Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBROT 180121 afwijzing getuigenverhoor; schade vanwege inkomsten uit zwart werk betreft schade aan niet-rechtmatige belangen (2)

RBROT 180121 afwijzing getuigenverhoor; schade vanwege inkomsten uit zwart werk betreft schade aan niet-rechtmatige belangen
2.
De feiten

2.1.
Stichting Islamitisch Primair Onderwijs Rijnmond (hierna: SIPOR) is een onderwijsorganisatie met vier basisscholen. Een van deze basisscholen is de [naam basisschool] school te Rotterdam. Op 9 januari 2015 heeft [verzoeker], als zelfstandige, werkzaamheden
verricht op deze school. Tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden is [verzoeker] van een door de school ter beschikking gestelde ladder gevallen en heeft hij letsel opgelopen.

2.2.
[verzoeker] heeft de [naam basisschool] aansprakelijk gesteld voor zijn letselschade. Achmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van SIPOR en heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.3.
Over de afwikkeling van de schade van [verzoeker] heeft overleg plaatsgevonden. De visie van partijen over de schade wegens het verlies van arbeidsvermogen ligt ver uiteen.

3.
De standpunten van partijen

3.1.
[verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Hij legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag dat hij inkomen genereert met uit zijn eenmanszaak. Bij de bepaling van de inkomenssituatie zonder ongeval dient rekening te worden gehouden met de resultaten van de onderneming van [verzoeker], zoals deze uit de gepresenteerde jaarstukken blijken en met de door hem gerealiseerde, niet in de administratie verwerkte omzet. [verzoeker] heeft ten behoeve van de bedrijfseconomische analyse aan Achmea over de jaren 2013 en 2014 een overzicht verstrekt van de niet in de boekhouding verwerkte omzet van € 51.500,-en € 51.750,-- vergezeld van facturen en getuigenverklaringen. Achmea stelt zich op het standpunt dat deze verdiensten niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt. [verzoeker] wenst nader bewijs van deze verdiensten te leveren door middel van getuigenverklaringen. In zijn verzoekschrift stelt hij dat deze getuigen, uit zijn omgeving, kunnen verklaren over zijn inkomsten- en uitgavenpatroon voor het ongeval, wat een indicatie vormt van zijn welstand en dus van zijn verdiensten. In zijn reactie op het verweerschrift stelt [verzoeker] dat hij een (rechtmatig) belang bij zijn verzoek heeft. Weliswaar is sprake van zwarte inkomsten maar de daaraan ten grondslag liggende economische activiteiten zijn rechtmatig. [verzoeker] wil voorts het onderwerp van het getuigenverhoor uitbreiden zodat het ook gaat over de uren die hij in zijn onderneming besteedde, wil hij zelf verklaren over zijn inkomsten en wil hij enkele klanten doen horen over verrichte diensten en geleverde goederen.
[verzoeker] verzoekt om de volgende getuigen te horen: [verzoeker] zelf, zijn zoon, de heer [naam zoon], zijn echtgenote, mevrouw [naam echtgenote], zijn broer, [naam broer] en- zijn zwager de heer [naam zwager].

3.2.
Achmea concludeert tot afwijzing van het verzoek, kosten rechtens. Primair voert Achmea aan dat [verzoeker] geen belang heeft bij toewijzing van het verzoek nu zijn gestelde gemiste zwarte inkomsten hoe dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. De gestelde inkomsten uit zwart werk niet dienen mee te tellen voor het bepalen van zijn inkomen in de hypothetische situatie zonder ongeval. Bedoelde inkomsten komen, onder meer gelet op de artikelen 69 AWR, 3:40 BW en 6:162 BW, niet als schade wegens verlies aan verdienvermogen voor vergoeding door Achmea in aanmerking. Van belang is dat de feiten die [verzoeker] stelt te willen bewijzen met het horen van de door hem genoemde getuigen, niet tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Niet in te zien valt hoe verklaringen over een inkomsten- en uitgavenpatroon kunnen bijdragen aan het bewijs van de stelling dat [verzoeker] inkomsten uit zwart werk had. Verder is van belang van [verzoeker] geen klanten als getuigen opvoert en dat de getuigen die hij wel opvoert niet voorkomen op de lijst van klanten voor wie [verzoeker] stelt te hebben gewerkt.

Achmea heeft een verzoekschrift tot beslechting van een deelgeschil ingediend bij de rechtbank Rotterdam, waarin de rechtbank — kort gezegd — wordt verzocht te bepalen dat gestelde gemiste inkomsten uit zwart werk buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het bepalen van de omvang van de schade wegens verlies aan verdienvermogen die door Achmea zou moeten worden vergoed. Hierom moet het verzoek worden afgewezen omdat toewijzing daarvan dit stadium in strijd zou zijn met een goede procesorde. Subsidiair verzoekt Achmea de beslissing op het verzoek aan te houden tot dat de rechtbank in de deelgeschillenprocedure een beschikking heeft afgegeven.
In de aanvulling op haar verweer stelt Achmea dat niet valt in te zien hoe verklaringen over in de onderneming bestede uren kunnen bijdragen aan het bewijs van de stelling over zwarte inkomsten. Voorts kunnen verklaringen van klanten over verrichte diensten en geleverde goederen, daaraan evenmin bijdragen. Dergelijke verklaringen zeggen immers niets over de specifieke vraag of deze werkzaamheden zwart zijn verricht en, zo ja, hoeveel daarmee verdiend is.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.
De beoordeling

4.1.
Ten aanzien van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 Rv geldt dat de rechter ingevolge artikel 166 Rv heeft na te gaan of de in het verzoekschrift gestelde feiten of rechten die verzoeker wil bewijzen, gegeven de aard en het beloop van de rechtsvordering relevant zijn. De rechter komt ter zake van een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor geen discretionaire bevoegdheid toe. Een verzoek kan, als het overigens aan de eisen van toewijzing daarvan voldoet, evenwel worden afgewezen als de rechter van oordeel is dat verzoeker daarbij geen belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 BW, dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde, dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verlangen, waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten of als het verzoek afstuit op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

4.2.
[verzoeker] wil bewijs leveren van alle feiten en omstandigheden die aan het bewijs van de door hem gestelde zwarte inkomsten kunnen bijdragen. Hij wil daartoe zichzelf, zijn echtgenote, zijn zoon, broer en zwager als getuige doen horen. Het gaat [verzoeker] uiteindelijk om vergoeding van schade in de vorm van gederfde inkomsten uit zwart werk. Algemeen aanvaard wordt dat schade aan niet-rechtmatige belangen niet voor vergoeding in aanmerking komt. In dit geval is sprake van dergelijke schade. De rechtbank wijst het verzoek daarom af wegens gebrek aan belang. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.
Achmea stelt zich naar aanleiding van het inleidende verzoekschrift terecht op het standpunt dat bewijs over het inkomsten- en uitgavenpatroon van [verzoeker] niets zegt over de specifieke vraag of en hoeveel inkomsten hij had uit zwart werk. Voor zover [verzoeker] in de aanvulling op zijn verzoek de onderwerpen voor het verzochte verhoor uitbreidt, baat hem dat niet. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat verklaringen over de uren die [verzoeker] aan werkzaamheden in zijn onderneming besteedde bewijs kunnen leveren voor de stelling dat hij, daarbuiten, inkomsten uit zwart werk genoot. Daar komt bij dat [verzoeker] op dit punt wisselende stellingen inneemt. Hij stelt, zelf, veel extra werkzaamheden te hebben verricht in de uren dat zijn winkel gesloten was. Nog daargelaten dat het verrichten van extra werkzaamheden, naast het gedurende gemiddeld 71 uur per week werken in de eigen onderneming, op het eerste gezicht niet heel geloofwaardig voorkomt, volgt uit de door [verzoeker] overgelegde producties dat hij in het kader van een schadeopstelling aangeeft dat een deel van de werkzaamheden niet door hemzelf maar door hulpkrachten zijn verricht. [verzoeker] is ook niet concreet over de hoeveelheid uren die hij dan, naast de gemiddeld 10 uur per dag voor zijn onderneming, nog gewerkt zou hebben. Ten slotte wordt nog overwogen dat voor zover [verzoeker] in de aanvulling van zijn verzoek aanbiedt ook vroegere klanten te horen, hij de namen en woonplaatsen van die personen niet noemt. In zoverre voldoet het verzoek niet aan de eisen die artikel 187, lid 3 onder c, Rv, stelt.

4.3.
[verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op een bedrag van € 656,00 aan griffierecht en € 1.086,00 aan salaris advocaat (2 punten liquidatietarief II) derhalve op een totaalbedrag van € 1.742,00.

Citeerwijze:  www.letselschademagazine.nl/2021/RBROT-180121


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, voetganger
RECHTSBIJSTANDKOSTEN, binnen/buiten rechte

RBROT 130121 ongeval voetganger-bus binnen bebouwde kom in de nacht midden op de rijbaan; geen overmacht, 50% aansprakelijkheid
kosten bbh verschieten niet van kleur, uurtarief € 225,00 + 6% redelijk; toegewezen € 13.810,40 x 50% vanwege eigen schuld.

In vervolg op rbrot-270520-ongeval-bus-voetganger-binnen-bebouwde-kom-in-de-nacht-midden-op-rijbaan-50-regel-aangehouden-bewijsopdr-tzv-overmacht
2.
De verdere beoordeling

2.1
De rechtbank blijft bij wat in het tussenvonnis van 27 mei 2020 is overwogen en beslist. In dat tussenvonnis is Allianz in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat [naam eiser] direct voorafgaand aan de aanrijding onverwacht en van buiten het gezichtsveld van [naam persoon A] voor de bus is gesprongen.

Allianz heeft ter rolle van 24 juni 2020 laten weten dat zij van die gelegenheid geen gebruik maakt.

2.2
Uit wat in het tussenvonnis van 27 mei 2020 onder 4.27 en 4.28 is overwogen volgt dat het beroep van Allianz op overmacht niet slaagt.

Onder 4.30 tot en met 4.40 heeft de rechtbank de subsidiaire verweren van Allianz besproken en verworpen en onder 4.41 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat af te wijken van de 50%-regel en dat Allianz zal worden veroordeeld om 50% van de door [naam eiser] geleden, door het ongeval veroorzaakte, schade te vergoeden.

De gevorderde verklaring voor recht is in die zin toewijsbaar.

2.3
Daarmee is de beoordeling van het gevorderde voorschot op de schade aan de orde.

[naam eiser] vordert buitengerechtelijke kosten, reiskosten, kledingkosten, daggeldvergoeding revalidatie, kosten van huishoudelijke hulp en eventueel nog te maken kosten van behandelingen die niet door een verzekeraar worden vergoed.

2.4
buitengerechtelijke kosten

Het gevorderde bedrag bestaat uit de volgende posten:
- € 5.273,53 aan kosten die door de kantonrechter in de deelgeschilprocedure zijn begroot,
- € 15.224,48 als voorschot op de kosten van Schade 24 BV,
- € 1.042,11 aan medische expertisekosten,

dit alles verminderd met een bedrag van € 4.000,- dat door Allianz reeds is betaald,

Tegen de gevorderde kosten van de deelgeschilprocedure en tegen de expertisekosten heeft Allianz, terecht, geen verweer gevoerd. Die bedragen kunnen met inachtneming van de 50%-regel in ieder geval worden toegewezen.

Wel heeft Allianz bezwaar tegen de kosten van Schade 24 BV.

Zij voert aan dat niet vast staat dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

De kosten zijn hoger dan de schade, er is slechts een beperkt aantal inhoudelijke werkzaamheden uitgevoerd, er is sprake van een onredelijk aantal gedeclareerde werkzaamheden, de urenoverzichten van Schade 24 BV geven onvoldoende informatie, omdat onduidelijk is wie de werkzaamheden heeft uitgevoerd nu wisselende uurtarieven worden gehanteerd, terwijl van een groot deel van de kosten niet valt in te zien hoe daarmee de gedeclareerde tijd zou zijn gemoeid. Het uurtarief en de opslag van 6% voor kantoorkosten zijn onredelijk en de kosten die met de overname van het dossier zijn gemoeid komen niet voor vergoeding in aanmerking, aldus Allianz.

Een ander bezwaar is voor Allianz dat voor het ontvangen van stukken structureel tijd in rekening wordt gebracht, terwijl daarnaast niet duidelijk is welke werkzaamheden onder de noemers “diverse poststukken”, overleg huisadvocaat”, “poststuk aan [naam persoon B] ” en “actualiseren dossier” vallen.

De kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW volgens Allianz niet doorstaan en moeten bovendien worden gezien als kosten ter instructie van het geding.

2.4.1
De rechtbank bespreekt eerst het laatstgenoemde verweer, dat het meest vergaand is.

Krachtens art. 6:96 lid 2 onder b en c BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, behalve voor zover in het concrete geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Dit laatste is onder meer het geval wanneer het gaat om kosten die zijn gemaakt ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak. Onder instructie van de zaak valt al hetgeen een advocaat moet doen om zich een beeld te vormen van de zaak, de daarop eventueel te baseren rechtsvordering en de proceskansen, inclusief het vergaren van feiten, de juridische analyse en het verzamelen van bewijs (ECLI:NL:HR:2005:AR2760).

Het verweer van Allianz komt erop neer dat de werkzaamheden van Schade 24 BV zijn verricht ter instructie van de zaak en daardoor onder het regime van de geliquideerde proceskosten vallen. Allianz vermeldt niet welk deel van de werkzaamheden van Schade 24 BV “ter instructie van de zaak” zouden hebben gediend, zodat de rechtbank aanneemt dat het verweer betrekking heeft op alle werkzaamheden van Schade 24 BV.

De rechtbank oordeelt als volgt.

In letselschadezaken als de onderhavige, is het niet ongebruikelijk dat gepoogd wordt de aansprakelijkheid voor, en de aard en omvang van de schade in overleg tussen de belangenbehartiger van de benadeelde partij en de aansprakelijkheidsverzekeraar vast te stellen, en dat met die vaststelling langdurige en intensieve bijstand is gemoeid en medisch onderzoek noodzakelijk is.

Om tot een serieus inhoudelijk overleg met de verzekeraar over aansprakelijkheid voor, en de aard en omvang van de schade te kunnen komen kan het niet anders zijn dan dat de belangenbehartiger zich een beeld van de zaak vormt en in meer of mindere mate feiten en bewijs moet vergaren. Dit betekent echter nog niet dat alleen al daarom de regels betreffende de proceskosten in dit geval op alle werkzaamheden van Schade 24 BV van toepassing zijn.

Wanneer deze werkzaamheden, die, zo staat als onweersproken vast, tot doel hadden om een buitengerechtelijke oplossing met Allianz te bereiken, van vergoeding zouden worden uitgesloten, alleen omdat deze voor een deel, en onvermijdelijk, hebben bestaan in het zich een beeld vormen van de zaak en het vergaren van feiten en bewijs, zou te zeer afbreuk worden gedaan aan het beginsel dat de schade waarvoor een ander aansprakelijk is, volledig dient te worden vergoed.

Het verweer dat deze kosten volledig onder het regime van de geliquideerde proceskosten vallen wordt dan ook verworpen.

Voor een deel “verschieten deze kosten wel van kleur”, namelijk voor zover zij zijn gemaakt na inschakeling van mr. Fakiri als advocaat. De rechtbank neemt op basis van de urenspecificatie aan dat dat is gebeurd op 15 december 2018. In zoverre vallen deze kosten onder het regime van de geliquideerde proceskosten.

Na 15 december 2018 zijn in totaal door Schade 24 BV nog 1 uur en 36 minuten aan de zaak besteed en in rekening gebracht, zodat van de gevorderde kosten voor werkzaamheden van Schade 24 BV een bedrag van € 461,74 inclusief kantoorkosten en btw in elk geval niet toewijsbaar is.

2.4.2
Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de kosten van Schade 24 BV de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan.

Allianz heeft, omdat zij slechts bezwaar heeft tegen de omvang van de kosten, kennelijk geen bezwaar tegen de aanleiding om de kosten te maken. Tussen haar en [naam eiser] is niet in geschil dat het in het onderhavige geval redelijk was om deskundige hulp in te schakelen.

Wat de omvang van de kosten van Schade 24 betreft geldt het volgende.

[naam eiser] stelt dat deze kosten zijn gemaakt en onderbouwt die stelling met nota’s en urenspecificaties. Het verweer van Allianz dat niet vast staat dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt is in feite een ongemotiveerde betwisting. Daaraan gaat de rechtbank voorbij.

Het verweer van Allianz dat de kosten hoger zijn dan de schade kan op zichzelf genomen ook niet slagen. Niet alleen omdat de uiteindelijke omvang van de schade nog niet vast staat, maar ook omdat de verhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de omvang van de schade slechts één factor is die van belang kan zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van deze kosten. Evenzeer zijn van belang de aard van de schade, de aard van de werkzaamheden en de complexiteit van de zaak. Zou de door Allianz bedoelde verhouding doorslaggevend zijn, dan zou dat een onwenselijke beperking zijn van de mogelijkheden voor een slachtoffer om deskundige bijstand te ontvangen.

Al deze factoren tezamen brengen de rechtbank tot het oordeel dat de hoogte van deze kosten niet als onredelijk kan worden beschouwd.

Het gehanteerde uurtarief van € 225,- met een opslag van 6% voor kantoorkosten acht de rechtbank in deze complexe zaak redelijk.

Voor het verweer dat de kosten die met de overname van het dossier zijn gemoeid niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen geldt het volgende. Dat er sprake is geweest van overname van het dossier blijkt niet. Allianz doelt op “frequente correspondentie met mr. Bueters”. Mr. Bueters is voor [naam eiser] in de deelgeschilprocedure als advocaat opgetreden. Het is redelijk dat de belangenbehartiger van [naam eiser] kosten heeft gemaakt voor overleg en correspondentie met mr. Bueters, voorafgaand aan die procedure, die immers tot doel heeft vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van de onderhavige soort schade. De betreffende werkzaamheden, zo blijkt uit de urenspecifiaties, kwamen tot aan de beslissing in het deelgeschil (20 juni 2018) neer op 3,2 uur. Ook die tijdsbesteding acht de rechtbank niet onredelijk. De contacten met mr. Bueters na die datum, het gaat nog om 38 minuten (€ 182,78 inclusief kantoorkosten en btw) kunnen in redelijkheid niet in rekening worden gebracht.

Allianz voert aan dat er slechts een beperkt aantal inhoudelijke werkzaamheden is verricht en dat een onredelijk aantal werkzaamheden is gedeclareerd.

Niet duidelijk is wat Allianz bedoelt met inhoudelijke werkzaamheden.

Voor zover zij daarmee doelt op werkzaamheden die gericht waren op het bereiken van een oplossing buiten rechte geldt het volgende. Namens [naam eiser] is een toelichting gegeven op de specificatie van de nota’s van Schade 24 BV. Omdat Allianz geen aansprakelijkheid aanvaardde, zo is namens hem gesteld, heeft overleg plaatsgevonden tussen de belangenbehartiger van Schade 24 BV en Allianz, en tussen deze belangenbehartiger en [naam eiser] . De in omloop zijnde verhalen over een mogelijke suïcidepoging van [naam eiser] hebben daarbij veel tijd gevergd. Dat gold ook voor het feit dat er sprake was van fors letsel bij [naam eiser] , terwijl de kwestie extra werd gecompliceerd doordat [naam eiser] de Nederlandse taal niet machtig was, aldus [naam eiser] .

Dat de werkzaamheden van Schade 24 BV voor een belangrijk deel hebben bestaan uit pogingen om tot een buitengerechtelijke oplossing te komen blijkt in voldoende mate uit de specificaties van de bestede tijd. Aannemelijk is dat de discussie over de toedracht en daarmee over de aansprakelijkheid veel tijd heeft gevergd. Daarbij betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat [naam eiser] niet alleen ernstig fysiek letsel had, maar dat zich bij hem ook psychisch letsel openbaarde (medische rapportage van 10 maart 2019, waarin wordt verwezen naar rapportage van 13 juli 2017 van GGZ Roermond), wat begrijpelijkerwijs tot meer werk aan de zijde van de schadebehandelaar zal hebben geleid. En ook betrekt de rechtbank daarbij, zoals hiervoor al overwogen, de werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding van de deelgeschilprocedure.

Allianz heeft aangevoerd dat niet duidelijk is wie de werkzaamheden heeft uitgevoerd en verwijst daarbij naar de verschillende uurtarieven. Namens [naam eiser] is bij conclusie van repliek een verklaring gegeven voor de verschillende uurtarieven: het zit hem in de aard van de werkzaamheden. Voor administratieve werkzaamheden en voor reiskosten (de rechtbank begrijpt: reistijd) is een ander tarief gerekend. Bij conclusie van dupliek is daarop namens Allianz niet inhoudelijk gereageerd, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de verklaring van de zijde van [naam eiser] op dit punt. Uit de verschillende specificaties blijkt dat de heer [naam persoon B] de schadebehandelaar is geweest.

Niet valt in te zien waarom voor het ontvangen van stukken geen tijd in rekening zou kunnen worden gebracht, zoals Allianz meent. Een ontvangen stuk moet immers gelezen en beoordeeld worden. Uit de specificaties blijkt dat voor ingekomen post in totaal 1 uur en 22 minuten is gerekend. Dat acht de rechtbank in deze zaak zeker niet onredelijk.

Allianz stelt tenslotte de vraag aan de orde welke werkzaamheden zijn begrepen onder de noemers “diverse poststukken”, overleg huisadvocaat”, “poststuk aan [naam persoon B] ” en “actualiseren dossier” en noemt daarbij de precieze data waarop deze werkzaamheden volgens de urenspecificatie zijn verricht.

De rechtbank kan zich voorstellen dat bij een aanzienlijke tijdsbesteding hoge eisen aan de specificatie mogen worden gesteld. Het blijkt hierbij echter te gaan om in totaal 36 minuten. Bij deze omvang volstaat, mede gelet op de complexiteit van de zaak, deze beperkte omschrijving.

2.4.3
Over de omvang van de declaraties van Schade 24 BV merkt de rechtbank het volgende op.

Namens [naam eiser] is aanspraak gemaakt op een voorschot op deze kosten van € 15.224,48,

volgens [naam eiser] op basis van vier nota’s:
- € 4.503,54 (19 september 2017)
- € 384,78 (10 oktober 2017)
- € 3.809,32 (10 november 2017)
- € 6.526,84 (22 januari 2019).

Allianz heeft tegen de berekening van dit bedrag op zichzelf geen bezwaar gemaakt.

Het bedrag van de nota van 10 oktober 2017 van € 384,78 is echter ten onrechte bij de andere nota’s opgeteld. Ten onrechte, omdat het om een creditfactuur ging (ter zake van reistijd en administratieve handelingen) en het bewuste bedrag dus in mindering had moeten worden gebracht. Per saldo maakt dat een verschil van tweemaal € 384,78 = € 769,56.

De kosten van werkzaamheden van Schade 24 BV kunnen dus ten hoogste € 14.452,92 inclusief kantoorkosten en btw bedragen.

Omdat de verweren van Allianz tegen deze kosten grotendeels zijn gepasseerd/verworpen en de bedragen van € 461,74 en € 182,78 inclusief kantoorkosten en btw (zie hiervoor onder 2.4.1 en 2.4.2) niet toewijsbaar zijn komt het bedrag aan redelijke buitengerechtelijke kosten op € 13.810,40, eveneens inclusief kantoorkosten en btw.

Door Allianz is € 4.000,- bij wijze van voorschot betaald.

Samenvattend:

Expertisekosten € 1.042,11
Kosten van werkzaamheden Schade 24 BV € 13.810,40

========+

€ 14.852,51
Begrote kosten deelgeschil € 5.273,53

========+

€ 20.126,04
Af: door Allianz reeds betaald € 4.000,--

=========-

€ 16.126,04

2.4.4
Artikel 6:96, lid 2 BW biedt zelf geen grondslag voor een recht op schadevergoeding. De bepaling veronderstelt juist dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat, in welk geval de bedoelde kosten mede, dat wil zeggen naast andere als gevolg van de gebeurtenis geleden schade, voor vergoeding in aanmerking komen. De grondslag voor schadevergoeding is in dit geval aanwezig, zoals overwogen onder 2.2.

Het bedrag van € 16.126,04 is voor de helft toewijsbaar, nu Allianz gehouden is om 50% van de door [naam eiser] geleden, door het ongeval veroorzaakte, schade te vergoeden.

Aldus zal aan buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 8.063,02 bij wijze van voorschot op de schadevergoeding worden toegewezen.

2.5
reiskosten

Deze post is door [naam eiser] , ook voor een voorschot, matig onderbouwd. De stelling dat [naam eiser] na zijn revalidatie diverse artsen en behandelaren heeft moeten bezoeken is door Allianz echter op zichzelf niet betwist en gelet op de ernst van zijn letsel is voldoende aannemelijk dat dat ook is gebeurd.

De rechtbank zal bij wijze van voorschot een bedrag van € 250,- toewijzen.

2.6
kledingkosten

Op deze kosten is bij wijze van voorschot een bedrag van € 75,- (50% van € 150,-) als onbetwist toewijsbaar.

2.7
daggeldvergoeding revalidatie

[naam eiser] maakt aanspraak op een voorschot op de schade in de vorm van een forfaitair berekend bedrag van € 1.008,- op basis van de Richtlijn Daggeldvergoeding Ziekenhuis en Revalidatie van de Letselschaderaad.

Onbetwist is het aantal dagen dat [naam eiser] heeft doorgebracht in ziekenhuis en revalidatiekliniek. Tegen de redelijkheid van de forfaitaire dagvergoeding als zodanig is geen gemotiveerd verweer gevoerd. Van het bedrag van € 1.008,- is daarom 50% toewijsbaar.

2.8
kosten van huishoudelijke hulp

Allianz bestrijdt de vordering op dit punt en voert aan dat iedere onderbouwing ontbreekt.

De rechtbank stelt voorop dat bij letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke partij aan de benadeelde moeten worden vergoed, wanneer deze door het letsel niet langer in staat is de deze werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen (ECLI:NL:HR:2008:BE9998).

Tegen de abstracte vorm van schadebegroting, zoals door [naam eiser] toegepast, heeft Allianz op zichzelf geen bezwaar gemaakt.

Voor vergoeding moet echter wel vaststaan dat er behoefte was aan huishoudelijke hulp en dat die hulp ook daadwerkelijk is verleend (ECLI:NL:GHAL:2015:2350).

Dat [naam eiser] beperkt was in de uitoefening van huishoudelijke taken blijkt met zoveel woorden uit de medische rapportage van 10 maart 2019 (productie 17 bij dagvaarding, pagina 2).

In de schadestaatspecificatie van [naam eiser] (productie 20 bij dagvaarding) staat slechts vermeld:

26-4-2017 t/m 31-12-2017, 5 uur per week, 36 wkn x 5 x 9 1.620,00
2018, 48 wkn x 3 x 9,5 1.368,00

Namens [naam eiser] is niets gesteld over zijn woonsituatie in de betreffende periode en over de toen al dan niet daadwerkelijk verleende hulp. De vordering tot betaling van een voorschot is bij gebreke van voldoende gegevens daarom niet toewijsbaar.

2.9
kosten van behandelingen die niet door een verzekeraar worden vergoed

Namens [naam eiser] is bij conclusie van repliek gesteld dat hij op grond van de Regeling Medische Zorg Asielzoekers aanspraak heeft gehad op kosteloze fysiotherapie en oefentherapie gedurende 12 maanden na ontslag uit het ziekenhuis. Daarna is, gelet op de aanhoudende klachten en beperkingen als gevolg van het letsel, aannemelijk dat er behoefte zal zijn aan aanvullende behandelingen door onder anderen een fysiotherapeut, aldus [naam eiser] .

Allianz heeft daarop bij dupliek niet meer gereageerd, zodat de rechtbank op zichzelf kan uitgaan van de noodzaak van aanvullende (fysiotherapeutische) behandelingen die niet op grond van voornoemde regeling worden vergoed.

Uit de hiervoor genoemde medische rapportage van 10 maart 2019 valt af te leiden dat voor [naam eiser] in de toekomst, in verband met een antegrade T2-pen in zijn schouder en een stent in zijn nierslagader, goede en verantwoorde medische zorg naar verwachting noodzakelijk zal blijven. Het medisch advies was toen voorts om de fysiotherapie voor minimaal een jaar te hervatten. Of dat is gebeurd, en zo ja, voor hoe lang, blijkt niet.

[naam eiser] heeft op voornoemde specificatie voor te verwachten behandelingen een stelpost van € 5.000,- vermeld. Dat bedrag geeft geen houvast. Daarbij komt dat informatie over de huidige en toekomstige verblijfsstatus van [naam eiser] ontbreekt. De vordering kan daarom ook op dit punt niet worden toegewezen.

2.10
Aldus is toewijsbaar:
€ 8.063,02
€ 250,-
€ 75,-
€ 504,-

=======+

€ 8.892,02

2.11
uitvoerbaarheid bij voorraad

Tegen de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring is geen verweer gevoerd. De veroordeling tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

2.12
proceskosten

Omdat [naam eiser] en Allianz over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld zal de rechtbank de proceskosten, ook die van het incident, compenseren. ECLI:NL:RBROT:2021:253

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies