Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Den Haag 110314 asbestzaak; glazenzetter/timmerman slaagt niet in bewijs blootstelling

Hof Den Haag 110314 asbestzaak; glazenzetter/timmerman slaagt niet in bewijs blootstelling

Het verdere verloop van het geding
Het hof verwijst voor het eerste deel van het geding naar zijn tussenarrest van 3 september 2013. In dit tussenarrest is de incidentele vordering van […] B.V. tot niet-ontvankelijkverklaring van [X] op grond van het dagvaarden van de verkeerde partij afgewezen, en heeft het hof verstaan dat [B] als geïntimeerde in hoger beroep moet worden aangemerkt. Tevens heeft het hof pleidooi bepaald. Dit pleidooi heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014. Van het pleidooi is een proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben het hof verzocht arrest te wijzen op het reeds overlegde (kopie-)dossier.
Hierna worden waar nodig met de aanduiding [B] ook haar rechtsvoorgangsters bedoeld.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
1.
Het hof stelt vast dat [X] geen grieven heeft gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 21 oktober 2011, zodat zij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep.

2.
Mr. Schijns heeft ter gelegenheid van het pleidooi desgevraagd te kennen gegeven dat [B] in haar memorie van antwoord heeft beoogd incidenteel appel in te stellen van het tussenvonnis van de rechtbank van 21 oktober 2011. De incidentele grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [Y] van 1965 tot 1972 in dienst is geweest van [B]. Mr. Ruers heeft ter gelegenheid van het pleidooi mondeling verweer gevoerd tegen de incidentele grief, waarbij hij heeft afgezien van een nadere schriftelijke memorie.

3.
Het hof zal eerst het principaal appel bespreken.

4.
De principale grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [X] niet is geslaagd in het bewijs dat [Y] tijdens zijn werkzaamheden voor [B] is blootgesteld aan asbest. In de toelichting op de grief wordt betoogd dat [X] wel degelijk heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijsplicht, terwijl [B] haar verweer onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Van [B] mocht, aldus [X], worden verwacht dat zij aangeeft met welke materialen [Y] heeft gewerkt en tevens dat deze materialen geen asbest bevatten.

5.
Het hof overweegt hierover het volgende. De bewijslast dat [Y] tijdens zijn werkzaamheden voor [B] is blootgesteld aan asbest, rust op [X]. Anders dan [X] heeft aangevoerd heeft [B] naar het oordeel van het hof wel degelijk gemotiveerd betwist dat [Y] tijdens zijn dienstverband bij [B] naast glaszetterswerkzaamheden ook renovatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd, en dat de materialen waarmee hij werkte asbest bevatten. Voor zover al moet worden aangenomen dat [Y] bij zijn glaszetterswerkzaamheden heeft gewerkt met asbesthoudende kit, heeft [B] gemotiveerd betwist dat de in de kit verwerkte asbestdeeltjes kunnen zijn vrijgekomen in de lucht. Het hof is van oordeel dat [B] haar verweer aldus voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Dat het leveren van bewijs voor [X] (dat [Y] naast glaszetterswerkzaamheden ook renovatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd en dat hij daarbij in aanraking is gekomen met asbest) zeer moeilijk is, omdat de werkzaamheden lang geleden hebben plaatsgevonden en [Y] zelf inmiddels is overleden, is weliswaar aannemelijk en begrijpelijk maar is onvoldoende voor een ander oordeel.

6.
Het hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat [X] niet in het door haar te leveren bewijs is geslaagd. Het hof overweegt hierover als volgt.

7.
In de brief van 4 oktober 2007 waarin [Y] [B] aansprakelijk heeft gesteld (productie 10 bij inleidende dagvaarding), heeft [Y] geen nadere toelichting gegeven met betrekking tot zijn mogelijke contact met asbest tijdens zijn werkzaamheden voor [B]. Wel heeft hij hierover op 21 september 2007 (telefonisch) gesproken met mevrouw[…], werkzaam bij het Instituut Asbestslachtoffers. In het rapport dat op basis van dit gesprek is opgesteld door het Instituut Asbestslachtoffers (productie 6 bij inleidende dagvaarding), en dat door [Y] ‘voor akkoord’ is ondertekend, is hierover vermeld: 

“Aansluitend is de heer [Y] gedurende de periode 1965-1973 als glazenzetter/timmerman in dienst geweest van de firma […] (…). Zijn dagelijkse werkzaamheden bestonden uit het beglazen en het verrichten van timmerwerkzaamheden. De Firma […] had een contract met de gemeente Rotterdam: al het onderhoud aan en reparatie/renovatie van gemeentelijk onroerend goed – woningen, kantoren, scholen, etc. – was uitbesteed aan de firma […]. Bij de onderhouds-/reparatie- en renovatiewerkzaamheden is de heer [Y] veelvuldig in aanraking gekomen met zachte en harde asbesthoudende (eternit)platen, alsmede met asbesthoudende golfplaten. De asbestplaten werden onder meer gebruikt achter de verwarmingen en onder de vensterbanken. De heer [Y] heeft oude, kapotte asbestplaten verwijderd. Hij heeft nieuwe asbestplaten op maat gezaagd, heeft er gaten in geboord en gemonteerd. Ook zijn collega’s hebben in zijn nabijheid met asbestmaterialen gewerkt.(…) Ook is de heer [Y] 6 x per jaar een dag werkzaam geweest in het ketelhuis van het gemeentelijk zwembad. Van ketelhuizen is bekend dat er zich veel asbestisolatiemateriaal in bevond, waardoor asbestblootstelling plaatsvond. (…) Zodoende is de heer [Y] naar zijn mening nagenoeg dagelijks, veelvuldig en op zowel directe als indirecte wijze (soms intensief) in de werkomgeving aan asbest blootgesteld.”

8.
Naast de door [Y] verstrekte informatie over zijn werkzaamheden voor [B], zoals deze blijkt uit het rapport van het Instituut Asbestslachtoffers, heeft de heer[S] als getuige een verklaring afgelegd. Nadat eerst door [X] een schriftelijke verklaring van [S] in de procedure was overgelegd, is [S] vervolgens nog twee maal als getuige door de rechtbank gehoord. Het hof constateert (met partijen) dat de verklaringen die [S] als getuige voor de rechtbank heeft afgelegd minder concrete feiten en omstandigheden bevatten dan zijn eerdere schriftelijke verklaring en daarmee, daarover expliciet doorgevraagd, niet in alle opzichten consistent zijn. Het hof is met [B] van oordeel dat de schriftelijke verklaring van [S] slechts kan bijdragen tot het bewijs voor zover deze verklaring door [S] als getuige voor de rechtbank is bevestigd. Voor zover [S] in zijn schriftelijke verklaring over meer feiten en omstandigheden heeft verklaard dan hij desgevraagd als getuige heeft kunnen bevestigen, wordt de schriftelijke verklaring als onvoldoende overtuigend buiten beschouwing gelaten. Als getuige heeft [S] verklaard:

“Ik heb met [Y] samengewerkt in de renovatie. Hij deed dan de renovatiewerkzaamheden en ik deed het glas. In zijn busje stonden dan ook de kozijnen en het hout. In totaal heb ik zo’n 3 à 4 jaar zo met hem samengewerkt. [Y] moest dan de platen zagen en de kozijnen op maat zagen. In de kozijnen zat asbest, maar met name boven de kozijnen, tussen de kozijnen en de muur, zat in het isolatiemateriaal wat toen gebruikt werd asbest. Ik weet dat dit nu bij al die scholen wordt verwijderd. Met name in de kitten, zoals Butuleen en Mari-kit, zat in die periode asbest verwerkt en daar werd door ons mee gewerkt. (…) Ik heb [Y] alleen zien zagen in vensterbanken en niet in andere materialen. Waar ik voorheen in mijn verklaring het had over het zagen in kozijnen, bedoelde ik vensterbanken. De kozijnen werden op maat aangeleverd. Ik weet niet meer hoe het materiaal van de vensterbanken heette, maar ik weet wel dat er toen een materiaal was voor vensterbanken, dat veel asbest bevatte. Waar ik bij was, heeft hij ook plafonds in die scholen gelegd. (…) Met plafonds vervangen bedoel ik dat hij platen uit een systeemplafond heeft verwijderd, en later weer teruggelegd, teneinde mogelijk te maken dat er kozijnen konden worden geplaatst en isolatiemateriaal kon worden aangebracht bij de kozijnen. (…) Dit isolatiemateriaal was steenwol en dat werd door [Y] aangebracht. (…) Bij het weghalen en het terugleggen van de plafondplaten heeft hij daar niets mee gedaan in de vorm van zagen of iets dergelijks. Andere dan deze werkzaamheden heb ik hem niet zien doen in deze scholen (…). In de jaren zestig hebben wij met Mari-kit gewerkt (…). Dit was een gevaarlijk goedje want als je het verwarmde, dan ontplofte het. Eerst later heb ik via internet begrepen dat dit werd veroorzaakt door de asbest die erin zat. Voor wat betreft de vensterbanken heb ik u al verklaard dat ik niet meer weet hoe dat materiaal heette. Wel weet ik dat als een vensterbank omviel, dat deze dan brak. Ik heb naderhand gehoord dat daar asbest in zat. Wanneer dat was, dat weet ik niet. Voor wat betreft het steenwol weet ik pas vrij recent dat daar asbest in zat. (…) Ik kan u niet een concrete school noemen, die toen gerenoveerd is.”

9.
[B] heeft, zoals reeds vermeld in rov. 5 van dit arrest, gemotiveerd betwist dat [Y] tijdens het dienstverband bij [B] naast glaszetterswerkzaamheden ook renovatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een brief overgelegd van Gemeentewerken Rotterdam aan Schildersbedrijf […] van 25 maart 1969, waarin de gemeente Rotterdam opdracht geeft om gedurende een periode van drie jaar in gemeentegebouwen te Rotterdam glas te plaatsen tegen de in die brief vermelde eenheidsprijzen. [B] stelt dat zij pas vanaf 1977 renovatiewerkzaamheden is gaan uitvoeren, en dat zij ook toen pas de daarvoor benodigde vergunningen heeft verkregen. Mr. Schijns heeft ter gelegenheid van het pleidooi desgevraagd nog verklaard dat het wellicht mogelijk is dat ook vóór 1977 al renovatiewerkzaamheden zijn verricht, maar dat dit niet aannemelijk is, in elk geval niet in relevante mate.

