Artikelen

Rb Rotterdam 190314 mislukte borstoperaties; voorschot is door arts niet betaald; uitgangspunt is dat sprake is van medisch onzorgvuldig handelen; begroting schadeposten

Hoofdcategorie: Aansprakelijkheid voor operatiefouten
Categorie: Cosmetische of plastische chirurgie

Rb Rotterdam 190314 mislukte borstoperaties; voorschot is door arts niet betaald; uitgangspunt is dat sprake is van medisch onzorgvuldig handelen; begroting schadeposten;
- smartengeld 
€ 750,-- toewijsbaar; bij blijvende, terugkerende klachten € 1.000,-- aan smartengeld toewijsbaar

2 De verdere beoordeling
Ten aanzien van [eiseres4], [eiseres3] en [eiseres2]

2.1.
Het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek naar – kort weergegeven – de kwaliteit van de behandeling van [gedaagde], een en ander in het licht van het ontbreken van “informed consent”, heeft niet kunnen plaatsvinden nu [gedaagde] het voor de deskundige bestemde voorschot niet heeft voldaan. Over de achtergrond daarvan heeft [gedaagde] enkel aangegeven dat hij al vier jaar geen inkomsten meer geniet en zijn financiële reserves vrijwel zijn uitgeput. Hij heeft geen verdere gegevens verstrekt en ook niet aangegeven of/dat hij een toevoeging heeft aangevraagd.
[eiseres4], [eiseres3] en [eiseres2] betwisten dat [gedaagde] geen inkomsten zou hebben om het voorschot te voldoen en stellen dat, zo dat al het geval zou zijn, [gedaagde] de mogelijkheid had om via de Raad voor Rechtsbijstand een lening aan te vragen voor een deskundigenonderzoek. Niet gebleken is of [gedaagde] die mogelijkheid heeft onderzocht. Dat het deskundigenbericht geen doorgang heeft kunnen vinden, dient voor rekening en risico van [gedaagde] te komen, aldus nog steeds [eiseressen].
De rechtbank is, met [eiseressen]., van oordeel dat het niet uitgebracht zijn van het deskundigenbericht voor risico van [gedaagde] dient te blijven. Dat leidt inhoudelijk tot de volgende conclusies.
Ten aanzien van [eiseres4]

2.2.
Bij tussenvonnis van 23 januari 2013 heeft de rechtbank (onder 5.14) overwogen dat [gedaagde] jegens [eiseres4] aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het feit dat zij door hem niet correct is geïnformeerd. Daarbij heeft de rechtbank (onder 5.16) overwogen dat [eiseres4] indien [gedaagde] haar correct omtrent zijn kwalificaties had geïnformeerd zich voor de door haar gewenste borstvergroting onder behandeling van een plastisch chirurg zou hebben gesteld. Vervolgens is in dat tussenvonnis door de rechtbank overwogen:

“5.18 Om te kunnen beoordelen of [eiseres4] schade heeft geleden doordat zij niet correct door [gedaagde] is geïnformeerd omtrent zijn kwalificaties, is van belang of voldoende aannemelijk is dat de door [eiseres4] gestelde klachten/complicaties zich ook hadden voorgedaan in de (hypothetische) situatie dat zij zich door een plastisch chirurg had laten opereren. […]

5.19 […]
Indien aannemelijk is dat ter zake van de door [gedaagde] uitgevoerde operaties complicaties zijn opgetreden die ook zouden zijn opgetreden indien [eiseres4] zich door een plastisch chirurg had laten opereren, ontbreekt het causale verband tussen het feit dat [gedaagde] [eiseres4] niet correct (omtrent zijn kwalificatie en andere kwesties) heeft geïnformeerd en de gestelde schade.
Indien aannemelijk is dat de bij [eiseres4] opgetreden complicaties zich niet zouden hebben voorgedaan indien zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg, die haar ook overigens naar behoren zou hebben geïnformeerd, had gesteld, is sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen en dient de daaruit voortvloeiende schade door [gedaagde] te worden vergoed.

5.20
Aangezien uit de door partijen overgelegde (medische) informatie niet kan worden afgeleid of de complicaties die zich bij [eiseres4] hebben gerealiseerd zich ook in de (hypothetische) situatie waarin zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg had gesteld, zouden hebben gerealiseerd, behoeft de rechtbank voorlichting door een onafhankelijk deskundige op dit punt.”

Nu advisering van de rechtbank op voornoemd punt als gevolg van de processuele opstelling door [gedaagde] niet meer zal plaatsvinden, dient de rechtbank thans tot uitgangspunt voor de verdere beoordeling te nemen dat sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen. Dat brengt mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [eiseres4] geleden schade.

2.3.
Aangezien [eiseres4] de door haar geleden en nog te lijden schade heeft geconcretiseerd en bepaald op een totaalbedrag van € 15.201,58 acht de rechtbank het thans mogelijk om de omvang van de door [eiseres4] geleden schade te begroten. Derhalve heeft [eiseres4] geen belang (meer) bij de door haar gevorderde verwijzing naar een schadestaat. Ter gelegenheid van de op 23 april 2012 gehouden comparitie van partijen heeft [eiseres4] gesteld dat voor de (hoogte van de) schade moet worden uitgegaan van de (actuele) schadestaten als ingediend bij de laatste producties. Volgens de door [eiseres4] als productie 100 overgelegde schadestaat is het bedrag van € 15.201,58 als volgt gespecificeerd:

a. aanschaf medicijnen (pijnstillers): € 5,--
b. opvragen medisch dossier bij Wellness Kliniek: € 50,--
c. second opinion [arts]: € 95,--
d. hersteloperatie aan tepels: € 1.400,--
e. plaatsen protheses door [arts]: € 4.750,--
f. littekenolie van de Wellness Kliniek en vitaminen: € 60,--
g. reiskosten ([gedaagde], huisarts, [arts], politie): € 369,35
h. huishoudelijke hulp: € 1.056,--
i. kosten beslaglegging: € 178,41
j. telefoon, port- en kopieerkosten: € 50,--
k. smartengeld: € 5.621,--
l. wettelijke rente tot en met 30 april 2012: € 1.928,97

2.4.
Nu [gedaagde] de sub 2.3 onder a, b, c, en f genoemde schadeposten niet, althans onvoldoende, heeft betwist en deze de rechtbank niet onredelijk voorkomen, komen deze schadeposten voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking. Hoewel de onder g en j gevorderde kosten niet met stukken zijn onderbouwd, acht de rechtbank het gemaakt zijn van dergelijke kosten tot die (bescheiden) bedragen aannemelijk. Bij gebreke van concreet verweer worden deze dus toegewezen.

2.5.
[gedaagde] betwist de noodzaak van een tepelcorrectie en de in verband daarmee (onder d) gevorderde kosten. Naar het oordeel van de rechtbank betreffen de aan de tepelcorrectie verbonden kosten schade die in een zodanig verband staat met het medisch onzorgvuldig handelen door [gedaagde] dat die schade hem als gevolg daarvan kan worden toegerekend. Hoewel deze operatie, voor zover de rechtbank bekend, nog niet heeft plaatsgevonden en mitsdien sprake is van toekomstige schade, begroot de rechtbank, gelet op de door [eiseres4] als productie 63 in het geding gebrachte prijslijst van Boerhaave, de daaraan verbonden kosten bij voorbaat op een totaalbedrag van (2 * € 700,-- (prijs per borst) =) € 1.400,--.

2.6.
Ten aanzien van de door [eiseres4] (onder e) gevorderde kosten in verband met in de toekomst nog uit te voeren borstoperaties betwist [gedaagde] de gestelde noodzaak daartoe, de daaraan verbonden kosten en de weigering van de zorgverzekeraar om die kosten te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank betreffen de kosten welke zijn verbonden aan het plaatsen van nieuwe borstprothesen schade die in een zodanig verband staat met het medisch onzorgvuldig handelen door [gedaagde] dat die schade hem als gevolg daarvan kan worden toegerekend. Blijkens de door [eiseres4] als productie 92 in het geding gebrachte brief d.d. 23 december 2009 van zorgverzekeraar DSW komt, aangezien de prothesen bij [eiseres4] om cosmetische of psychosociale redenen zijn geplaatst, alleen het verwijderen en niet het plaatsen van nieuwe prothesen door de zorgverzekeraar voor vergoeding in aanmerking. De in diezelfde brief aan het eind vermelde zinsnede “aangezien de kosten van de nieuwe prothesen vallen binnen het DBC tarief dat wij vergoeden voor de ingreep waarbij uw prothesen worden verwijderd, zullen deze kosten niet bij u in rekening worden gebracht. Dit houdt in dat u geen aparte nota voor de nieuwe prothesen van uw plastisch chirurg mag ontvangen.” doet hieraan niet af. Deze opmerking van de zorgverzekeraar lijkt immers te zijn ingegeven door het feit dat het verwijderen van de (oude) prothesen en het plaatsen van nieuwe prothesen onder één en hetzelfde DBC-tarief vallen. Dit brengt mee dat geen afzonderlijke nota voor het plaatsen van nieuwe prothesen kan volgen. Dit laat evenwel onverlet dat [eiseres4] de kosten voor het laten plaatsen van nieuwe prothesen zelf dient te dragen. Hoewel de hersteloperatie, voor zover de rechtbank bekend, nog niet heeft plaatsgevonden en mitsdien sprake is van toekomstige schade, begroot de rechtbank, gelet ook op de als productie 99 overgelegde pro forma factuur d.d. 15 maart 2012 van Kliniek Rijnmond Holystaete, de daaraan verbonden kosten bij voorbaat op een totaalbedrag van € 4.750,--.

2.7.
[gedaagde] betwist de onder h gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp.
De rechtbank acht ter zake een bedrag van € 576,-- (6 weken * € 96,-- per week) toewijsbaar. Volgens [eiseres4] heeft haar moeder vanwege de pijn die zij na de borstoperatie ondervond gedurende 6 weken huishoudelijke taken verricht. Gelet op hetgeen [eiseres4] ter comparitie heeft gesteld omtrent de ernst van haar pijnklachten na de ingrepen en het gedurende lange tijd niet kunnen gebruiken van haar arm, en in aanmerking nemende dat [gedaagde] zulks niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, acht de rechtbank aannemelijk dat [eiseres4] vanwege haar klachten gedurende een periode van zes weken niet alle huishoudelijke taken heeft kunnen verrichten. Volgens "De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp" is voor ongevallen (de rechtbank stelt dit onzorgvuldig handelen daarmee in dit verband gelijk) die plaatsvinden in de periode van 1 november 2004 tot 1 oktober 2007 een bedrag van € 96,-- per week toewijsbaar (categorie "overige situaties" en "met inwonende kind(eren)"). Niet relevant is of [eiseres4] het bedrag van € 576,-- daadwerkelijk aan haar moeder heeft betaald.

2.8.
Ter zake de onder i gevorderde kosten van beslaglegging (€ 178,41) is, gelet op productie 64, een bedrag van € 178,41 toewijsbaar.

2.9.
Voor wat betreft het onder k gevorderde bedrag aan smartengeld (€ 5.621,--) acht de rechtbank, rekeninghoudende met de aard en de ernst van de klachten, een bedrag van € 750,-- toewijsbaar.
[eiseres4] heeft enkel verwezen naar nummer 727 van de als productie 65 overgelegde pagina uit de ANWB Smartengeldgids. De daarin beschreven casus is niet vergelijkbaar met die van [eiseres4]. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres4] vanwege de door [gedaagde] uitgevoerde ingrepen (blijvende) klachten ondervindt bij het lopen, zitten en fietsen dan wel andere lichamelijke beperkingen daarvan ondervindt. Daarnaast was in de casus waarnaar [eiseres4] heeft verwezen een rapport van een psychiater voorhanden waaruit bleek dat sprake was van ernstige psychische gevolgen. In de onderhavige zaak is niet gesteld of gebleken dat [eiseres4] zich voor haar klachten onder behandeling van een psycholoog of psychiater heeft gesteld. Het gaat dus met name om pijn en ontsiering van tijdelijke aard.

2.10.
[eiseres4] heeft ter zake de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 4.822,96 verwezen naar de als productie 102 bij akte na comparitie van partijen overgelegde declaratie van haar advocaat.
[gedaagde] heeft die kosten betwist en aangevoerd dat geprocedeerd wordt op basis van een toevoeging, dat de betreffende kosten proceskosten zijn waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, en dat de opgevoerde kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat in de als productie 102 overgelegde declaratie een aantal verrichtingen zijn verdisconteerd van na de aanvang van de onderhavige procedure. De daaraan verbonden kosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, aldus [gedaagde].

2.11.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de door [eiseres4] gevorderde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW dient te worden aangelegd. De verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden dienen redelijkerwijs noodzakelijk te zijn gemaakt en de omvang van de kosten moet redelijk zijn.
Met betrekking tot de door [eiseres4] gevorderde buitengerechtelijke kosten merkt de rechtbank op dat de buitengerechtelijke werkzaamheden voor een groot deel zien op werkzaamheden van administratieve aard (correspondentie met [eiseres4], opvragen van medische informatie). Daartegenover staat echter, dat door de gekozen aanpak – gebundelde behandeling van de zaken van de vier eiseressen – naar aannemelijk is belangrijke besparingen zijn bereikt. Tegen deze achtergrond en gelet op het ontbreken van vrijwel enig debat over de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding, acht de rechtbank een vergoeding van € 4.159,47 (0,5 * € 8.318,93) ter zake van buitengerechtelijke kosten redelijk.

2.12.
Uit het vorenoverwogene volgt dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 12.443,23 (€ 5,-- + € 50,-- + € 95,-- + € 60,-- + € 369,35 + € 50,-- + € 1.400,-- + € 4.750,-- + € 576,-- + € 178,41 + € 750,-- + € 4.159,47) aan [eiseres4] dient te betalen.

2.13.
[eiseres4] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van de operatie, zijnde 18 januari 2007. Vooropgesteld zij dat in het onderhavige geval wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum dat de schade is geleden.
Voor wat betreft het smartengeld (€ 750,--) acht de rechtbank de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 18 januari 2007.
Ten aanzien van de kosten welke zijn verbonden aan het opvragen van het medisch dossier bij de Wellness Kliniek (€ 50,--) acht de rechtbank, gelet op het bij dagvaarding als productie 54 in het geding gebrachte bankafschrift, de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 24 juli 2009. Gelet op de bij dagvaarding als productie 55 in het geding gebrachte factuur d.d. 27 augustus 2009 van Kliniek Holystaete is de wettelijke rente over de kosten van de second opinion (€ 95,--) toewijsbaar vanaf 26 augustus 2009, de datum waarop laatstgenoemd bedrag door [eiseres4] is betaald. Om praktische redenen zal de wettelijke rente over de kosten van pijnstillers (€ 5,--), littekenolie en vitamines (€ 60,--), reiskosten (€ 369,35), telefoonkosten, porti en kopieerkosten (€ 50,--), en de kosten voor huishoudelijke hulp (€ 576,--), kosten welke in elk geval in de eerste 2,5 jaar na de ingreep zijn gemaakt, eveneens vanaf 26 augustus 2009 worden toegewezen.
De wettelijke rente over de kosten van beslaglegging (€ 178,41) is toewijsbaar vanaf 11 november 2011. Gelet op de als productie 64 in het geding gebrachte factuur d.d. 28 oktober 2011 is over het daarin vermelde bedrag wettelijke rente toewijsbaar vanaf 14 dagen na de factuurdatum, dus vanaf 11 november 2011. In de (eveneens als productie 64) overgelegde nota van de Rechtspraak d.d. 18 oktober 2011 is vermeld dat het te betalen bedrag uiterlijk 11 november 2011 moet zijn bijgeschreven. Derhalve is ook over het daarin vermelde bedrag vanaf 11 november 2011 wettelijke rente toewijsbaar.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten (€ 4.159,47) is, gelet op de als productie 102 in het geding gebrachte declaratie d.d. 2 april 2012 en de daarin vermelde betalingstermijn van 14 dagen, toewijsbaar vanaf 26 april 2012.
Nu de hersteloperaties, voor zover de rechtbank bekend, nog niet hebben plaatsgevonden en mitsdien sprake is van toekomstige schade, is over de daaraan verbonden kosten (onder d en e, € 1.400,-- en € 4.750,--) eerst wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van begroting, dat wil zeggen de datum van dit vonnis.

Ten aanzien van [eiseres3] en [eiseres2]
2.14.
Bij tussenvonnis van 23 januari 2013 heeft de rechtbank (onder 5.34) overwogen dat [gedaagde] jegens [eiseres3] en [eiseres2] aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van het feit dat zij door hem niet correct zijn geïnformeerd. Daarbij heeft de rechtbank (onder 5.43) overwogen dat [eiseres3] en [eiseres2] indien [gedaagde] hen correct omtrent zijn kwalificaties had geïnformeerd zich voor de door hen gewenste borstvergroting onder behandeling van een plastisch chirurg zouden hebben gesteld. Vervolgens is in dat tussenvonnis door de rechtbank overwogen:

“5.45 Om te kunnen beoordelen of [eiseres3] en [eiseres2] schade hebben geleden doordat zij niet correct door [gedaagde] zijn geïnformeerd omtrent zijn kwalificaties, is van belang of voldoende aannemelijk is dat de door hen gestelde klachten/complicaties zich ook hadden voorgedaan in de (hypothetische) situatie dat zij zich door een plastisch chirurg hadden laten opereren. […]

5.46 […]
Indien aannemelijk is dat ter zake van de door [gedaagde] bij [eiseres3] en [eiseres2] uitgevoerde operaties complicaties zijn opgetreden die ook zouden zijn opgetreden indien zij zich door een plastisch chirurg hadden laten opereren, ontbreekt het causale verband tussen het feit dat [gedaagde] hen niet correct (omtrent zijn kwalificatie en andere kwesties) heeft geïnformeerd en de door hen gestelde schade.
Indien aannemelijk is dat de bij [eiseres3] en [eiseres2] opgetreden complicaties zich niet zouden hebben voorgedaan indien zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg, die hen ook overigens naar behoren zou hebben geïnformeerd, hadden gesteld, is sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen en dient de daaruit voortvloeiende schade door [gedaagde] te worden vergoed.

5.47
Aangezien uit de door partijen overgelegde (medische) informatie niet kan worden afgeleid of de complicaties die zich bij [eiseres3] en [eiseres2] hebben gerealiseerd zich ook in de (hypothetische) situatie waarin zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg hadden gesteld, zouden hebben gerealiseerd, behoeft de rechtbank voorlichting door een onafhankelijk deskundige op dit punt.”

Nu advisering van de rechtbank op voornoemd punt als gevolg van de processuele opstelling door [gedaagde] niet meer zal plaatsvinden, dient de rechtbank thans tot uitgangspunt voor de verdere beoordeling te nemen dat sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen. Dat brengt mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [eiseres3] en [eiseres2] geleden schade.

Ten aanzien van [eiseres3]
2.15.
Aangezien [eiseres3] de door haar geleden en nog te lijden schade heeft geconcretiseerd en bepaald op een totaalbedrag van € 15.112,50 acht de rechtbank het thans mogelijk om de omvang van de door [eiseres3] geleden schade te begroten. Derhalve heeft [eiseres3] geen belang (meer) bij de door haar gevorderde verwijzing naar een schadestaat. Ter gelegenheid van de op 23 april 2012 gehouden comparitie van partijen heeft [eiseres3] gesteld dat voor de (hoogte van de) schade moet worden uitgegaan van de (actuele) schadestaten als ingediend bij de laatste producties. Volgens de door [eiseres3] als productie 87 overgelegde schadestaat is het bedrag van € 15.112,50 als volgt gespecificeerd:

a. littekenolie: € 70,--
b. hersteloperatie bij [arts2] € 7.200,--
c. reiskosten (Citykliniek, huisarts, [arts2]): € 164,48
d. huishoudelijke hulp: € 704,--
e. kosten beslaglegging: € 178,41
f. telefoon, port- en kopieerkosten: € 50,--
g. smartengeld: € 5.621,--
h. wettelijke rente tot en met 30 april 2012: € 1.124,61

2.16.
[gedaagde] heeft de sub 2.15 onder a tot en met h genoemde schadeposten betwist. Hoewel de onder a, c en f gevorderde kosten niet met stukken onderbouwd zijn, acht de rechtbank het gemaakt zijn van dergelijke kosten tot die (bescheiden) bedragen aannemelijk. Bij gebreke van concreet verweer worden deze dus toegewezen.

2.17.
Ten aanzien van de door [eiseres3] (onder b) gevorderde kosten in verband met een in de toekomst nog uit te voeren hersteloperatie betwist [gedaagde] de gestelde medische noodzaak daartoe, de daaraan verbonden kosten en de weigering van de zorgverzekeraar om die kosten te vergoeden. [eiseres3] heeft ter comparitie gesteld dat haar borsten na de ingreep asymmetrisch zijn en dat zij lelijke littekens heeft wat volgens haar blijkt uit de medische informatie van [arts2] van mei 2010. Zij wil dat de littekens operatief worden verwijderd en dat kleinere protheses in haar borsten worden geplaatst. Volgens [eiseres3] worden de aan een dergelijke hersteloperatie verbonden kosten ad € 7.200,-- niet door de verzekering vergoed.
Naar het oordeel van de rechtbank betreffen de kosten welke zijn verbonden aan het verrichten van een borstlift, het corrigeren van de littekens en het vervangen c.q. herplaatsen van de huidige borstprothesen, mede in aanmerking nemende de bij dagvaarding als productie 18 overgelegde brief d.d. 25 mei 2010 van [arts2], schade die in een zodanig verband staat met het medisch onzorgvuldig handelen door [gedaagde] dat die schade hem als gevolg daarvan kan worden toegerekend. Blijkens de door [eiseres3] als productie 86 in het geding gebrachte brieven d.d. 1 juni en 23 juni 2011 van zorgverzekeraar DSW komen de kosten verbonden aan het verrichten van een borstlift en het corrigeren van een ontsierend litteken niet voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking. Hoewel de hersteloperatie, voor zover de rechtbank bekend, nog niet heeft plaatsgevonden en mitsdien sprake is van toekomstige schade, begroot de rechtbank, gelet ook op de als productie 52 overgelegde offerte d.d. 5 april 2011 van MC Groep, afdeling plastische chirurgie, de daaraan verbonden kosten bij voorbaat op een totaalbedrag van € 7.200,--.

2.18.
De rechtbank acht ter zake de onder d gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp een bedrag van € 252,-- (3 weken * € 84,-- per week) toewijsbaar. Volgens [eiseres3] hebben haar moeder en haar dochter vanwege de pijn die zij na de borstoperatie ondervond gedurende ± 3 weken huishoudelijk werk verricht. Gelet op hetgeen [eiseres3] heeft gesteld omtrent de ernst van haar pijnklachten na de ingreep en in aanmerking nemende dat [gedaagde] zulks niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, acht de rechtbank aannemelijk dat [eiseres3] vanwege haar klachten gedurende een periode van drie weken niet alle huishoudelijke taken heeft kunnen verrichten. Volgens "De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp" is voor letsel opgelopen in de periode van 1 oktober 2007 tot 1 juli 2009 een bedrag van € 84,-- per week toewijsbaar (categorie "overige situaties " en "zonder inwonende kind(eren)"). Niet relevant is of [eiseres3] het bedrag van € 252,-- daadwerkelijk aan haar moeder en/of dochter heeft betaald.

2.19.
Ter zake de onder e gevorderde kosten van beslaglegging (€ 178,41) is, gelet op productie 64, een bedrag van € 178,41 toewijsbaar.

2.20.
Voor wat betreft het onder g gevorderde bedrag aan smartengeld (€ 5.621,--) acht de rechtbank, rekening houdende met de aard en de ernst van de klachten, een bedrag van € 750,-- toewijsbaar.
[eiseres3] heeft enkel verwezen naar nummer 727 van de als productie 65 overgelegde pagina uit de ANWB Smartengeldgids. De daarin beschreven casus is niet vergelijkbaar met die van [eiseres3]. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres3] vanwege de door [gedaagde] uitgevoerde ingrepen (blijvende) klachten ondervindt bij het lopen, zitten en fietsen dan wel andere lichamelijke beperkingen daarvan ondervindt. Daarnaast was in de casus waarnaar [eiseres3] heeft verwezen een rapport van een psychiater voorhanden waaruit bleek dat sprake was van ernstige psychische gevolgen. In de onderhavige zaak is niet gesteld of gebleken dat [eiseres3] zich voor haar klachten onder behandeling van een psycholoog of psychiater heeft gesteld. Het gaat dus met name om pijn en ontsiering van tijdelijke aard.

2.21.
[eiseres3] heeft ter zake de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten gesteld dat in de als productie 89 overgelegde declaratie d.d. 30 maart 2012 per abuis gerechtelijke kosten zijn opgenomen en voor de omvang van deze schadepost verwezen naar de als productie 106 bij akte na comparitie van partijen overgelegde (aangepaste) declaratie d.d. 17 april 2012 van haar advocaat.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat die declaratie geen aangepaste declaratie maar een creditdeclaratie betreft waaruit blijkt dat op het oorspronkelijk in rekening gebrachte honorarium van € 5.390,-- een bedrag van € 4.181,50 in mindering is gebracht zodat een bedrag van € 1.522,08 (inclusief kantoorkosten en BTW) resteert. Volgens [gedaagde] zijn de betreffende kosten proceskosten zijn waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

2.22.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de door [eiseres3] als productie 106 overgelegde creditdeclaratie d.d. 17 april 2012 worden afgeleid dat [eiseres3] aan buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 5.381,22 heeft ontvangen. Gelet op de als productie 89 in het geding gebrachte declaratie d.d. 30 maart 2012 was eerder een bedrag van € 6.903,30 ter zake van buitengerechtelijke kosten aan [eiseres3] in rekening gebracht. Derhalve gaat de rechtbank er vanuit dat een bedrag van (€ 6.903,30 - 5.381,22 =) € 1.522,08 aan buitengerechtelijke kosten wordt gevorderd.
Naar het oordeel van de rechtbank zien de gevorderde buitengerechtelijke werkzaamheden voor een groot deel op werkzaamheden van administratieve aard (correspondentie met [eiseres3], opvragen van medische informatie). Daartegenover staat echter, dat door de gekozen aanpak – gebundelde behandeling van de zaken van de vier eiseressen – naar aannemelijk is belangrijke besparingen zijn bereikt. Tegen deze achtergrond en gelet op het ontbreken van vrijwel enig debat over de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding, acht de rechtbank een vergoeding van € 761,04 (0,5 * € 1.522,08) ter zake van buitengerechtelijke kosten redelijk.

2.23.
Uit het vorenoverwogene volgt dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 9.425,93 (€ 70,-- + € 164,48 + € 50,-- + € 7.200,-- + € 252,-- + € 178,41 + € 750,-- + € 761,04) aan [eiseres3] dient te betalen.

2.24.
[eiseres3] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van de operatie, zijnde 12 juli 2008. Vooropgesteld zij dat in het onderhavige geval wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum dat de schade is geleden.
Voor wat betreft het smartengeld (€ 750,--) acht de rechtbank de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 12 juli 2008. Om praktische redenen zal de wettelijke rente over de kosten voor huishoudelijke hulp (€ 252,--), de kosten voor littekenolie, reiskosten, telefoonkosten, porti en kopieerkosten eveneens vanaf 12 juli 2008 worden toegewezen.
De wettelijke rente over de kosten van beslaglegging (€ 178,41) is toewijsbaar vanaf 11 november 2011. Gelet op de als productie 64 in het geding gebrachte factuur d.d. 28 oktober 2011 is over het daarin vermelde bedrag wettelijke rente toewijsbaar vanaf 14 dagen na de factuurdatum, dus vanaf 11 november 2011. In de (eveneens als productie 64) overgelegde nota van de Rechtspraak d.d. 18 oktober 2011 is vermeld dat het te betalen bedrag uiterlijk 11 november 2011 moet zijn bijgeschreven. Derhalve is ook over het daarin vermelde bedrag vanaf 11 november 2011 wettelijke rente toewijsbaar.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten (€ 761,04) is, gelet op de als productie 89 in het geding gebrachte declaratie d.d. 30 maart 2012 en de daarin vermelde betalingstermijn van 14 dagen, toewijsbaar vanaf 13 april 2012.
Nu de hersteloperatie, voor zover de rechtbank bekend, nog niet heeft plaatsgevonden en mitsdien sprake is van toekomstige schade, is over de daaraan verbonden kosten eerst wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van begroting, dat wil zeggen de datum van dit vonnis.

Ten aanzien van [eiseres2]
2.25.
Aangezien [eiseres2] de door haar geleden en nog te lijden schade heeft geconcretiseerd en bepaald op een totaalbedrag van € 13.756,66 acht de rechtbank het thans mogelijk om de omvang van de door [eiseres2] geleden schade te begroten. Derhalve heeft [eiseres2] geen belang (meer) bij de door haar gevorderde verwijzing naar een schadestaat. Ter gelegenheid van de op 23 april 2012 gehouden comparitie van partijen heeft [eiseres2] gesteld dat voor de (hoogte van de) schade moet worden uitgegaan van de (actuele) schadestaten als ingediend bij de laatste producties. Volgens de door [eiseres2] als productie 81 overgelegde schadestaat is het bedrag van € 13.756,66 als volgt gespecificeerd:
a. kosten opname ziekenhuis: € 25,--
b. kosten opvragen medische informatie [arts3] € 25,--
c. kosten paracetamol: € 25,--
d. kosten hersteloperatie: € 3.780,--
e. kosten pillen omega 3: € 23,85
f. reiskosten (Citykliniek, Parkkliniek, reiskosten moeder): € 120,--
g. huishoudelijke hulp: € 2.856,--,
h. kosten beslaglegging: € 178,41
i. telefoon, port- en kopieerkosten: € 50,--
j. smartengeld: € 5.621,--
k. wettelijke rente tot en met 30 april 2012: € 1.077,40

2.26.
[gedaagde] heeft de sub 2.25 genoemde schadeposten, met uitzondering van die onder b en c, betwist. Hoewel de onder a, e, f en i gevorderde kosten niet met stukken zijn onderbouwd, acht de rechtbank het gemaakt zijn van dergelijke kosten tot die (bescheiden) bedragen aannemelijk. Bij gebreke van concreet verweer worden deze dus toegewezen.

2.27.
Ten aanzien van de door [eiseres2] (onder d) gevorderde kosten in verband met een uitgevoerde hersteloperatie betwist [gedaagde] de gestelde medische noodzaak daartoe, de daaraan verbonden kosten en de weigering van de zorgverzekeraar om die kosten te vergoeden.
[eiseres2] heeft ter comparitie gesteld dat zij twee nieuwe protheses van dezelfde maat heeft laten plaatsen en dat die protheses niet door de verzekering worden vergoed. Volgens [eiseres2] bedragen de daaraan verbonden kosten, inclusief het herstellen van de borstspier, ongeveer € 3.800,--. Zij moet het voor de hersteloperatie verschuldigde bedrag dat haar in verband met de onderhavige procedure is voorgeschoten, nog betalen, aldus [eiseres2].
Naar het oordeel van de rechtbank betreffen de kosten welke zijn verbonden aan het plaatsen van nieuwe prothesen schade die in een zodanig verband staat met het medisch onzorgvuldig handelen door [gedaagde] dat die schade hem als gevolg daarvan kan worden toegerekend. Blijkens de door [eiseres2] als productie 76 in het geding gebrachte brief d.d. 17 februari 2010 van zorgverzekeraar ZilverenKruis/Achmea komt het plaatsen van protheses niet voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking.
Gelet ook op de als productie 13 bij dagvaarding overgelegde offerte d.d. 4 mei 2010 van Parkkliniek te Rotterdam, begroot de rechtbank de aan de hersteloperatie verbonden kosten op een totaalbedrag van € 3.780,--.

2.28.
De rechtbank acht ter zake de onder g gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp een bedrag van € 404,-- (4 weken * € 101,-- per week) toewijsbaar. [eiseres2] heeft gesteld dat zij gedurende een lange periode geen huishoudelijke taken heeft kunnen verrichten, afhankelijk was van de hulp van anderen, en haar kinderen van 1,5 en 4 jaar niet heeft kunnen optillen. Ter comparitie heeft [eiseres2] gesteld dat de post huishoudelijke hulp naar beneden moet worden bijgesteld. Volgens [eiseres2] was de pijn na terugkomst van haar vakantie echter wel zo erg dat haar moeder ongeveer 4 weken bij haar is geweest om huishoudelijke taken te doen, haar kind te verzorgen en de hond uit te laten. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [eiseres2] na terugkomst van haar vakantie vanwege haar klachten gedurende een periode van vier weken niet alle huishoudelijke taken heeft kunnen verrichten. Volgens "De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp" is voor letsel opgelopen in de periode vanaf 1 oktober 2007 tot 1 juli 2009 een bedrag van € 101,-- per week toewijsbaar (categorie "met inwonende kind(eren)" en "overige situaties "). Niet relevant is of [eiseres2] het bedrag van € 404,-- daadwerkelijk aan haar moeder heeft betaald.

2.29.
Ter zake de onder e gevorderde kosten van beslaglegging (€ 178,41) is, gelet op productie 64, een bedrag van € 178,41 toewijsbaar.

2.30.
Voor wat betreft het onder j gevorderde bedrag aan smartengeld (€ 5.621,--) acht de rechtbank, rekening houdende met de aard en de ernst van de klachten, een bedrag van € 1.000,-- toewijsbaar.
[eiseres2] heeft enkel verwezen naar nummer 727 van de als productie 65 overgelegde pagina uit de ANWB Smartengeldgids. De daarin beschreven casus is niet geheel vergelijkbaar met die van [eiseres3]. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres2] vanwege de door [gedaagde] uitgevoerde ingrepen (blijvende) klachten ondervindt bij het lopen, zitten en fietsen dan wel andere lichamelijke beperkingen daarvan ondervindt. Daarnaast was in de casus waarnaar [eiseres2] heeft verwezen een rapport van een psychiater voorhanden waaruit bleek dat sprake was van ernstige psychische gevolgen. In de onderhavige zaak is niet gesteld of gebleken dat [eiseres2] zich voor haar klachten onder behandeling van een psycholoog of psychiater heeft gesteld.
Anders dan bij [eiseres3] en [eiseres4] heeft [eiseres2] ten gevolge van de door [gedaagde] uitgevoerde ingreep blijvend last van terugkerende ontstekingen rond de tepels van haar borsten. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hoger bedrag dan de bedragen die aan [eiseres1], [eiseres4] en [eiseres3] ter zake van smartengeld zullen worden toegewezen.

2.31.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de door [eiseres2] gevorderde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW dient te worden aangelegd. De verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden dienen redelijkerwijs noodzakelijk te zijn gemaakt en de omvang van de kosten moet redelijk zijn.
Met betrekking tot de door [eiseres2] gevorderde buitengerechtelijke kosten merkt de rechtbank op dat de gevorderde buitengerechtelijke werkzaamheden voor een groot deel zien op werkzaamheden van administratieve aard (correspondentie met [eiseres2]). Daartegenover staat echter, dat door de gekozen aanpak – gebundelde behandeling van de zaken van de vier eiseressen – naar aannemelijk is belangrijke besparingen zijn bereikt. Tegen deze achtergrond en gelet op het ontbreken van vrijwel enig debat over de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding, acht de rechtbank een vergoeding van € 3.092,96 (0,5 * € 6.185,91) ter zake van buitengerechtelijke kosten redelijk.

2.32.
Uit het vorenoverwogene volgt dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 8.724,22 (€ 25,-- + € 25,-- + € 25,-- + € 23,85 + € 120,-- + € 50,-- + € 3.780,-- + € 404,-- € 178,41 + € 1.000,-- + € 3.092,96) aan [eiseres2] dient te betalen.

2.33.
[eiseres2] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van de operatie, zijnde 14 maart 2009. Vooropgesteld zij dat in het onderhavige geval wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum dat de schade is geleden.

Voor wat betreft het smartengeld (€ 1.000,--) acht de rechtbank de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 14 maart 2009. Hetzelfde geldt voor de kosten voor paracetamol, Omega 3-pillen, reiskosten, telefoonkosten, porti en kopieerkosten.
Gelet op de brief van [arts3] d.d. 6 november 2009 acht de rechtbank de wettelijke rente over de kosten in verband met de ziekenhuisopname toewijsbaar vanaf 22 augustus 2009.
Nu uit de stellingen van [eiseres2] en de door haar overgelegde stukken niet kan worden afgeleid vanaf welke datum zij de kosten in verband met het opvragen van medische informatie van [arts3] (€ 25,--) heeft betaald, acht de rechtbank de wettelijke rente daarover toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding.
Aangezien [eiseres2] ter comparitie heeft gesteld dat zij na terugkomst van haar vakantie huishoudelijke hulp van haar moeder heeft gekregen, acht de rechtbank, mede gelet op de als productie 80 overgelegde verklaring van [eiseres2] met betrekking tot haar vakantie in Kroatië, de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 1 augustus 2009.
De wettelijke rente over de kosten van beslaglegging (€ 178,41) is toewijsbaar vanaf 11 november 2011. Gelet op de bij dagvaarding als productie 64 in het geding gebrachte factuur d.d. 28 oktober 2011 is over het daarin vermelde bedrag wettelijke rente toewijsbaar vanaf 14 dagen na de factuurdatum, dus vanaf 11 november 2011. In de (eveneens als productie 64) overgelegde nota van de Rechtspraak d.d. 18 oktober 2011 is vermeld dat het te betalen bedrag uiterlijk 11 november 2011 moet zijn bijgeschreven. Derhalve is ook over het daarin vermelde bedrag vanaf 11 november 2011 wettelijke rente toewijsbaar.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten (€ 3.092,96) is, gelet op de als productie 105 in het geding gebrachte declaratie d.d. 17 april 2012 en de daarin vermelde betalingstermijn van 14 dagen, toewijsbaar vanaf 1 mei 2012.
Nu [eiseres2] de kosten voor de hersteloperatie nog niet heeft betaald, is over die kosten eerst wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van begroting, dat wil zeggen de datum van dit vonnis.

Ten aanzien van [eiseres1]
2.34.
In het tussenvonnis van 23 januari 2013 is ten aanzien van de vordering van [eiseres1] (onder 5.39 en 5.40) overwogen dat in totaal een bedrag van € 1.917,51 (€ 75,-- + € 106,10 + € 50,-- + € 50,-- + € 708,-- + € 178,41 + € 750,--), te vermeerderen met de wettelijke rente, toewijsbaar is.

2.35.
Onder 5.42 van voornoemd vonnis is overwogen dat de rechtbank een vergoeding van € 2.130,70 (0,5 * € 4.261,40) ter zake van buitengerechtelijke kosten redelijk acht.
De rechtbank acht de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, gelet op de als productie 104 in het geding gebrachte declaratie d.d. 17 april 2012 en de daarin vermelde betalingstermijn van 14 dagen, toewijsbaar vanaf 1 mei 2012. ECLI:NL:RBROT:2014:4452

Deze website maakt gebruik van cookies