Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Noord-Holland 291015 lekkende borstprothese; geen aansprakelijkheid vanwege informed consent; oorzaak scheur vereist bewijslevering

Rb Noord-Holland 291015 lekkende borstprothese; geen aansprakelijkheid vanwege informed consent; oorzaak scheur vereist bewijslevering; 
- eiswijziging na mondelinge behandeling deelgeschil nog mogelijk, ic niet in strijd met goede procesorde;

- kosten gevorderd obv 19:15 uur, begroot obv 15 uren x € 298,00 x 1,27 + griffierecht, totaal € 5.958,90

3 Het geschil

3.1.
Bij verzoekschrift heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

1. te verklaren voor recht dat Medinova aansprakelijk is voor alle reeds door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade voortvloeiend uit de door haar op 28 juni 2006 ondergane borstvergrotingsoperatie, nadien ontstane complicaties en dientengevolge op 12 april 2012 door haar ondergane operatie ter verwijdering van de borstimplantaten;

2. Medinova te bevelen om binnen zeven dagen na deze beschikking zorg te dragen voor betaling aan haar van een voorschot van € 5.000,00 op een nader door [verzoekster] op te geven bankrekeningnummer ter voorlopige dekking van de reeds door haar geleden nog te lijden materiële en immateriële schade;

3. op grond van artikel 1019aa Rv de kosten van [verzoekster] te begroten op € 7.332,94 en Medinova te bevelen dit bedrag binnen zeven dagen na deze beschikking te vergoeden door overmaking op een nadere daartoe door [verzoekster] op te geven bankrekeningnummer.

3.2.
Bij brief van 18 juni 2015 heeft [verzoekster] haar verzoek gewijzigd in die zin dat onderdeel I thans luidt:

primair: 
voor recht te verklaren dat Medinova aansprakelijk is voor alle reeds door [verzoekster] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, voortvloeiend uit de schending van de informatieplicht door Medinova voorafgaand aan de door [verzoekster] op 28 juni 2006 ondergane borstvergrotingsoperatie;

subsidiair: 
voor recht te verklaren dat Medinova aansprakelijk is voor alle reeds door [verzoekster] geleden nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, voortvloeiend uit de door Medinova gebruikte c.q. afgeleverde gebrekkige (hulp)za(a)k(en).

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.

4 De beoordeling

verzoek

4.1.
Allereerst ligt de vraag voor of in dit deelgeschil moet worden beslist op het gewijzigde verzoek of op het verzoek zoals oorspronkelijk ingediend. Medinova maakt bezwaar tegen wijziging van het verzoek. Zij betoogt dat een dergelijke wijziging in dit stadium van het deelgeschil ontoelaatbaar is, omdat een mondelinge behandeling al heeft plaatsgevonden.
De rechtbank stelt voorop dat het deelgeschil een verzoekschriftprocedure is. Op grond van artikel 283 Rv is [verzoekster] onder meer bevoegd het verzoek of de gronden daarvan schriftelijk te veranderen of te vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. Het bepaalde in artikel 130 lid 2 Rv, dat eveneens van toepassing is, brengt mee dat de rechtbank de verandering of vermeerdering kan weigeren wegens strijd met de goede procesorde. Het wijzigingsverzoek van [verzoekster] is daarmee niet in strijd. Zo is niet gebleken dat het wijzigingsverzoek leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure of dat Medinova onredelijk bemoeilijkt wordt in de mogelijkheid om verweer te voeren. Bij dit laatste is in aanmerking genomen dat de gronden van het verzoek grotendeels ongewijzigd zijn gebleven en Medinova in de gelegenheid is gesteld op het gewijzigde verzoek te reageren. Zij heeft dat ook gedaan in haar brief van 30 juli 2015.
In het navolgende zal de rechtbank daarom beslissen op het verzoek van [verzoekster] , zoals gewijzigd bij laatstgenoemde brief.

ontvankelijkheid

4.2.
Nu dient zich de vraag aan of het gewijzigde verzoek zich leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in de artikelen 1019w-1019cc Rv. De deelgeschilprocedure biedt partijen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de onderhandelingen. De rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.
Medinova wijst erop dat partijen geen buitengerechtelijke onderhandelingen gevoerd hebben, dat zij van mening verschillen over de relevante feiten, de aansprakelijkheid, causaal verband en de schadeomvang, dat partijen principieel van mening verschillen over de aansprakelijkheidsvraag en dat nadere bewijslevering nodig is. Er is geen reële verwachting dat een beslissing in het deelgeschil (wezenlijk) bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst c.q. een minnelijke regeling.
De zaak leent zich daardoor niet voor beslechting in een deelgeschilprocedure, aldus Medinova.

4.3.
De rechtbank stelt voorop dat uit het verzoekschrift blijkt dat tussen partijen in de eerste plaats in geschil is of Medinova aansprakelijk is voor schade die [verzoekster] stelt te lijden en nog te zullen lijden als gevolg van het bij haar geplaatste borstimplantaat. Deze kwestie leent zich naar het oordeel van de rechtbank, in tegenstelling tot wat Medinova betoogt, wel voor behandeling in het kader van een deelgeschil. Een beslissing over de aansprakelijkheid kan er immers toe bijdragen dat alsnog een traject van buitengerechtelijke onderhandelingen wordt gestart. Dat er tot op dit moment nog geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden, leidt dan ook niet tot de conclusie dat [verzoekster] in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien de rechtbank bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak tot het oordeel komt dat nadere bewijslevering aan de orde is, kan dat weliswaar een grond opleveren voor afwijzing van het verzoek, maar dit brengt geen niet-ontvankelijkheid van het verzoek met zich.

verjaring

4.4.
Na de zitting, te weten bij brief van 30 juli 2015, heeft Medinova zich op het standpunt gesteld dat het eerste verzoek (zoals gewijzigd) wat betreft het primaire onderdeel daarvan moet worden afgewezen, omdat dit verzoek verjaard is. Medinova betoogt in dit kader dat [verzoekster] er uiterlijk op 28 juni 2006 over is geïnformeerd dat de prothese kapot zou kunnen gaan. Medinova verwijst hiervoor naar het aan [verzoekster] verstrekte ‘garantiebewijs’. Indien [verzoekster] voorafgaand aan de ingreep daar daadwerkelijk niet bekend mee zou zijn geweest – hetgeen Medinova bestrijdt – was [verzoekster] er al op 28 juni 2006 mee bekend dat zij gebrekkig was voorgelicht. Vervolgens heeft [verzoekster] een periode van vijf jaar laten verstrijken zonder een rechtsgeldige stuiting te verrichten, aldus Medinova.
Naar het oordeel van de rechtbank miskent Medinova in haar betoog dat [verzoekster] op 28 juni 2006 nog niet bekend was met de thans door haar gestelde schade, waardoor van een aanvang van een verjaringstermijn op die datum geen sprake was. Het verweer van Medinova wordt daarom gepasseerd.

informatieplicht

4.5.
[verzoekster] legt aan het onder 3.2. primair verzochte ten grondslag dat zij niet door [naam plastisch chirurg 1] en/of Medinova is ingelicht over de risico’s die de behandeling met zich brengt, waaronder in het bijzonder het risico op lekkage van een borstimplantaat en de daarmee verband houdende gezondheidsrisico’s. [verzoekster] was zelf niet op de hoogte van een dergelijk risico. Bij een cosmetische operatie, zoals een borstvergroting, bestaat er geen dringende medische indicatie en kan de patiënt na duidelijke voorlichting over het risico zonder problemen van de voorgenomen operatie afzien. Indien [verzoekster] wel was geïnformeerd over de risico’s, zou zij daadwerkelijk als redelijk handelend patiënt en/of om redenen van persoonlijke aard niet voor de behandeling hebben gekozen. Dit blijkt wel uit het feit dat zij, nu zij bekend is met de risico’s die een borstvergroting met zich kan brengen, er niet voor heeft gekozen een (vervangend) implantaat te laten inbrengen. Dit ondanks de haar moverende redenen die zij had voor een borstvergroting, aldus [verzoekster] .

4.6.
Medinova bestrijdt dat zij tekort zou zijn geschoten in de informatievoorziening. [verzoekster] is voorafgaand aan de ingreep op 28 juni 2006 uitvoerig door [naam plastisch chirurg 1] geïnformeerd over de ingreep en de daaraan verbonden risico’s, waaronder ook het risico van het scheuren van een borstimplantaat en het risico op het optreden van kapselvorming c.q. een kapselcontractie.
Daarnaast betwist zij dat er een causaal verband bestaat met de schade. In de eerste plaats betoogt zij in dit verband dat niet kan worden aangenomen dat [verzoekster] niet (anderszins) met dit risico bekend was. Het risico dat borstprotheses kunnen scheuren, lekken of kapot kunnen gaan is een feit van algemene bekendheid. Dat geldt ook voor kapselvorming. Op internet wordt daarover veel informatie gegeven. [verzoekster] heeft zich voorafgaand aan de ingreep ongetwijfeld hier meer in verdiept. In de tweede plaatst voert Medinova aan dat niet kan worden aangenomen dat [verzoekster] van de ingreep zou hebben afgezien indien zij wel over dat risico was geïnformeerd. Aan het plaatsen van borstprotheses is immers inherent dat deze kunnen scheuren. Dit weerhoudt vrouwen er wereldwijd niet van om te kiezen voor een borstvergroting. Dat dit voor [verzoekster] anders zou hebben gelegen en dat zij wel van de uitgevoerde ingreep zou hebben afgezien is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen. De bewijslast hiervan rust op [verzoekster] , aldus Medinova.

4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. De overeenkomst die tussen partijen is gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:445 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7:448 lid 1 BW brengt voor Medinova als hulpverlener de plicht met zich om [verzoekster] op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk, in te lichten over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van [verzoekster] . Bij het uitvoeren van deze verplichting dient Medinova zich op grond van artikel 7:448 lid 2 BW te laten leiden door hetgeen [verzoekster] redelijkerwijs dient te weten, onder meer ten aanzien van de te verwachten gevolgen en risico’s voor de gezondheid van [verzoekster] .
De hiervoor omschreven verplichtingen komen erop neer dat Medinova, bij monde van [naam plastisch chirurg 1] , gehouden was aan [verzoekster] de informatie te verstrekken die zij redelijkerwijze nodig had voor het nemen van een afgewogen beslissing. In het kader van de stelling dat Medinova deze verplichting heeft geschonden rust op Medinova een verzwaarde stelplicht; zij kan niet volstaan met een ontkenning van de beschuldiging dat sprake is van het ontbreken van informed consent maar dient concreet te maken dat [verzoekster] wel degelijk voldoende is geïnformeerd. Indien aan de verzwaarde stelplicht is voldaan, rust vervolgens op [verzoekster] de bewijslast van de stelling dat niet aan de informatieverplichting is voldaan.

4.8.
[verzoekster] stelt dat zij voorafgaand aan de behandeling niet door [naam plastisch chirurg 1] en/of Medinova is ingelicht over de risico’s die de behandeling met zich brengt, waaronder de risico’s op lekkage van het borstimplantaat en daaraan gerelateerde gezondheidrisico’s. Volgens [verzoekster] was er daardoor geen sprake van informed consent. Medinova betwist gemotiveerd dat [verzoekster] niet geïnformeerd zou zijn en voert daartoe concreet aan welke informatie [naam plastisch chirurg 1] haar voorafgaand aan de operatie heeft gegeven. Gelet op die betwisting is de juistheid van de stelling van [verzoekster] dat zij niet geïnformeerd was over meergenoemde risico’s, in dit deelgeschil niet komen vast te staan.

4.9.
De rechtbank is echter van oordeel dat, zelfs als op enig moment zou komen vast te staan dat [verzoekster] voorafgaand aan de ingreep op 28 juni 2006 niet op adequate wijze geïnformeerd zou zijn over de risico’s die gepaard gaan met het plaatsen van borstprotheses van het merk en type zoals bij [verzoekster] zijn ingebracht, dit niet tot aansprakelijkheid van Medinova in verband hiermee zou kunnen leiden. Het niet voldoen aan de informatieverplichting kan immers slechts tot aansprakelijkheid leiden indien de patiënt vervolgens stelt en bij betwisting bewijst dat hij, indien hij wél volledig zou zijn geïnformeerd, zou hebben afgezien van de operatie. [verzoekster] heeft aldus gesteld en er in dat kader op gewezen dat zij na verwijdering van de borstimplantaten geen nieuwe heeft laten plaatsen. De borstvergroting betrof geen medisch noodzakelijke operatie, maar een cosmetische, zodat zij zonder problemen had kunnen afzien van de operatie. Ter zitting heeft zij gesteld dat als zij vooraf had geweten van de problemen die zich met de implantaten hebben voorgedaan, zij niet tot een borstvergrotingsoperatie had besloten.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] hiermee onvoldoende gesteld om haar toe te laten tot het bewijs van haar stelling. De rechtbank beschouwt het feit dat borstprotheses kunnen scheuren en lekken anders dan Medinova niet als een feit van algemene bekendheid, maar stelt wel vast dat het een wijd verbreid feit is en dat hierover veel informatie te vinden is, bijvoorbeeld op internet. Ook in de periode dat [verzoekster] de borstvergrotingsoperatie onderging was dit al het geval. Medinova heeft er terecht op gewezen dat het risico op scheuren en lekken duizenden vrouwen er niet van weerhoudt toch een borstvergrotingsoperatie te ondergaan, waarbij zij er ook op heeft gewezen dat de McGhan Style 410ST-FM protheses behoren tot het meest veilige type protheses ter wereld en dat de siliconengel door de viscositeit vrijwel niet door de enveloppe heen kan lekken waardoor de kans op lekkage relatief klein is. Protheses hebben bovendien als zodanig een beperkte levensduur, waarmee [verzoekster] ook bekend was, zoals namens haar ter zitting is erkend. [verzoekster] heeft ter zitting gesteld dat zij al een tijd van tevoren bezig was met de eventuele operatie en dat zij er heel lang voor heeft gespaard. Dat zij nu, geconfronteerd met een opgetreden risico, stelt geen operatie te hebben gewild als zij dit vooraf had geweten en nu ook geen nieuwe implantaten heeft laten plaatsen, is onder die omstandigheden onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat zij destijds, indien zij door [naam plastisch chirurg 1] van alle risico’s op de hoogte was gesteld, van de operatie had afgezien. Ook het feit dat het om een cosmetische operatie ging en dus niet om een medisch noodzakelijke, kan deze conclusie niet dragen. Juist voor dit soort niet-noodzakelijke ingrepen bestaat bij de patiënt doorgaans een sterke intrinsieke motivatie. Dat dit bij [verzoekster] anders was blijkt niet uit haar stellingen. Het causaal verband tussen de gestelde schending van de informatieplicht en de schade is daardoor niet vast komen te staan.

4.10.
Hetgeen hiervoor werd overwogen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek om voor recht te verklaren dat Medinova aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] voortvloeiende uit schending van de informatieplicht, niet toewijsbaar is.

4.11.
Daarmee komt de rechtbank toe aan beoordeling van het onder I subsidiair geformuleerde verzoek, dat ertoe strekt voor recht te verklaren dat Medinova aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] , voortvloeiende uit door Medinova gebruikte c.q. afgeleverde gebrekkige hulpzaken.

4.12.
[verzoekster] legt aan dit verzoek ten grondslag dat Medinova gebruik heeft gemaakt van een gebrekkige hulpzaak zoals bedoeld in artikel 6:77 BW. [verzoekster] stelt dat het gebruikte implantaat niet geschikt was voor het beoogde doel. De lekkage van de prothese is te wijten aan ofwel een fout van Medinova bij het inbrengen van de prothese ofwel aan een spontane ruptuur door een gebrek in de prothese zelf. In beide gevallen is een ongeschikte zaak ingebracht. [verzoekster] heeft de nadelige gevolgen van de ongeschiktheid van de hulpzaak ervaren. Zij heeft daardoor moeten lijden onder pijnklachten in en rond de borst. Die pijn, in combinatie met de bultjes en plooien die veroorzaakt werden door de lekkage, was de reden voor meerdere consulten en het uiteindelijke verwijderen van de implantaten.
De tenzij-gronden die genoemd staan in voornoemd artikel, doen zich volgens [verzoekster] niet voor.

4.13.
Medinova bestrijdt dat de McGhan-protheses die bij [verzoekster] zijn ingebracht, gebrekkig zijn. Zij wijst erop dat McGhan-protheses worden beschouwd als een van de meest betrouwbare c.q. veilige protheses. Dat mogelijk bij het verwijderen van de borstprotheses een scheur in de enveloppe is opgetreden, moet worden gezien als een niet verwijtbare complicatie. Dit komt vaker voor. Ook als aangenomen zou moeten worden dat de desbetreffende prothese al gescheurd was vóór het verrichten van de verwijderingsingreep, betekent dat nog niet dat de protheses gebrekkig zijn. Aan elke borstprothese kleeft dat risico. Gelet op het feit dat het hier gaat om een risico dat inherent is aan een borstprothese, rechtvaardigt verwezenlijking van dat risico zes jaar na plaatsing ook niet het bewijsvermoeden dat de prothese (dus) gebrekkig was.
Als niettemin in rechte kan worden aangenomen dat de protheses gebrekkig waren, bestrijdt Medinova dat zij daarvoor aansprakelijk is. Het gaat in dat geval om gebreken die voor deskundige gebruikers niet te onderkennen waren. Het is ook niet redelijk de gevolgen daarvan aan Medinova toe te rekenen. Het ging om een volstrekt gangbaar product dat uitvoerig was getest, aan de meest strenge veiligheidsnormen voldeed en (wereldwijd) op grote schaal werd toegepast. Als [verzoekster] zich elders had laten behandelen, was de kans groot dat zij dezelfde implantaten had gekregen, aldus Medinova. Zij betwist voorts dat er een relatie bestaat tussen de door [verzoekster] gestelde klachten en het gescheurd zijn van de prothese.

4.14.
De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de enveloppe van de rechter borstprothese bij verwijdering van de borstprothese gescheurd bleek en dat de scheuring dus daarvóór al was ontstaan. Dit blijkt uit het operatieverslag en is blijkens de brief van VvAA van 10 september 2013 door [naam plastisch chirurg 3] nadien ook expliciet bevestigd. VvAA heeft in die brief ook uitdrukkelijk erkend dat de lekkage dus niet is ontstaan als een complicatie bij het verwijderen van de rechter prothese. Bezien in dat licht acht de rechtbank de stelling van Medinova dat de ruptuur bij de verwijderingsoperatie kan zijn opgetreden, volstrekt onvoldoende onderbouwd.
Partijen verschillen van mening over de vraag waardoor de scheur in de enveloppe heeft kunnen ontstaan. [verzoekster] noemt als oorzaak een fout van Medinova bij het inbrengen van de prothese of een spontane ruptuur door een gebrek in de prothese, waarbij zij aangeeft dat de scheurvorming al kort na de plaatsing is ontstaan en de prothese bij verwijdering niet alleen gescheurd, maar als een kleverige massa werd aangetroffen. Medinova betwist dat de prothese gebrekkig was en stelt dat sprake is van de verwezenlijking van een inherent risico, waarbij mogelijk ook kapselvorming een rol heeft gespeeld.

4.15.
De rechtbank overweegt dat indien een fout is gemaakt bij het inbrengen van de prothese, kennelijk geen sprake is geweest van een gebrekkige hulpzaak. Deze stelling van [verzoekster] , die zij verder overigens ook niet heeft onderbouwd, kan de daaraan verbonden conclusie dus niet dragen. De stelling dat de ruptuur is te wijten aan een gebrek in de prothese, is in deze procedure niet komen vast te staan, gelet op de betwisting door Medinova. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig, bijvoorbeeld in de vorm van onderzoek naar de oorzaak van de ruptuur door een deskundige op het gebied van borstprotheses. Het ligt in de rede daarbij ook de vraag te betrekken of, indien kan worden vastgesteld dat de ruptuur is toe te schrijven aan een gebrek, de door [verzoekster] gestelde gevolgen daarvan ook daadwerkelijk aan die ruptuur zijn toe te schrijven, nu ook dit tussen partijen ter discussie staat. Gelet op de tijd en inspanning die met bewijslevering c.q. een deskundigenonderzoek is gemoeid, leent een deelgeschilprocedure zich daarvoor niet.
Reeds omdat de oorzaak van de scheurvorming van de rechter-prothese niet vast staat, kan in de onderhavige procedure niet geoordeeld worden dat er sprake is van een gebrekkige hulpzaak waarvoor Medinova aansprakelijk is. Daarom wordt ook het onder I subsidiair geformuleerde verzoek afgewezen.

voorschot schadevergoeding

4.16.
De rechtbank ziet geen aanleiding om Medinova te veroordelen om aan [verzoekster] een voorschot op schadevergoeding te betalen. Uit hetgeen hiervoor werd overwogen, volgt immers dat aansprakelijkheid van Medinova op dit moment niet vast staat.

kosten deelgeschil

4.17.
Nu aansprakelijkheid van Medinova niet vast staat, zal alleen worden overgegaan tot begroting van de kosten van het deelgeschil en niet, zoals [verzoekster] ook verzoekt, tot veroordeling tot betaling ervan.

4.18.
[verzoekster] heeft verzocht de kosten van de behandeling van het verzoek aan haar zijde te begroten, op een bedrag van € 7.332,94 inclusief 6 % kantoorkosten en 21 % BTW. [verzoekster] gaat bij haar berekening uit van een uurtarief van € 297,00 (zijnde het Recofa-tarief van € 198,00 verhoogd met een factor 1,5) en een totaal aantal uren van 19:15. Medinova betoogt dat het totaal in rekening gebrachte uren evenals het gehanteerde uurtarief bovenmatig is.

4.19.
Bij de begroting van de kosten aan de zijde van [verzoekster] dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. In dit verband overweegt de rechtbank dat [verzoekster] weliswaar heeft aangegeven dat voor het opstellen van het verzoekschrift acht uur wordt gerekend, maar gelet op het feit dat in de aan het deelgeschil voorafgaande correspondentie al veel van het standpunt van [verzoekster] op vrijwel gelijkluidende wijze op schrift is gezet, lijkt dit ruim begroot. Verder valt op dat in het urenoverzicht dat door [verzoekster] is overgelegd, is opgenomen dat op 24 november 2014 8.30 uur is geschreven onder de noemer ‘overige handelingen’. Volgens [verzoekster] ziet dit op werkzaamheden als het bestuderen van het verweerschrift, de voorbereiding van de mondelinge behandeling, de mondelinge behandeling zelf en de nabespreking. Een deugdelijke concrete onderbouwing van het gestelde aantal uren ontbreekt echter.
Gelet op de aard en complexiteit van dit geschil, acht de rechtbank het redelijk om het totaal aantal uren te matigen tot 15.
Voor het uurtarief geldt het volgende. Medinova heeft weliswaar aangegeven dat het volgens haar ongegrond is om op het uurtarief een factor 1,5 toe te passen maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom dit volgens haar ongegrond zou zijn. Met de toepassing van voormelde factor komt het uurtarief uit op € 297,00. De rechtbank acht dit niet onredelijk en zal dan ook van dat uurtarief uitgaan. De rechtbank zal voorts uitgaan van het gebruikelijke tarief voor kantoorkosten van 6%, en verder voor de BTW uitgaan van 21%.
Gezien het voorgaande begroot de rechtbank de kosten op een totaalbedrag van € 5.676,90 = 15 uren x € 298,00 x 1,27 (kantoorkosten en BTW). Dit bedrag moet worden vermeerderd met € 282,00 aan griffierecht, waarmee het totaal uitkomt op € 5.958,90. ECLI:NL:RBNHO:2015:11082

Deze website maakt gebruik van cookies