Artikelen

HR 050210 81 RO achteropaanrijding; voor toepassing omkerinsregel is vereist dat risico dat norm beoogd te beschermen zich heeft verwezenlijkt

Hoofdcategorie: Verkeersaansprakelijkheid
Categorie: Bewijsrechtelijke kwesties, omkeringsregel

HR 050210 81 RO achteropaanrijding; voor toepassing omkerinsregel is vereist dat risico dat norm beoogd te beschermen zich heeft verwezenlijkt
Uit de conclusie van AG Spier:
2.5.1 In zijn arrest van 9 september 2008 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd. Voor zover in cassatie van belang wordt overwogen:
"3.11 Het hof is van oordeel dat tegen de achtergrond van de onder 3.7 aangehaalde rechtspraak, in het onderhavige geval geen plaats is voor toepassing van de omkeringsregel. Van belang is dat vooralsnog onduidelijkheid bestaat over de toedracht van het ongeval. In geschil is immers, kort gezegd, of (i) [eiser] eerst zelfstandig op zijn voorganger [betrokkene 1] is gereden en [verweerder 1] pas daarna achterop [eiser] (standpunt Turien c.s.) of (ii) dat [eiser] tijdig achter [betrokkene 1] tot stilstand is gekomen en vervolgens [eiser] door toedoen van [verweerder 1] is doorgedrukt op [betrokkene 1] (standpunt [eiser]).
Weliswaar is [verweerder 1] van achteren op [eiser] ingereden en staat daarmee vast dat hij de norm van art. 19 RVV heeft geschonden, maar dat laat onverlet dat op grond van het door Turien gevoerde verweer in het licht van de vaststaande feiten allerminst vaststaat dat het risico waar die norm tegen beoogt te beschermen - te weten voorkoming van schade door aanrijdingen van achteren - wat betreft de door [eiser] geclaimde schade zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Niet is immers uit te sluiten dat die schade (schade aan de voorzijde van zijn auto en een whiplash) het gevolg is van eigen toedoen van [eiser] doordat hij eerst met zijn auto op zijn voorligger is gebotst, zoals Turien stelt. Bij die stand van zaken heeft te gelden dat [eiser] op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv dient te bewijzen dat causaal verband bestaat tussen het vaststaande onrechtmatig handelen van [verweerder 1] en de gestelde schade."

2.5.2 Het Hof heeft bepaald dat tegen zijn arrest beroep in cassatie kan worden ingesteld.

2.6 Namens [eiser] is tijdig cassatieberoep ingesteld dat door Turien c.s. is bestreden. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna Turien c.s. nog hebben gedupliceerd.

3. Bespreking van het cassatieberoep

3.1 Het middel komt op tegen rov. 3.11. Het neemt expliciet tot uitgangspunt dat (slechts) is vereist dat aannemelijk is dat het bedoelde gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt (in gelijke zin de s.t. van mr Van der Keur onder 2.1 en 2.4). Daarvan uitgaande worden twee "klachten" voorgedragen:
a) gezien de schending van art. 19 RVV moet de omkeringsregel worden toegepast;
b) het enkele feit dat [verweerder 1] [eiser] van achteren heeft aangereden, maakt aannemelijk dat het specifieke gevaar (waartegen art. 19 RVV bescherming beoogt te bieden) zich heeft verwezenlijkt.
Ik plaats "klachten" tussen aanhalingstekens omdat hetgeen onder b staat niet zozeer een klacht is maar veeleer een toelichting op de werkelijke klacht onder a.

3.2.1 De klacht onder a doet niet ter zake. Volgens het Hof staat allerminst vast dat het risico waartegen art. 19 RVV beoogt te beschermen zich heeft verwezenlijkt (rov. 3.11 tweede alinea). Kortom: volgens het Hof doet zich niet de situatie voor dat het tegendeel aannemelijk is. Nu dat, naar het middel tot uitgangspunt neemt, wel een voorwaarde is voor toepassing van de ingeroepen omkeringsregel faalt de klacht.
(...)
3.4 Het Hof heeft zijn oordeel over hetgeen allerminst vaststaat gebaseerd op "het door Turien gevoerde verweer in het licht van de vaststaande feiten". Bij dat verweer heeft het Hof klaarblijkelijk het oog op het verweer genoemd in rov. 4 van het vonnis in prima (het middel behelst terecht niet de klacht dat onduidelijk is waarop het Hof doelt). Onderdeel van dat verweer zijn de stellingen dat a) de achterzijde van de auto van [eiser] slechts zeer gering is beschadigd in vergelijking met de schade aan de voorzijde en b) de omstandigheid dat de auto van [verweerder 1] in het geheel geen schade had.

3.5 's Hofs oordeel, mede gebaseerd op de onder 3.4 genoemde omstandigheden, is volkomen feitelijk en geenszins onbegrijpelijk. Voor zover de hier veronderstelde klacht al voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. faalt zij dus.(1)

3.6 Deze zaak leent zich voor toepassing van art. 81 RO.
LJN BK7672

Deze website maakt gebruik van cookies