Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Almelo 141211 beroep op blokkeringsrecht ontneemt niet het recht op nadere bewijslevering; volgt benoeming nieuwe psychiater

Rb Almelo 141211 beroep op blokkeringsrecht ontneemt niet het recht op nadere bewijslevering; volgt benoeming nieuwe psychiater

2.17   [Eiseres] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Almelo op 19 mei 2008, kort gezegd en voor zover hier van belang, verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten, bestaande uit de benoeming van een neuropsycholoog, een psychiater en een revalidatie-arts. 
Univé heeft daartegen verweer gevoerd, middels een verweerschrift ingekomen ter griffie van de rechtbank Almelo, op 29 juli 2008. Univé heeft, kort gezegd en voor zover hier van belang, verzocht en gevraagd een verzoek tot het geven van een bevel tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek door een revalidatiearts en een neuropsycholoog af te wijzen en over te gaan tot benoeming van een deskundige psychiater. 

2.18   Bij beschikking van 12 september 2008 heeft de rechtbank, verkort weergegeven, het verzoek tot benoeming van een psychiater als deskundige toegewezen, het verzoek tot benoeming van een revalidatiearts als deskundige afgewezen en het verzoek tot benoeming van een neuropsycholoog als deskundige aangehouden in afwachting van wat de deskundige psychiater (te weten de heer W.H.J. Mutsaers) over de noodzaak van benoeming van een neuropsycholoog relateert en wat partijen daarover vervolgens aanvullend aanvoeren. 

2.19   [Eiseres] heeft vervolgens naar aanleiding van het door de psychiater, Mutsaers, uitgebrachte rapport besloten gebruik te maken van het haar toekomende blokkeringsrecht. Het rapport van Mutsaers maakt derhalve geen deel uit van de onderhavige procedure. 

3. Geschil 

3.1  de vordering 

[Eiseres] vordert hij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Univé te veroordelen: 
I  om aan [eiseres] ter zake de reeds geleden schade te vergoeden het bedrag van (bruto) € 75.770,20, althans het netto-equivalent daarvan, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente over de jaarschade per 31 december van het betreffende jaar, alsmede; 
II  te vergoeden de per 1 januari 2011 door [eiseres] geleden en nog te lijden schade wegens verlies aan verdienvermogen, bestaande uit het verschil tussen het inkomen dat zij zou hebben kunnen genereren indien haar het ongeval van 8 mei 1997 niet zou zijn overkomen, en het inkomen dat zij sedertdien feitelijk heeft gegenereerd en nog kan genereren, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat, alsmede; 
III  om aan [eiseres] te betalen ter zake de tot en met 2010 geleden schade wegens verlies aan zelfredzaamheid en zelfwerkzaamheid het bedrag van € 14.688,-, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente over de jaarschade per 31 december van het betreffende jaar, alsmede; 
IV  om aan [eiseres] te betalen ter zake de nog te lijden schade wegens verlies aan zelfredzaamheid en zelfwerkzaamheid het bedrag van € 24.504,24, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 1 januari 2011 (datum kapitalisatie) tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede; 
V  om aan [eiseres] te betalen ter zake de overige schade een bedrag van € 350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede 
VI  om aan [eiseres] ter zake de immateriële schade te vergoeden het bedrag van € 17.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 1997 tot aan de dag de algehele voldoening, alsmede 
VII   een bedrag van € 7.323,28 ter zake van buitengerechtelijke kosten; 
VIII om aan [eiseres] te verstrekken een deugdelijke fiscale garantie zoals door [eiseres] als productie 11 bij dagvaarding overgelegd, één en ander 
IX  met veroordeling van Univé in de kosten van de onderhavige procedure. 

3.2  het verweer 

Univé heeft verweer gevoerd, en geconcludeerd, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, dan wel haar de vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. 

4. Beoordeling 

4.1  Door Univé is aansprakelijkheid voor het ongeval en daaruit voorvloeiende schade in beginsel erkend. Univé bestwist evenwel de medische causaliteit tussen het ongeval en de gestelde klachten. Voorts betwist Univé dat er sprake is van zodanig medische beperkingen als gevolg van het ongeval dat die leiden tot schade in het verdienvermogen van [eiseres] en zelfredzaamheid. 

4.2  Het ligt op de weg van [eiseres] te stellen en bij betwisting te bewijzen, dat er sprake is van medische causaliteit tussen het ongeval en de door haar gepresenteerde klachten. Als die causaliteit komt vast te staan, dient vervolgens beoordeeld te worden of en in hoeverre de klachten leiden tot beperkingen en daarmee tot aantasting van het verdienvermogen en de zelfredzaamheid van [eiseres]. 

4.3  De verklaringen en verslagen vanuit de behandelend sector wijzen op (enige) ongevalsgerelateerde klachten, doch zijn niet voldoende om bewezen te achten dat de door [eiseres] gestelde en gepresenteerde klachten (allen) ongevalsgerelateerd zijn, noch dat deze leiden tot de beperkingen (en verdienvermogen en zelfredzaamheid) als door [eiseres] gesteld.
Deskundig neuroloog Vermeulen heeft op 26 februari 2001 rapport opgemaakt. Wat er ook van zij dat de een neuroloog op grond van de huidige richtlijn van de Vereniging voor Neurologie (inmiddels) niet (meer) de aangewezen deskundige is om ter zake van problematiek als de onderhavige een deskundigenrapport uit te brengen, neemt dit niet weg dat volgens de normen van toen dat wel het geval was. Vermeulen concludeert tot, kort gezegd, voortdurende aanwezige spanning- en inspanningsafhankelijke hoofdpijnklachten alsmede inspanningsafhankelijk optredende pijnklachten in de nek uitstralend naar de rechter schouder en de rechter bovenarm alsmede naar een gebied tussen de schouderbladen. Deze klachten kunnen geacht worden een rechtstreeks ongevalsgevolg te zijn. Geheugen-, concentratie- en stemmingstoornissen zijn door de neuropsycholoog niet aangetoond, doch zouden berusten op een mogelijk bij [eiseres] bestaand copingmechanisme. Voor zover beperkingen verdergaand zijn door een dergelijk copingmechanisme dienen die aan het ongeval te worden toegerekend. Thans staat evenwel (nog) niet vast dat er sprake is van geheugen-, concentratie en stemmingstoornissen. Derhalve kan ook dit rapport niet leiden tot de conclusie dat de stellingen van [eiseres] met betrekking tot de medische causaliteit zijn komen vast te staan, ook niet in combinatie met de overgelegde informatie uit de behandelende sector. Overigens achtte Vermeulen een medische eindtoestand na het ongeval bereikt ten tijde van zijn onderzoek/rapportage. 

4.4  [Eiseres], zich bewust van haar bewijspositie, heeft in het kader van een verzoek voorlopig deskundigenbericht benoeming van drie deskundigen verzocht, waarvan het verzoek, voor zover het de benoeming van een psychiater betrof, bij beschikking van 4 februari 2009 is toegewezen. [Eiseres] heeft zich ten aanzien van het door deze deskundige, Mutsaers, uitgebrachte rapport beroepen op het haar toekomende blokkeringsrecht. Dat ontneemt haar niet het recht op nadere bewijslevering. De rechtbank zal [eiseres] dan ook in de gelegenheid stellen alsnog nader bewijs te leveren door een deskundigenonderzoek, uit te voeren door een psychiater. Univé heeft zich daartegen verzet en wel omdat [eiseres] nu weet waar ‘de schoen wringt’ en op de conclusies in het rapport van Mutsaers kan inspelen. Univé heeft daarmee wel een punt, maar de rechtbank meent dat dit niet aan de benoeming van een nieuwe deskundige in de weg mag staan. De rechtbank zal, om mogelijk anticiperend gedrag van [eiseres] zoveel mogelijk te voorkomen, een aanvullende vraag, als hieronder geformuleerd, aan de deskundige voorleggen. Zo wordt, naar mag worden aangenomen, voldoende gewaarborgd dat de deskundige niet ‘om de tuin wordt geleid’. 

4.5  Nu [eiseres] van het blokkeringsrecht gebruik heeft gemaakt, zal zij (vooralsnog) zelf de kosten van een nieuw onderzoek dienen te dragen. 

4.6  De rechtbank stelt partijen voor als deskundige te benoemen prof. Dr. Koerselman, als psychiater verbonden aan het Sint Lucasziekenhuis te Amsterdam. Prof. Dr. Koerselman heeft inmiddels zijn bereidheid daartoe uitgesproken. De door hem in rekening te brengen (totaal) kosten bedragen € 4.000,- exclusief BTW, te voldoen door [eiseres]. De deskundige wenst het gehele bedrag bij wijze van voorschot te ontvangen. 
Partijen zullen in de gelegenheid gesteld worden zich over het voornemen tot benoeming van genoemde deskundige en het voorschot uit te laten. 

4.7  De te benoemen deskundige zal in ieder geval dezelfde vragen ter beantwoording voorgelegd moeten krijgen zoals de rechtbank die bij beschikking van 12 september 2008 ten behoeve van het door deskundige Mutsaers uit te voeren onderzoek heeft geformuleerd. Volledigheidshalve neemt de rechtbank die vragen hier over: 

Vraagstelling van mevrouw [eiseres] 
1.  De situatie na ongeval 

Dit onderdeel heeft tot doel inzicht te verschaffen in de huidige en toekomstige (verwachte) gezondheidssituatie van betrokkene. 
a)  Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verlopen van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? 
b)  Wilt u bij uw antwoord op de vragen 1a aangeven welke gegevens uw ontleent aan het relaas van betrokkene en welke u ontleent aan onderzoek van de door de u verkregen medische gegevens? 
c)  Wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek? 
d)  Wat is uw diagnose? 
e)  Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn? 
f)  Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, laatste druk), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging? 
g)  Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in haar huidige toestand in het dagelijkse leven, bij de vrijetijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en zo nodig, toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? 
h)  Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwachten in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? 
i)  Zo ja welke verbeteringen of verslechteringen verwacht u? 
j)  Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
k)  Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1f) en de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)? 

2.  De hypothetische situatie zonder ongeval 

Dit onderdeel heeft tot doel inzicht te verschaffen in de vraag of een causaal verband aanwezig is tussen het ongeval dat betrokkene overkwam en de door u in het vorige onderdeel geconstateerde klachten en afwijkingen. De vaststelling van het causaal verband vindt in het civiel aansprakelijkheidsrecht plaats aan de hand van een vergelijking tussen de huidige toestand van betrokkene (daaronder begrepen de prognose) en de hypothetische situatie waarin zij zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden. Onderstaande vragen hebben tot doel de hypothetische situatie zonder ongeval zo goed mogelijk in kaart te brengen. 
a)  Zijn er op uw vakgebied klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment al hadden kunnen ontstaan, als het ongeval betrokkenen niet was overkomen? 
b)  Voor zover u de vorige vraag bevestigend beantwoordt (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen hadden kunnen ontstaan? 
c)  Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1f) en welke beperkingen (als bedoeld in vraag 1g) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? 
Toelichting: meestal zal het niet mogelijk zijn om deze vragen (met namen de vragen 2b en 2c ) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied een mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft, wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt zeggen. 

Vraagstelling van Univé 
  1  Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk gemotiveerd aangeven: 
a)  wat zijn uw differentiaal diagnostische overwegingen en welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied, volgens de DSMIV classificatie? 
b)  Welke factoren spelen een rol bij de door betrokkene aangegeven klachten of verschijnselen? 
a)  Bestaan er restklachten en/of restverschijnselen die op medische gronden als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd? Zo ja, welke? 
b)  Welke van de huidige klachten en/of verschijnselen bestonden naar uw mening reeds voor het ongeval of zouden op enig moment ook zijn ontstaan als betrokkene het ongeval niet was overkomen? Kunt u daarbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn geweest? 
2.   a)   Welke beperkingen stelt betrokkene op uw vakgebied te ondervinden bij activiteiten van het dagelijkse leven, in de vrijetijdsbesteding en bij de beroepsuitoefening? 
    b)   Welke van deze beperkingen op uw vakgebied moeten als ongevalsgevolg worden beschouwd? 
  3.  Is er thans sprake van een relatief of definitieve eindtoestand met betrekking tot eventuele ongevalsgevolgen? 
  Zo nee, verwacht u nog een verbetering dan wel verslechtering ten opzichte van het huidige toestand beeld en op welke termijn kan een eindtoestand dan wel worden verwacht? 
  4.  Heeft u nog therapeutische suggesties, dan wel op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de casus van belang kunnen zijn? 
  5.  Acht u het noodzakelijk dat alsnog een neuropsycholoog als deskundige wordt benoemd? 

Voorts stelt de rechtbank voor daar de volgende vragen aan toe te voegen: 
1.  Kan de uitkomst van uw onderzoek door betrokkene worden beïnvloed nu zij reeds eerder een onderzoek door de heer W.H.J. Mutsaers heeft ondergaan, met dezelfde vraagstelling? Zo ja, op welke wijze? 

4.8  Voor zover Univé zich beroept op mogelijk bij [eiseres] aanwezige pre-existentie voor haar klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van Univé ligt die pre-existentie te bewijzen. Het ligt daarbij op de weg van [eiseres] inzicht in medische gegevens te geven, doch uit de verklaring van de huisarts blijkt dat medische informatie van voor 2001 niet meer voorhanden is omdat een vorige huisarts die gegevens heeft vernietigd. Nu vast staat dat, buiten de schuld en invloed van [eiseres] de informatie van voor 2001 niet meer beschikbaar is, komt dat voor rekening en risico van Univé. De door Univé genoemde omstandigheden dat uit informatie van de behandelend psycholoog blijkt dat [eiseres] een deel van de klachten al langere tijd met zich meedroeg en zij als gevolg van heimwee spanningsklachten heeft gehad, zijn onvoldoende om pre-existentie aan te nemen. Indien medische causaliteit komt vast te staan, zal het op de weg van Univé liggen nader bewijs te leveren voor de gestelde pre-existentie. 

4.9  Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 

5. Beslissing 

I.  Stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten omtrent de benoeming van de door de rechtbank voorgestelde deskundige prof. Dr. Koerselman, de (hoogte van) het voorgestelde voorschot en de (aanvullende) vraagstelling. 

II.  Stelt [eiseres] voorts in de gelegenheid zich uit te laten omtrent de vraag of zij bereid is een nieuw deskundigenonderzoek te ondergaan c.q. de kosten van het voorgestelde onderzoek te dragen. 

III.  Verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 18 januari 2012 voor het nemen van een akte aan de zijde van beide partijen, ambtshalve perempotoir! 

IV.  Houdt iedere verdere beslissing aan. LJN BU9111

Deze website maakt gebruik van cookies