodat in dit vonnis ook geen veroordeling ter zake zal worden uitgesproken. Nu de aansprakelijkheid van het gymnasium en in het verlengde daarvan Reaal in deze procedure is vastgesteld, zullen die kosten in een eventuele schadestaat-procedure aan de orde kunnen komen. 
5.4 Reaal zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Daaronder vallen blijkens HR 19 maart 2010, LJN BL 1116 ook de nakosten. 
5.5 Het vonnis zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, behoudens ten aanzien van de verklaring voor recht, nu de aard van die vordering zich daartegen verzet 
5.6 Op hetgeen verder door partijen is aangevoerd zal de kantonrechter niet nader ingaan, nu een inhoudelijke behandeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.  LJN BV9089

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies