Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBDHA 281021 of en in hoeverre verzoekster zich ten onrechte op blokkeringsrecht beroept, moet in bodemprocedure worden beoordeeld

RBDHA 281021 of en in hoeverre verzoekster zich ten onrechte op blokkeringsrecht beroept, moet in bodemprocedure worden beoordeeld.

2
De procedure tot nu toe

2.1.
In deze zaak is bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2018 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) een door [verzoeker] verzocht voorlopig deskundigenonderzoek bevolen, zoals bedoeld in artikel 202 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’). Het Hagaziekenhuis heeft zich niet verzet tegen het houden van voornoemd voorlopig deskundigenonderzoek. Conform het verzoek van partijen heeft de rechtbank dr. A.F. Bos, hoogleraar kindergeneeskunde (‘de deskundige’), benoemd tot deskundige.

2.2.
Partijen waren het eens over de vraagstelling aan de deskundige, die luidde als volgt:

Kunt u een zo volledig mogelijke en chronologische beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis van [dochter] tot op heden? Kunt u daarbij in elk geval aangeven welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat en wat de bevindingen waren bij onderzoek en aanvullend onderzoek?

Hebben de betrokken kinderartsen (-neonatalogen) naar uw oordeel gehandeld zoals op dat moment van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot verwacht mag worden of is er op enig moment sprake geweest van verwijtbaar, onzorgvuldig, onkundig dan wel nalatig medisch handelen?

Indien u meent dat er op enig moment sprake is geweest van verwijtbaar handelen, wilt u dan zo uitvoerig en beargumenteerd mogelijk aangeven waarin of waaruit dit verwijtbaar handelen heeft bestaan en hoe wel gehandeld had dienen te worden? En op welk moment?

Indien u meent dat er sprake is geweest van verwijtbaar medisch handelen kunt u dan aangeven wat hiervan naar uw oordeel eventuele nadelige gevolgen zijn of zijn geweest voor [dochter] ?

Heeft u naar aanleiding van deze casus nog verdere opmerkingen?

2.3.
[verzoeker] heeft het voorschot op de kosten van de deskundige van € 3.872 inclusief btw betaald.

2.4.
De rechtbank heeft partijen er in voornoemd vonnis op gewezen dat, indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij dient te verstrekken.

2.5.
De rechtbank heeft partijen er ook op gewezen dat zij wettelijk verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek door de deskundige, bij gebreke waarvan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. Deze verplichting is verwoord onder 1.5 en in het dictum onder 2.9.

2.6.
In het dictum van voornoemde beschikking is – voor zover relevant – beslist dat:
- de deskundige [verzoeker] in de gelegenheid moet stellen gebruik te maken van haar inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (‘BW’);
- indien [verzoeker] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, de deskundige een concept van dat rapport aan [verzoeker] (eventueel onder gesloten couvert via haar advocaat) moet toesturen en [verzoeker] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik wil maken van haar blokkeringsrecht (waarbij [verzoeker] zich van commentaar op het concept moet onthouden) en;
- indien [verzoeker] binnen die termijn meedeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen.

2.7.
Bij brief van 21 januari 2020 heeft de deskundige aan de rechtbank geschreven dat de conceptrapportage gereed is, dat hij deze die week aan de ouders zal sturen, zodat zij dit als eerste kunnen inzien en kunnen beslissen of ze gebruikmaken van het inzage- en blokkeringsrecht en dat hij er vanuit gaat dat ze daar geen gebruik van willen maken indien hij binnen twee weken geen reactie ontvangt, in welk geval hij de rapportage zal doorsturen naar partijen.

2.8.
In antwoord op een rappel van de rechtbank van 27 maart 2020 heeft de secretaresse van de deskundige bij e-mailbericht van 28 april 2020 bericht dat de deskundige half maart is uitgevallen wegens ziekte en dat hij daarvan nog niet is hersteld, maar dat hij zijn rapportage in de weken daarna zal proberen af te ronden.

2.9.
Bij e-mailbericht van 10 september 2020 heeft de secretaresse van de deskundige het volgende aan de rechtbank geschreven:

( ... ) . Het rapport is klaar maar prof. Bos wacht nog op reactie van mw. [verzoeker] (de verwachting is binnen een week) over het wel dan niet gebruik maken van het blokkeringsrecht.”

2.10.
In antwoord op bovenstaand e-mailbericht heeft de rechtbank partijen en de deskundige bij brief van 11 september 2020 bericht dat de zaak pro-forma wordt aangehouden tot 29 oktober 2020 in afwachting van het definitieve deskundigenrapport.

2.11.
Bij brief van 10 november 2020 heeft het ziekenhuis gevraagd naar de stand van zaken.

2.12.
Bij brief van 11 november 2020 heeft de rechtbank de deskundige gerappelleerd, hem verzocht de stand van zaken door te geven en gemeld dat de zaak pro-forma wordt aangehouden tot 10 december 2020.

2.13.
Bij brief van 21 december 2021 heeft [verzoeker] het ziekenhuis geschreven dat zij zich alle rechten richting het ziekenhuis voorbehoudt en dat de brief aldus dient te worden opgevat als een mededeling volgens artikel 3:317 BW ter stuiting van de lopende verjaringstermijn.

2.14.
Bij e-mailbericht van 22 december 2020 heeft de deskundige de rechtbank geschreven dat hij zijn werkzaamheden zal staken, aangezien de moeder hem op donderdag 17 december 2020 heeft laten weten “(toch)” gebruik te willen maken van haar blokkeringsrecht.

2.15.
Bij faxbericht van 22 december 2020 heeft het ziekenhuis verwezen naar het e-mailbericht van 10 september 2020 en geschreven dat de termijn om gebruik te kunnen maken van het blokkeringsrecht, verstreken is. Het ziekenhuis vraagt om een kopie van het deskundigenbericht.

2.16.
Bij brief van 24 december 2020 heeft de rechtbank de deskundige en partijen bericht dat de zaak pro-forma wordt aangehouden tot 28 januari 2021, in afwachting van de brief van de deskundige ter zake van het staken van zijn werkzaamheden.

2.17.
Bij brief van 6 januari 2021 heeft mr. J. Wildeboer de rechtbank bericht dat hij [verzoeker] in het vervolg zal bijstaan. Mr. Wildeboer bevestigt dat [verzoeker] gebruik heeft gemaakt van het blokkeringsrecht.

3
Het geschil

3.1.
Het verzoek van het ziekenhuis – kenbaar gemaakt bij brief van 13 januari 2020 in deze procedure - strekt ertoe te bepalen dat:
- de deskundige zijn concept-deskundigenbericht aan het ziekenhuis beschikbaar stelt althans, voor zover dat ziet op de beantwoording van de vragen 2 t/m 5 (2.2) althans, voor zover dat ziet op een beoordeling van de betrokken artsen en;
- de moeder eventueel tussen haar en de deskundige gevoerde correspondentie aan het ziekenhuis (alsnog in afschrift) dient te verstrekken ex artikel 198 lid 2 Rv.

3.2.
Het ziekenhuis legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag:
- de termijn om zich te kunnen beroepen op het blokkeringsrecht is verstreken op 24 september 2020;
- het blokkeringsrecht van artikel 7:464 lid 2 onder b BW is in deze medische aansprakelijkheidszaak niet van toepassing. De beoordeling van de deskundige is niet gericht op de beoordeling van de gezondheidstoestand van de dochter als bedoeld in artikel 7:446 lid 4 BW, maar op de vraag of de betrokken artsen onzorgvuldig hebben gehandeld. Het blokkeringsrecht is in ieder geval niet van toepassing op de vragen 2 t/m 5, die juist daarop zien. In ieder geval is niet duidelijk welk belang de moeder heeft om zich thans namens haar dochter te beroepen op het blokkeringsrecht. De enige legitieme reden is bescherming van de privacy. Dat dit de reden is, is gesteld noch gebleken en dit valt ook niet in te zien, gelet op genoemde aard van het onderzoek. Daarnaast betwist het ziekenhuis dat de moeder zich namens haar dochter kan beroepen op het blokkeringsrecht, nu de dochter inmiddels 16 jaar oud is (artikel 7:450 BW);
- het ziekenhuis heeft een zwaarwichtig belang bij inzage, voor zover het de beoordeling van het handelen van de betrokken artsen betreft. Gelet op de stuitingshandelingen van [verzoeker] moet het ziekenhuis zich op haar positie kunnen beraden;
- de door [verzoeker] aan de deskundige(n) gezonden correspondentie valt niet onder het blokkeringsrecht van artikel 7:464 lid 2 sub b BW. [verzoeker] is gehouden die correspondentie te verstrekken aan het ziekenhuis.

3.3.
[verzoeker] voert verweer en concludeert tot afwijzing. [verzoeker] voert aan dat de zaak niet geschikt is voor behandeling in deze procedure, dat het bezwaar tegen het (toekennen van het) beroep op het blokkeringsrecht tardief is en zij betwist dat zij de reactietermijn heeft overschreden. De deskundige heeft haar op 14 september 2020 geschreven dat hij de rechtbank ten onrechte had bericht dat het conceptrapport gereed was. Op 5 oktober 2020 heeft [verzoeker] de deskundige gevraagd om meer tijd en heeft zij hem laten weten dat zij voor zover nodig gebruikmaakte van het blokkeringsrecht, waarmee hij heeft ingestemd. Op 15 december 2020 heeft de deskundige [verzoeker] een finale termijn van één week gegeven.

3.3.1.
[verzoeker] betwist dat zij inzage in de conceptrapportage moet verstrekken. Het blokkeringsrecht is een fundamenteel recht. Uit rechtspraak volgt dat ook in situaties als deze de verzoekende partij een blokkeringsrecht toekomt. Degene die zich daarop beroept, hoeft dit niet toe te lichten. In hoeverre (de bescherming van de) privacy een rol speelt is lastig te toetsen, maar een en ander is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat de dochter van [verzoeker] de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, doet niets af aan het feit dat de rechtbank heeft bepaald dat de ouders een blokkeringsrecht toekomt.

3.3.2.
[verzoeker] maakt bezwaar tegen het verstrekken van een afschrift van haar correspondentie met de deskundige. Het ziekenhuis tracht zo via een omweg en op oneigenlijke wijze zicht te krijgen op de inhoud van het deskundigenrapport. Bij verstrekking van een integraal afschrift van alle correspondentie wordt het blokkeringsrecht uitgehold. Indien [verzoeker] daartoe toch gehouden wordt, verzoekt zij te bepalen dat de medisch inhoudelijke gedeelten zwart gemaakt worden. Indien het ziekenhuis inzage in de conceptrapportage dan wel haar correspondentie met de deskundige wenst af te dwingen, dient zij een vordering op grond van artikel 843a Rv in te stellen.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4
De beoordeling

4.1.
De rechtbank gaat ervan uit dat [verzoeker] zich tijdig op haar blokkeringsrecht heeft beroepen. Niet staat vast wanneer [verzoeker] de conceptrapportage van de deskundige heeft ontvangen. [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de deskundige op 5 oktober 2020 heeft gevraagd om extra bedenktijd en dat zij daarbij heeft gemeld dat zij “voor zover nodig” gebruikmaakte van het blokkeringsrecht, waarmee de deskundige volgens haar heeft ingestemd. Daar heeft het ziekenhuis niets tegenover gezet. Vervolgens heeft zij hierin volhard door op 17 december 2020 aan de deskundige te berichten dat zij, zoals de deskundige het op 22 december 2020 beschrijft (2.14), “toch” gebruik wilde maken van het blokkeringsrecht. De deskundige heeft dit als tijdig beschouwd en heeft daarna, conform de instructie in de beschikking, zijn werkzaamheden gestaakt. Uit een eerder bericht van de deskundige van 21 januari 2020 (2.7) blijkt verder dat de deskundige wist dat hij conform de instructie in de beschikking (2.6), de rapportage diende door te sturen, indien hij van [verzoeker] geen reactie had ontvangen binnen de daartoe gestelde termijn. De deskundige heeft dit niet gedaan. Bij deze stand van zaken zijn er onvoldoende gronden voor de conclusie dat [verzoeker] zich niet tijdig heeft beroepen op het blokkeringsrecht, zoals het ziekenhuis heeft betoogd.

4.2.
De conclusie is dan ook dat de deskundige zijn werkzaamheden op goede gronden is gestaakt. Hiermee is de procedure tot een voorlopig deskundigenbericht op verzoek van [verzoeker] geëindigd.

4.3.
Anders dan het ziekenhuis beoogt, zijn er geen gronden om in de onderhavige procedure het beroep van [verzoeker] op het blokkeringsrecht ongegrond te verklaren en de deskundige alsnog te verzoeken de rechtbank en partijen de concept deskundigenrapportage te doen toekomen. De rechtbank acht van belang dat het ziekenhuis niet in hoger beroep is gekomen van haar beschikking van 9 juli 2018. Die beschikking, met de daarin vervatte instructie aan de deskundige, is dan ook onherroepelijk geworden. Honorering van het verzoek van het ziekenhuis zou neerkomen op een verkapt appel.

4.4.
De rechtbank acht het belang van het ziekenhuis bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep van [verzoeker] op het blokkeringsrecht invoelbaar. Dit nu [verzoeker] kennelijk enerzijds zich beroept op blokkering van het deskundigenrapport en anderzijds niet wil berusten in de gestelde aansprakelijkheid van het ziekenhuis nu zij opnieuw de verjaring van haar rechtsvordering heeft gestuit. Dit terwijl met de tijd de kennis en ervaring van artsen over het ziektebeeld van de dochter van [verzoeker] verwatert omdat dit ziektebeeld nu niet meer voorkomt, zoals het ziekenhuis onweersproken naar voren heeft gebracht. Van een redelijk handelend procespartij mag worden verwacht dat deze haar bevoegdheid om zich te beroepen op blokkering van de conceptrapportage van de deskundige en haar bevoegdheid tot stuiting van een lopende verjaringstermijn niet misbruikt. Tegelijkertijd kan in deze procedure aan de handelwijze van [verzoeker] niet de gevolgtrekking worden verbonden dat [verzoeker] zich ten onrechte op haar blokkeringsrecht beroept. De rechtbank beschikt gelet op de aard van deze procedure ook niet over de informatie om dit te beoordelen. Of en in hoeverre [verzoeker] zich ten onrechte beroept op blokkering van het deskundigenrapport dient in beginsel in een bodemprocedure te worden beoordeeld. Indien het ziekenhuis om haar moverende redenen meer hecht aan definitief uitsluitsel over haar eventuele aansprakelijkheid tegenover de onzekerheid over de vraag of [verzoeker] op enig moment zal gaan procederen, is het procesinitiatief aan het ziekenhuis zelf.

4.5.
Met de blokkering van het conceptrapport van de deskundige zijn er in deze procedure evenmin gronden om [verzoeker] aan het ziekenhuis haar correspondentie met de deskundige te doen toekomen.

Slotsom

4.6.
De verzoeken van het ziekenhuis zullen niet worden ingewilligd. ECLI:NL:RBDHA:2021:12539

Deze website maakt gebruik van cookies