10.
Het hof acht op grond van de verklaring van [Y], zoals deze blijkt uit het rapport van het Instituut Asbestslachtoffers, gevoegd bij de getuigenverklaringen van [S], bewezen dat [Y] in de periode dat hij in dienst was van [B] naast glaszetterswerkzaamheden ook (al dan niet incidenteel) timmerwerkzaamheden heeft verricht. Deze hielden volgens [S] in: het plaatsen van kozijnen, het zagen van vensterbanken, het aanbrengen van isolatiemateriaal in de vorm van steenwol, en werkzaamheden aan de plafonds. Verder heeft [S] verklaard dat de kit die in die tijd werd gebruikt voor het afkitten van ramen asbest bevatte. Voor zover in het rapport van het Instituut Asbestslachtoffers nog gesproken wordt over andere werkzaamheden, zoals onder meer het werken met eternitplaten en asbesthoudende golfplaten, laat het hof deze buiten beschouwing nu er voor het verrichten van deze andere werkzaamheden door [Y] geen steunbewijs voorhanden is. De stelling van [X] dat bewezen is dat [Y] ook renovatiewerkzaamheden uitvoerde, en dat daarmee (voorshands) bewezen is dat hij bij die werkzaamheden is blootgesteld aan asbest nu aan het bewijs in dit soort zaken niet te hoge eisen mogen worden gesteld, volgt het hof niet.

11.
Over de – volgens de verklaring van [S] – door [Y] verrichte werkzaamheden overweegt het hof het volgende. De kozijnen werden, zoals [S] heeft verklaard, op maat aangeleverd. Dat deze kozijnen asbest bevatten en dat [Y] zaagwerkzaamheden aan de kozijnen heeft verricht is niet gesteld of gebleken. Wel heeft [S] verklaard dat [Y] vensterbanken heeft gezaagd, maar hij weet niet meer van welk materiaal de vensterbanken waren gemaakt en [X] heeft hierover in de procedure ook geen nadere gegevens kunnen verstrekken. Het hof verwerpt het standpunt van [X] dat het op de weg van [B] had gelegen om hiernaar bij de betreffende scholen nader onderzoek te doen. Dat er in die tijd vensterbanken bestonden die gemaakt waren van een asbesthoudend materiaal, is onvoldoende voor het bewijs dat ook de vensterbanken in de betreffende scholen waaraan [Y] zaagwerkzaamheden heeft verricht asbest bevatten. De werkzaamheden aan de plafonds hebben, aldus [S], slechts bestaan uit het verwijderen en later weer terug plaatsen van plafondplaten. Gesteld noch gebleken is dat de plafondplaten asbest bevatten en dat dit asbest bij deze werkzaamheden vrij kon komen. Wat betreft het isolatiemateriaal dat volgens [S] door [Y] is geplaatst heeft [S] verklaard dat dit steenwol betrof. Steenwol bevat echter, zoals mr. Ruers ter gelegenheid van het pleidooi heeft erkend, geen asbest. Dat de door [S] genoemde kit die in die tijd werd gebruikt (Mari-kit en Butuleen) asbest bevatte is niet komen vast te staan. [X] heeft in dit verband slechts een “Lijst van asbesthoudende materialen” overgelegd (productie 54 bij conclusie na enquête) waarop het product “Butyleenkit DX” is vermeld. Dat dit dezelfde kit betreft die [S] bedoelt is echter niet aannemelijk geworden, waarbij het hof erop wijst dat bij dit product op de lijst is vermeld dat het een tegellijm is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat een tegellijm gebruikt werd voor het afkitten van ramen. Daar komt bovendien nog bij dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin valt in te zien hoe asbestdeeltjes die zich in een kit bevinden bij het gebruik daarvan vrij kunnen komen in de lucht.

12.
Uit het bovenstaande volgt dat [X] niet is geslaagd in het bewijs dat [Y] tijdens zijn dienstverband bij [B] aan asbest blootgesteld is geweest, zodat haar vorderingen niet kunnen worden toegewezen. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het incidenteel appel behoeft geen behandeling meer. Ook de vraag of het beroep van [B] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals [X] stelt en [B] gemotiveerd betwist, behoeft bij gebrek aan belang geen behandeling. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. De door [B] bij memorie van antwoord gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als vermeld in het dictum.

13.
Het bewijsaanbod van [X] in hoger beroep wordt gepasseerd, nu in eerste aanleg reeds getuigen zijn gehoord en [X] niet aangeeft welk aanvullend getuigenbewijs zij nog wil en kan leveren van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot een andere beslissing.ECLI:NL:GHDHA:2014:648

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies