Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Leeuwarden 161012 bewust roekeloos ex artikel 7:661 BW wanneer wn-er 161 rijdt waar 80 mag; bewijslast terzake gereden snelheid voor werkgever

Hof Leeuwarden 161012 bewust roekeloos ex artikel 7:661 BW wanneer wn-er 161 rijdt waar 80 mag; bewijslast terzake gereden snelheid voor werkgever

De beoordeling 
Ontvankelijkheid 
1.   Nu er geen grieven zijn gericht tegen voornoemd vonnis van 4 maart 2010, zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep tegen dat vonnis. 

De vaststaande feiten 
2.   [appellant] heeft tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter in rechtsoverweging 1 van voormeld tussenvonnis van 6 januari 2011 grief 1 gericht, inhoudend dat de kantonrechter ten onrechte onder deze feiten niet heeft opgenomen dat [appellant] bij het naderen van de rotonde plotseling moest uitwijken voor een koppel eenden. Naar het oordeel van het hof is dit echter in geschil, reden waarom het hof voormeld punt niet als een tussen partijen vaststaand feit zal opnemen. Voor het overige staan, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans onvoldoende (gemotiveerd) weersproken en op grond van de overgelegde stukken, voor zover niet bestreden, tussen partijen de volgende feiten vast. 
2.1   Vanaf 23 januari 2008 is [appellant] via [Uitzendbureau X] uitzendbureau als taxichauffeur gaan rijden voor [Taxi]. 
2.2   Op 1 juni 2008 heeft [appellant] opdracht gekregen voor het uitvoeren van een taxirit van [woonplaats] naar [plaats]. Deze taxirit had betrekking op vijf jongeren die waren wezen stappen in [woonplaats]. De rit begon om 05.22 uur vanaf [adres] met een auto van het type Volkswagen Passat met kenteken [kenteken], die eigendom is van [geïntimeerde]. 
2.3   Gedurende deze rit tussen [woonplaats] en [plaats] heeft [appellant] op enig moment 161 km per uur gereden. 
2.4   Rijdend over [straat] te [plaats] en komend uit de richting van de [straat] en gaande in de richting van de [straat] te [plaats], is de door [appellant] bestuurde taxi bij de rotonde met de [straat] uit de bocht gevlogen en heeft daarbij de vluchtheuvel geraakt. Als gevolg hiervan is de auto beschadigd geraakt. 

Het geschil en de beslissing van de kantonrechter 
3.   [geïntimeerde] heeft, onder vermeerdering van eis, gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot vergoeding van de herstelkosten van € 2.447,53 (excl. BTW), vermeerderd met wettelijke rente, gerekend vanaf 14 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke kosten van € 300,-, alsmede de door de provincie Groningen in rekening gebrachte kosten van schoonmaak en reparatie van het wegdek ad € 401,50 en de proceskosten. 

4.   [appellant] heeft verweer gevoerd. 

5.   De kantonrechter heeft - niet dan na eerst bewijs te hebben opgedragen aan [geïntimeerde] en in dat kader getuigen te hebben gehoord - bij eindvonnis van 27 oktober 2011 de vordering geheel toegewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep. 

De motivering van de beslissing 
6.   Grief 4 is gekeerd tegen de overweging in rechtsoverweging 4.3 van voormeld vonnis van 6 januari 2011 dat de redengeving van de beperking van de aansprakelijkheid van werknemers in artikel 7:661 BW, inhoudend dat werknemers dienen te worden beschermd tegen vergaande aansprakelijkheid naar aanleiding van fouten gemaakt tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden, niet geldt voor het - mogelijk - aanhouden van een zodanige hoge snelheid door [appellant] dat geen redelijk verband meer lijkt te bestaan met de door [geïntimeerde]n opgedragen werkzaamheden zodat dit niet meer valt onder de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in voormeld wetsartikel. 

7.   Naar het oordeel van het hof staat tussen partijen niet ter discussie dat de vraag of [appellant] aansprakelijk is beantwoord dient te worden aan de hand van de in artikel 7:661 BW neergelegde norm. Nu het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden door [appellant], is [appellant] alleen aansprakelijk wanneer het ongeval het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. De vraag of al dan niet sprake is van een redelijke verband met de werkzaamheden van [appellant] is, anders dan de kantonrechter overweegt, bij deze stand van zaken wel relevant. In zoverre slaagt deze grief. 

8.   Grief 2 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 1.7, 1.8 en 1.9 van voormeld tussenvonnis van 6 januari 2011, voor zover inhoudend dat de getuigenverklaringen van [passagier 1], [passagier 2] en [passagier 3] ten overstaan van de politie zijn afgelegd en tegen rechtsoverweging 3.10, voor zover daarin is overwogen dat [appellant] heeft gesteld dat deze verklaringen bij de politie zijn afgelegd. De strekking van deze grief is dat de kantonrechter deze verklaringen daardoor verkeerd heeft gewaardeerd. Met grief 3 wordt bezwaar gemaakt tegen rechtsoverweging 4.4 van voormeld vonnis van 6 januari 2011, inhoudend - kort gezegd - dat voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het rijgedrag van [appellant] mogelijk bewust roekeloos was. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] zich wat betreft het rijgedrag van [appellant] voornamelijk gebaseerd op de door [geïntimeerde] overgelegde getuigenverklaringen, terwijl deze verklaringen door [appellant] gemotiveerd zijn betwist met name waar het betreft zijn snelheid bij het naderen van de rotonde; deze verklaringen kunnen niet bijdragen tot het oordeel dat zijn rijgedrag mogelijk bewust roekeloos is geweest. 

9.   Naar het oordeel van het hof is gesteld noch anderszins gebleken dat de desbetreffende getuigenverklaringen ten overstaan van de politie zijn afgelegd, zodat een en ander ten onrechte in voormeld tussenvonnis van 6 januari 2011 is vermeld. In zoverre slaagt grief 2. In voormelde rechtsoverweging 3.10 van dit tussenvonnis is - anders dan [appellant] heeft gesteld - niet overwogen dat volgens [appellant] de desbetreffende getuigenverklaringen bij de politie zijn afgelegd. Aldus berust dit op een verkeerde lezing van deze rechtsoverweging en faalt grief 2. Voor het overigen stellen de grieven 2 en 3 de centrale vraag aan de orde of [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld. Mede gelet op de inhoud van de door [geïntimeerde] bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen, heeft [geïntimeerde] ook in het licht van het door [appellant] gevoerde verweer voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het rijgedrag van [appellant] bewust roekeloos was (de kantonrechter heeft in voormeld vonnis dus niet geoordeeld dat dit ook daadwerkelijk het geval was). Aldus heeft [geïntimeerde] voldoende gesteld. Juist nu sprake was is van elkaar tegensprekende verklaringen, ligt het voor de hand degenen die de verklaringen hebben afgelegd te gaan horen. In zoverre falen de grieven 2 en 3. 

10.   Grief 5 is gericht tegen de bewijsopdracht in rechtsoverweging 4.5 van voormeld vonnis van 6 januari 2011 en de daarin opgenomen bewijsopdracht. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. 

11.   [appellant] is - ingevolge artikel 7:661 lid 1 BW- voor de schade die hij bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden aan [geïntimeerde] toebrengt slechts jegens [geïntimeerde] aansprakelijk, indien deze schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. De werkgever dient deze opzet en bewuste roekeloosheid te bewijzen. Voor het oordeel of sprake is geweest van bewuste roekeloosheid, is vereist dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging (vgl. HR 14 oktober 2005, NJ 2005, 539, [namen van partijen]). Daarvan is ook de kantonrechter in rechtsoverweging 4.2 van voormeld vonnis van 6 januari 2012 uitgegaan (waartegen niet is gegriefd). Volgens [geïntimeerde] is [appellant] het ongeval aan te rekenen, aangezien hij vlak voor het ongeval met hoge snelheid - namelijk 161 km per uur - heeft gereden als gevolg waarvan de auto onbestuurbaar werd en uit de bocht is gevlogen. [appellant] moet zich onmiddellijk voorafgaande aan het ongeluk, gelet op deze hoge snelheid, bewust zijn geweest van het roekeloze karakter van zijn rijgedrag, reden waarom hij voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk is, aldus [geïntimeerde]. 

12.   [appellant] heeft weersproken vlak voor het ongeval bij het naderen van de rotonde 161 km per uur te hebben gereden en dat dit bewust roekeloos is. Naar het oordeel van het hof is het rijden met een snelheid van 161 km per uur waar 80 km per uur is toegestaan, terwijl men een rotonde nadert, wel degelijk bewust roekeloos. Nu [appellant] heeft weersproken een dergelijke snelheid vlak voor het naderen van de rotonde te hebben gereden, rust het bewijs hiervan op [geïntimeerde]. De omvang van de door [geïntimeerde] gestelde schade is ook door [appellant] weersproken. In zoverre rust ook dit bewijs op [geïntimeerde]. Aldus is op [geïntimeerde] een juiste bewijsopdracht gelegd en faalt deze grief. 

13.  Grief 6 is gericht tegen rechtsoverweging 1 van voormeld vonnis van 27 oktober 2011, inhoudend dat de kantonrechter verwijst naar en heeft overgenomen hetgeen bij voormeld tussenvonnis van 6 januari 2011 is overwogen en beslist. Naar het oordeel van het hof ontbeert deze grief een zelfstandige toelichting, reden waarom zij niet slaagt. 

14.   Met grief 7 wordt bezwaar gemaakt tegen de bewijswaardering door de kantonrechter in het bestreden vonnis van 27 oktober 2011, terwijl grief 8 is gericht tegen de overweging in dit vonnis dat [appellant] zal hebben in te staan voor de door [geïntimeerde] gelden schade en tegen de overweging dat er causaliteit bestaat tussen het ongeval en de noodzaak tot het vervangen van de motor van de taxi, alsmede tegen de overweging dat er voor de hoogte van de schade aansluiting wordt gezocht bij de nota van Wubbena; voorts is deze grief gericht tegen de veroordeling van [appellant] in dit vonnis. 

15.   Naar het oordeel van het hof is voor de toedracht van het ongeval met de door [appellant] bestuurde taxi op 1 juni 2008 met name de wetenschap van de daarmee vervoerde passagiers van doorslaggevende betekenis. De passagiers [passagier 1], [passagier 2] en [passagier 3] hebben, tweemaal schriftelijk en éénmaal als getuige onder ede, op verschillende wijze over deze toedracht verklaard. Het hof deelt aldus de opvatting van de kantonrechter in het bestreden vonnis van 27 oktober 2011 dat deze getuigen zich niet hebben ontpopt als de meest betrouwbare kennisbronnen, maar niet zijn (kennelijke) oordeel dat (slechts) de eerste schriftelijke verklaringen van [passagier 1], [passagier 2] en [passagier 3] voldoende betrouwbaar zijn. Met de desbetreffende verklaringen is naar het oordeel van het hof [geïntimeerde] niet in zijn bewijs geslaagd. [geïntimeerde] heeft (ook) in hoger beroep bewijs aangeboden en kan desgewenst - naast de reeds in hoger beroep gehoorde getuigen - de twee andere passagiers doen horen. Ook omtrent de afgelegde verklaringen inzake het tweede bewijsthema plaatst het hof de nodige vraagtekens. [geïntimeerde] zal in de gelegenheid worden gesteld tot bewijslevering, zoals hierna wordt beslist. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. LJN BY3850

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies