Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBMNE 180119 verzoek getuigenverhoor, met exhibitievordering ex 843a Rv terzake van naam en adresgegevens getuigen; toegewezen

RBMNE 180119 verzoek getuigenverhoor, met exhibitievordering ex 843a Rv terzake van naam en adresgegevens getuigen; toegewezen

1. De procedure 

1.1.
Op 22 november 2018 heeft [ verzoekster ] een verzoekschrift ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. 

1.2. 
Bij faxbericht van 28 november 2018 heeft mr. Eijkelenboom bericht in deze procedure de belangen te behartigen van verweerders. 

1.3.
Op 13 december 2018 heeft [ verzoekster ] een aangepast verzoekschrift ingediend. 

1.4. 
Bij brief van 20 december 2018 van de griffier van deze rechtbank zijn verweerders in de gelegenheid gesteld bezwaar te maken tegen inwilliging van de verzoeken. 

1.5.
Bij faxbericht van 18 december 2018 heeft mr. Eijkelenboom bericht dat verweerders geen bezwaar maken tegen inwilliging van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. 

1.6. 
Bij faxbericht van 15 januari 2019 hebben verweerders bericht dat zij zich wat betreft de 843a-vordering refereren aan het oordeel van de kantonrechter.

2. Het verzoek 

2.1.
[ verzoekster ] verzoekt: 
- een voorlopig getuigenverhoor van de onder paragraaf 13 van het verzoekschrift genoemde getuigen te bevelen onder bepaling van een datum, tijd en plaats met benoeming van een rechter-commissaris ten overstaan van wie het verhoor zal plaatsvinden; 
- een datum te bepalen waarop het verzoekschrift en de daarop te geven beslissing aan verweerders dient te worden toegezonden; 
- verweerders te bevelen binnen 14 dagen na de beschikking de adresgegevens, dan wel indien dit niet mogelijk is de volledige voornamen en geboortedata van de getuigen 3, 4 en 6 tot en met 8 (te weten A , B, C en D ) aan [ verzoekster ] te verstrekken. 

2.2. 
[ verzoekster ] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. 
[ verzoekster ] is van 1 augustus 2008 tot en met 31 maart 2018 leerkracht geweest bij de school als kleuterjuf op locatie De Wingerd in Lelystad. In de ochtend van 4 februari 20015 is [ verzoekster ] als gevolg van gladheid ten val gekomen, In geschil tussen partijen is waar het ongeval heeft plaatsgevonden. [ verzoekster ] stelt dat zij op het privé-terrein van de school is gevallen en heeft verweerders aansprakelijk gesteld voor de schade die [ verzoekster ] in de uitoefening van haar werkzaamheden is overkomen. Verweerders stellen dat [ verzoekster ] niet op het terrein van de school is gevallen maar op de openbare wegen wijzen daarom de aansprakelijkheid voor het ongeval en de gevolgen hiervan af. [ verzoekster ] wil door het middel van het horen van getuigen duidelijkheid verkrijgen over de ongevalslocatie. Zij wil daarbij (in ieder geval) de volgende getuigen laten horen: 
1. [ verzoekster ] , partij-getuige; 
2, E ; 
3. A; 
4. B; 
5. F ; 
6. C ; 
7. D ; 
8. G . 

2.3. 
[ verzoekster ] heeft recht en belang bij het ontvangen van de adresgegevens, dan wel indien dit niet mogelijk is de volledige voornamen en geboortedata van de getuigen A, B, C en D . Wanneer deze gegevens niet door verweerders worden verstrekt, wordt [ verzoekster ] belet in haar mogelijkheid van het horen van deze getuigen.

3. De beoordeling 

3.1.
[ verzoekster ] is voornemens een deelgeschilprocedure te starten, teneinde een verklaring voor recht te vragen dat verweerders aansprakelijk zijn voor de schade die [ verzoekster ] als gevolg van het ongeval op 4 februari 2015 lijdt, heeft geleden en nog zal lijden. 
Voor een aansprakelijkheidsprakelijkheidsoordeel in een deelgeschilprocedure moet het feitenonderzoek volledig zijn afgerond, omdat in een deelgeschilprocedure geen plaats is voor feitenonderzoek. 
Ook om die reden heeft [ verzoekster ] belang bij het horen van getuigen. 

3.2.
Verweerders hebben geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek, dat op de wet gegrond is, om de in het verzoekschrift genoemde getuigen te horen over de in het verzoek genoemde feiten en omstandigheden, zal daarom als onweersproken worden toegewezen. 

3.3. 
Nu verweerders daarin kennelijk geen bezwaar zien, zal ook het verzoek om hen op te dragen om de gegevens van de getuigen aan [ verzoekster ] te verstrekken worden toegewezen. 

3.4. 
Uit een oogpunt van werklastbeheersing ziet de kantonrechter aanleiding om het aantal te horen getuigen vooralsnog te beperken tot vijf. [ verzoekster ] wordt verzocht aan de rechter-commissaris schriftelijk de namen van de vijf getuigen op te geven die zij allereerst wenst te doen horen. De kantonrechter merkt daarbij op dat indien [ verzoekster ] na het horen van deze getuigen het horen van nog enkele getuigen noodzakelijk acht, de beslissing daaromtrent door de rechter-commissaris zal worden genomen. 

3.5. 
De kantonrechter wijst [ verzoekster ] erop dat voor het verhoor in beginsel maximaal 45 minuten per getuige zal worden gereserveerd. Indien [ verzoekster ] van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, dient zij daartoe - binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking - een gemotiveerd verzoek aan de rechter-commissaris te doen. 

3.6. 
De gemachtigde van [ verzoekster ] dient voor de oproeping van de getuigen zorg te dragen. Bij het tijdstip van oproeping van de getuigen dient rekening te worden gehouden met de te verwachten duur van het verhoor per getuige. De namen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week vóór het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven. 

3.7. 
Nu de gemachtigde van verweerders van de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking zal ontvangen, is [ verzoekster ] niet gehouden verweerders op grond van artikel 188 lid 1 Rv een afschrift van deze beschikking te zenden. 

Met dank aan mr. J. Roth, SAP Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak. www.letselschademagazine.nl/2019/RBMNE-180119

Red de Rechtstaat
 

Inloggen

 
Uw advertentie hier?
 
 
 

LSA Letselschade Magazine Week 7 2019


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER landbouwvoertuigen, snorfietsen

RBMNE 060219 te hard rijdende, te brede tractorcomb. aansprakelijk voor schrik, val en schade scooter; ES 10% vanwege muziek; na billijkheidscorrectie 0%;
- kosten verzocht 41,3 uur x € 270,00 + 6% + 21%, toegewezen 30 uur x € 245 + 6% + 21%

citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBMNE-060219

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift, 
- het verweerschrift, 
- de mondelinge behandeling, gehouden op 13 november 2018, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier, 
- de pleitaantekeningen van zowel [ verzoekster ] als [ verweerders ] ,

Daarna stond de zaak voor het geven van een beschikking op 9 januari 2019. Het geven van de beschikking is vervolgens aangehouden. Bij brief van 15 januari 2019 zijn partijen ingelicht over de reden van aanhouding. Aangegeven is dat de behandelend rechter op dit moment niet zelf de beschikking kan geven, maar dat inmiddels een collega is aangewezen die de verantwoordelijkheid voor de uitspraak op zich neemt. Aan partijen is gevraagd of zij prijs stellen op een nieuwe mondelinge behandeling, dan wel dat de beschikking gegeven kan worden. Op hun verzoek hebben partijen de aantekeningen van de mondelinge behandeling ontvangen. [ verzoekster ] en [ verweerders ] hebben vervolgens bij faxbericht van 29 januari 2019 hun reacties gegeven. Partijen hebben niet om een nieuwe behandeling op zitting verzocht. 

2. De feiten 

2.1. 
Op 23 januari 2012, omstreeks 13:15 uur, heeft een ongeval plaatsgevonden op de Boelenhofseweg te Hoogland (gemeente Amersfoort). [ verzoekster ] en [ verweerder ] zijn in de slingerbocht die de weg maakt met hun beide voertuigen met elkaar in botsing gekomen. 

2.2. 
De Boelenhofseweg is een weg buiten de bebouwde kom, die paralel loopt aan de provinciale weg N199. Aan de N199 staat een tankstation. De slingerbocht die de Boelenhofseweg maakt, loopt om dit tankstation heen. Op de N199 geldt een verbod voor landbouwvoertuigen. Landbouwvoertuigen moeten gebruik maken van de Boelenhofseweg die is opengesteld voor bestemmingsverkeer (er bevinden zich verschillende boerderijen en woningen aan de Boelenhofseweg). Op de Boelenhofseweg geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. Landbouwvoertuigen mogen er maximaal 25 km per uur rijden. 

2.3. 
[ verweerder ] reed de slingerbocht in die voor hem eerst naar links ging en daarna naar rechts, met zijn tractor merk Claas, type Axion 840, met aanhangwagen (hierna: de tractorcombinatie) in de richting van Bunschoten. De tractorcombinatie had een lengte van 13,7 meter, een breedte van 2,95 meter en een totale massa tussen de 38.000 en 42.000 kilogram. 

2.4. 
[ verzoekster ] , op dat moment 17 jaar oud, reed op haar snorscooter van het merk Piaggio, type C38 /Vespa LXSO (hierna: de snorscooter) in de tegengestelde richting. De snorscooter was 74 centimeter breed en had een massa van 102 kilogram. 

2.5.
[ verzoekster ] heeft in de slingerbocht op de Boelenhofseweg plotseling geremd met haar voorrem toen zij de tractorcombinatie zag aankomen, waardoor zij de macht over het stuur verloor en met haar snorscooter onderuit ging en onder het linker voorwiel van de tractorcombinatie terecht is gekomen. [ verzoekster ] heeft als gevolg van het ongeval onder meer een hemipelvectomie (amputatie van het been, heup en bekken) moeten ondergaan. Daarnaast is haar milt gescheurd en verwijderd en had zij een pneumothorax (klaplong), een longkneuzing en een veelvoud aan fracturen. 

2.6.
[ verzoekster ] en [ verweerder ] maakten voorafgaand aan het ongeval allebei veelvuldig gebruik van de Boelenhofseweg. Voor [ verzoekster ] was het de weg van en naar haar middelbare school. [ verweerder ] was aan het werk als chauffeur op de tractor. Hij reed in de periode voor het ongeval voor zijn werk ongeveer twintig dagen lang acht keer per dag heen en weer met de tractorcombinatie. 

2.7. 
Uit de opgemaakte processen-verbaal blijkt dat de politie [ verweerder ] na het ongeval heeft verhoord om de toedracht in kaart te brengen. De politie heeft twee andere getuigen gehoord. Een daarvan, mevrouw O, een fietser die [ verweerder ] met de tractorcombinatie vlak voor het ongeval plaatsvond heeft gepasseerd, heeft een voor de toedracht relevante verklaring afgelegd. [ verzoekster ] is niet verhoord door de politie. Zij was in kritieke toestand in het ziekenhuis opgenomen. [ verzoekster ] weet zich (bijna) niets meer te herinneren van het ongeval. 

2.8. 
[ verweerder ] heeft op 23 januari 2012 tegenover de politie het volgende verklaard: 
"( ... ) Ik stopte voor het rode verkeerslicht. Ik zag dat er een oudere vrouw op een fiets voor hetzelfde verkeerlicht stond te wachten. Toen het licht groen werd zag ik dat de vrouw op de fiets overstak. Ik liet haar voor mij uit rijden omdat mijn traktor 2,90 meter breed is en de 'weg vrij smal is. Ik zag dat de vrouw op de fiets rechtsaf ging. Toen ik ruimte had heb ik de vrouw op de fiets ingehaald. 
Nadat ik de vrouw had ingehaald verhoogde ik mijn snelheid naar ongeveer 40 kilometer per uur. De traktor kan overigens 50. Op een gegeven moment is er rechts naast mij, langs de rijbaan van de Bunschoterstraat, een pompstation. De parallelweg loopt hier met een slingerbocht omheen. De weg gaat eerst in een bocht naar links en vervolgens om het pompstation heen naar rechts. Nog voor deze slinger is er aan de linkerzijde een zijweg. Ter hoogte van deze zijweg liet ik mijn gas los. Tevens heb ik nog kort mijn rem gebruikt. Deze hoef ik maar even aan te raken om de traktor af te laten remmen. Dit deed ik dus ook. Op het moment dat ik die slingerbocht naderde reed ik ongeveer 30 kilometer per uur. Ik reed geheel rechts van de rijbaan. Dit deed ik omdat ik uit ervaring weet dat er regelmatig fietsers of ander verkeer uit tegengestelde rijrichting komt. 

U vraagt mij of ik verlichting voerde: Ik had alleen stadslichten aan. 
Op de traktor zitten onder andere twee zwaailichten. Deze stonden uit. 

Op het moment dat ik de slinger naar rechts in stuurde zag ik ineens een scooter uit tegengestelde richting aan komen rijden. Ik zag dat dit een blauwe scooter was. Ik zag dat er aan de voorzijde van deze scooter een groot scherm zat. Ik schrok hier in eerste instantie van. Ik heb vervolgens vol geremd. Op het moment dat ik schrok stuur ik nog verder naar rechts. Ik stuurde dus de berm in om nog meer ruimte te maken. Op het moment dat ik de bocht instuurde had ik alleen mijn linker hand aan het stuur. Mijn rechter hand hield ik bij de versnellingspook. Toen ik schrok en de berm instuurde bracht ik mijn rechter hand direkt naar het stuur en stuurde dus met twee handen verder de berm in. 

Ik zag dat de bestuurder van de scooter beide handen aan het stuur hield 

Ik zag dat de bestuurder van de scooter schrok. Ik zag namelijk dat haar lichaam omhoog kwam. 

Ik denk dat de scooter met een snelheid van ongeveer 25 a 30 kilometer per uur reed Op het moment dat de scooter zag aankomen, zag ik dat deze tegen de streep van het midden van de rijbaan aan reed. Ik bedoel hiermee dat de scooter wel op eigen weghelft reed meer wel tegen de middenstreep aanreed. 

Vervolgens zag ik dat de bestuurder remde. Ik zag de bestuurder remde met de voorrem. Ik zag namelijk dat de bestuurder omhoog kwam. Ik zag ook dat de bestuurder met haar hand de remhendel indrukte. Meteen hierna zag ik dat de bestuurder met de scooter onderuit ging. Ik dat de scooter richting mijn traktor kwam gegleden. Ik zag via mijn linker buitenspiegel dat de scooter tussen de traktor en kar gleed en vervolgens tegen het linker wiel van de kar aan kwam. Ik zag dat de bestuurder voor het linker wiel van de kar terecht kwam. Ik zag via mijn linker buitenspiegel dat het linker wiel van mijn kar blokkeerde. Op het moment dat de bestuurder voor mijn wiel terecht kwam had ik nog een beetje snelheid. Ik denk dat ik ongeveer drie (3) meter doorreed terwijl de bestuurder van de scooter voor het linker wiel bleef hangen en dus mee werd voortbewogen. 

Toen ik tot stilstand was gekomen ben ik meteen uit mijn cabine gesprongen. Ik zag dat de bestuurder voor het wiel van de kar bleef liggen. Ik zag dat de bestuurder op de rechter zijde van het lichaam lag. Ik zag dat de benen onder de kar lagen en dat het hoofd in de richting van de weg lag. Ik ben meteen weer ingestapt. Ik heb de traktor meteen achteruit gereden. Ik ben weer uitgestapt en ben naar de andere kant van de traktor gelopen. 
( ... )
 " 

2.9. 
De fietser, mevrouw O, heeft op 23 januari 2012 het volgende verklaard: 
"( ... ) Ik reed op een fiets met trapondersteuning in stand 2. Ik denk dat ik in stand 2 met een snelheid van ongeveer 10 km/u reed.
Ik zag dat ik links werd ingehaald door een tractor met daarachter gekoppeld een aanhangwagen. Ik zag dat de tractor langzaam van mij wegreed en dus sneller reed dan 10 km/u. als waarmee ik reed.
Ik zag dat de tractor en de aanhangwagen breed waren. Ik zag dat op het moment dat de combinatie zoveel mogelijk rechts reed op de parallelweg de linkerwielen links naast de wegas rolden. Ik schrok wel enigszins op het moment dat ik werd ingehaald gezien de omvang van de combinatie. ( ... )

2.10. 
Uit het proces-verbaal van bevindingen dat op 23 januari 2012 is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de kleding en telefoon van [ verzoekster ] blijkt dat in de jas van [ verzoekster ] een smartphone zat en dat een headset was aangesloten, waarbij de telefoon op de mp3-functie stond. 

2.11.
Op 28 januari 2012 is door de politie Utrecht het proces-verbaal naar aanleiding van het onderzoek van de snorscooter d.d. 25 januari 2012 opgemaakt. Hierin staat onder meer: 
"( ... ) 
Het voertuig verkeerde, voor zover na te gaan, in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud en geen gebreken, laat staan gebreken die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. 
( ... ) 
Afgelezen constructiesnelheid van de rollentestbank bedroeg: 40 km/h. 
Meetcorrectie: -5. 
Daadwerkelijke constructiesnelheid van: 35 km/h. 
Maximum constructiesnelheid op het kentekenbewijs vermeerderd met 4 km/h : 29 km/h. 
Daadwerkelijke overschrijding van: 6 km/h 

De overschrijding van de constructiesnelheid is vermoedelijk veroorzaakt doordat de varioring verwijderd is. 
(... 
) " 

2.12. 
De afdeling Verkeersongevallenanalyse van de politie (VOA) heeft een onderzoek verricht op de plaats van het ongeval. Omdat het Openbaar Ministerie op basis van de onderzoeksresultaten van de VOA oordeelde dat [ verweerder ] geen verwijt trof, is het onderzoek van de VOA niet in een proces-verbaal opgenomen. De door de VOA verzamelde informatie kon wel door partijen worden opgevraagd. 

2.13. 
Beide partijen hebben eenzijdig een ongevallenanalyse laten uitvoeren om een betere reconstructie van de toedracht van het ongeval te kunnen maken. Namens ASR is opdracht gegeven aan Meeuwissen Verkeers Ongevallen Analyse (MVOA). MVOA heeft op 21 juli 2012 gerapporteerd. [ verzoekster ] heeft opdracht voor een ongevallenanalyse verstrekt aan Baan Hofman. Het rapport van Baan Hofman dateert van 12 april 2013. Onderzoeksbevindingen van de VOA zijn in deze rapporten meegenomen. 

2.14. 
Omdat partijen het over verschillende punten niet eens werden hebben zij gezamenlijk opdracht gegeven aan Ongevallen Analyse Nederland (OAN) voor een ongevallenanalyse. Op 5 januari 2018 heeft ing. W namens OAN gerapporteerd. 

2.15. 
ASR (voorheen Generali) is de WAM-verzekeraar van de tractorcombinatie die door [ verweerder ] werd bestuurd. Zij heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval niet erkend. 

3. Het deelgeschil 

3.1.
[ verzoekster ] verzoekt om: 
- tussen partijen voor recht te verklaren dat [ verweerder ] aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval dat [ verzoekster ] op 23 januari 2012 is overkomen en dat ASR dientengevolge gehouden is om tot vergoeding van de schade van [ verzoekster ] over te gaan; 
- de kosten van rechtsbijstand van [ verzoekster ] te begroten op grond van hetgeen [ verzoekster ] heeft aangegeven onder randnummers 199 en 200 en te beslissen dat [ verweerders ] hoofdelijk in de begrote kosten van dit deelgeschil wordt veroordeeld. 

3.2. 
[ verzoekster ] is van mening dat [ verweerder ] zich onrechtmatig jegens haar heeft gedragen door op een gevaarzettende wijze aan het verkeer deel te nemen. [ verzoekster ] stelt dat [ verweerder ] met een omvangrijke tractorcombinatie in strijd met artikel 22 onder c Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) met een (veel) te hoge snelheid een onoverzichtelijke bocht is genaderd, waarbij hij onvoldoende rechts heeft gehouden en overige weggebruikers niet heeft geattendeerd op zijn aanwezigheid. Dit rijgedrag valt [ verweerder ] te verwijten en is hem ook toe te rekenen, aldus [ verzoekster ] . Volgens [ verzoekster ] heeft [ verweerder ] de artikelen 5 en 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) overtreden. 
[ verzoekster ] stelt verder dat het ongeval een gevolg is van het gevaarzettende rijgedrag van [ verweerder ] , aangezien [ verzoekster ] zich als gevolg van het plotseling opdoemen van de tractorcombinatie in de bocht in een schrikreactie onderuit heeft geremd en vervolgens onder het linker voorwiel van de aanhangwagen van de tractorcombinatie terecht is gekomen waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de aansprakelijkheid van [ verweerder ] is ASR volgens [ verzoekster ] jegens haar schadeplichtig op grond van artikel 3 jo artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). 

3.3. 
[ verweerders ] acht zich niet aansprakelijk. Volgens [ verweerders ] kan hem geen verwijt worden gemaakt. Hij stelt dat de oorzaak van het ongeval is gelegen in het feit dat [ verzoekster ] zich onderuit heeft geremd in de bocht. Er was voor haar voldoende tijd en ruimte om de tractorcombinatie zonder probleem te passeren, aldus [ verweerders ] Als de combinatie een andere positie op de weg had gehad en/of met een lagere snelheid had gereden was dit volgens hem niet anders geweest. 

3.4. 
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

4. De beoordeling 

Inleiding 

4.1. 
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. 
Gelet op dit doel dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst dan wel, indien dat niet het geval is, of het verzoek moet worden afgewezen op grond van artikel 1019z Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze procedure gaat over de aansprakelijkheid van [ verweerder ] voor schade die [ verzoekster ] stelt te hebben geleden door het ongeval op 23 januari 2012. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de omvang van de zaak, niet kan worden uitgesloten dat met een oordeel over deze kwestie de ontstane impasse tussen partijen kan worden doorbroken en dat de onderhandelingen kunnen worden voortgezet. Dit betekent dat aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan. 

Uitgangspunten 

4.2.
In deze zaak is sprake van een verkeersongeval tussen twee gemotoriseerde voertuigen. Het staat ook vast dat [ verzoekster ] schade heeft gelden. Om aansprakelijkheid van [ verweerder ] , en dus de plicht om schade te vergoeden, aan te kunnen nemen, vereist de wet echter dat er niet alleen sprake is van schade, maar ook dat die schade het gevolg is van - kort gezegd - een fout waardoor de schade is ontstaan. Het kan gaan om een fout die door een persoon is gemaakt, doordat hij of zij onrechtmatig handelt. In artikel 6: 162 lid 2 BW staat hierover: als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. 
De te beantwoorden vraag is in de eerste plaats of [ verweerder ] onrechtmatig heeft gehandeld. 
Vervolgens moet beoordeeld worden of sprake van een causaal verband tussen het handelen van [ verweerder ] en het ongeval. 

Wat is er gebeurd op 23 januari 2012? 

4.3. 
De omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden moeten in de eerste plaats worden afgeleid uit de verklaringen van [ verweerder ] zelf en van de fietser die hij kort voor het ongeval heeft ingehaald. [ verzoekster ] heeft geen herinneringen aan het ongeval. Verder heeft de VOA informatie over het ongeval verzameld. Partijen hebben deze informatie kunnen opvragen. Omdat over een aantal feitelijkheden weinig bekend is, hebben partijen nader onderzoek laten uitvoeren voor een reconstructie van de toedracht. MVOA heeft in opdracht van [ verweerders ] een ongevallenanalyse uitgevoerd en Baan Hofman in opdracht van [ verzoekster ] . De naar aanleiding van deze onderzoeken opgestelde rapporten bevatten op onderdelen echter verschillende (theoretische) gezichtspunten, zodat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan OAN om een ongevallenanalyse uit te voeren. 

4.4. 
[ verzoekster ] en [ verweerders ] zijn in beginsel aan het naar aanleiding van bet onderzoek van OAN opgestelde rapport gebonden. Alleen als een partij zwaarwegende en steekhoudende bezwaren heeft tegen de inhoud van een in gezamenlijk opdracht verstrekt deskundigen bericht moet dat tot terzijdelegging van het rapport leiden. 
[ verweerders ] heeft bezwaren geuit tegen de inhoud van het rapport van OAN voor wat betreft de bevindingen over de snelheid waarmee [ verweerder ] reed voorafgaand aan het ongeval. Hij heeft verder opgemerkt dat OAN haar conclusies over het causaal verband niet voldoende heeft onderbouwd en dat zij daarmee bovendien buiten haar vraagstelling is getreden. Het was bovendien niet aan OAN om dit te beoordelen, omdat het causaal verband een vraag van juridische aard is, aldus [ verweerders ].
Deze bezwaren staan er naar het oordeel van de rechtbank echter niet aan in de weg dat een eigen oordeel kan worden gegeven over de voorliggende vraag of [ verweerder ] aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval dat [ verzoekster ] op 23 januari 2012 is overkomen. De rechtbank acht zich op basis van de opgemaakte rapporten voldoende voorgelicht om hiertoe te kunnen overgaan. 

Onrechtmatig handelen van [ verweerder ] 

4.5. 
Het staat vast dat [ verweerder ] met zijn tractorcombinatie met een behoorlijke snelheid een onoverzichtelijke bocht is ingegaan. De precieze snelheid waarmee hij reed is niet komen vast te staan. Gebleken is wel dat [ verweerder ] in strijd met artikel 22 onder c RVV de ter plekke geldende maximumsnelheid van 25 km/u heeft overschreden, maar wat betreft de mate van overschrijding bestaat geen overeenstemming. [ verweerders ] verwijst naar de verklaring van [ verweerder ] zelf, waarin staat dat hij ongeveer 30 km/u reed. Verder doet [ verweerder ] c.s een beroep op het onderzoek van VOA waaruit volgens hem ook een snelheid van 30 km/u blijkt, en het rapport van MVOA waarin wordt uitgegaan van een snelheid van ongeveer 30 km/u. Volgens [ verzoekster ] moet aansluiting worden gezocht bij de rapporten van Baan Hofman en OAN. Baan Hofman komt in haar berekening tot een maximum van 33 km/u en sluit daarnaast niet uit dat - onder bepaalde omstandigheden afhankelijk van het moment waarop [ verweerder ] is gaan remmen 45 tot 50 km/u de maximumsnelheid is geweest. OAN heeft beredeneerd dat niet onwaarschijnlijk is dat de snelheid tenminste 43 km/u is geweest. 

4.6. 
Er zijn dus verschillende gezichtspunten over de mate waarin [ verweerder ] de maximum snelheid heeft overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze kwestie echter in het midden blijven en kan om die reden ook het bezwaar van [ verweerders ] op het rapport van OAN voor zover dat betrekking heeft op de snelheid van [ verweerder ] onbesproken blijven. Geoordeeld wordt dat de exacte snelheid van [ verweerder ] niet van doorslaggevend belang is omdat hoe dan ook vast staat dat hij met zijn brede en zware voertuig de maximurn snelheid van 25 km/u heeft overschreden met 5 kmlu. Daarbij is ook van belang dat [ verweerder ] door een (onoverzichtelijke) bocht reed waarbij van hem verwacht mocht worden dat hij zijn snelheid daaraan zou aanpassen, zelfs tot een langere snelheid dan 25 km/u, wat hij dus niet heeft gedaan. [ verweerder ] voerde bovendien geen licht- en/of geluidssignalen om de tegenliggers te waarschuwen, terwijl hij met de tractorcombinatie een groot deel van de weg in beslag nam en daarmee deels ook op de rijbaan van de tegenliggers reed. Gebleken is dat het voertuig door zijn omvang met de linkerwielen over de wegas (een doorgetrokken streep) moest rijden. Op de plek waar het ongeval plaatsvond was de resterende rijbaanbreedte naast de tractorcombinatie tussen de 1,25 meter en 0,95 meter. [ verweerder ] was bekend op de Boelenhofseweg en hij wist dus dat hij kwetsbare verkeersdeelnemers als fietsers en scooterrijders zou kunnen tegenkomen die hem in de slingerbocht pas laat zouden opmerken. Daarmee had hij rekening moeten houden. 

4.7. 
De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van al deze omstandigheden zo ernstig is dat sprake is van een schending is van 5 en 6 WVW. [ verweerder ] heeft gevaar op de weg veroorzaakt en zijn rijgedrag heeft er toe geleid dat een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden waarbij [ verzoekster ] blijvend en ernstig letsel heeft opgelopen. 
Deze normschending maakt dat de gedragingen van [ verweerder ] onrechtmatig zijn jegens [ verzoekster ] . 

Causaal verband onrechtmatige gedraging en ongeval 

4.8. 
Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van onrechtmatig handelen van [ verweerder ] omdat hij met een breed voertuig, dat deels op de weghelft van de tegenliggers reed, zonder licht- en geluidssignalen te voeren, met te hoge snelheid door een onoverzichtelijke bocht is gegaan. Als gevolg van deze onrechtmatige gedraging is [ verzoekster ] geschrokken, direct daarna gaan remmen en vervolgens onder de vrachtwagen komen. De rechtbank acht het causale verband tussen het rijgedrag van [ verweerder ] en het ongeval dan ook gegeven. 

4.9. 
Anders dan [ verweerders ] beeft bepleit staat het feit dat [ verzoekster ] zich onderuit heeft geremd in de bocht naar het oordeel van de rechtbank niet aan het aannemen van causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van [ verweerder ] en het ongeval in de weg. Deze schrikreactie van [ verzoekster ] bij het opdoemen van een voertuig van groot formaat in de bocht moet naar het oordeel van de rechtbank als een normaal menselijke reactie worden gezien waarvan [ verzoekster ] geen verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of er voldoende tijd en ruimte voor [ verzoekster ] was om de tractorcombinatie conflictloos te kunnen passeren en of zij anders had kunnen reageren dan bruusk te remmen acht de rechtbank daarom voor de beoordeling van het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van [ verweerder ] en het ongeval niet relevant. Vaststaat dat de (schrikreactie van [ verzoekster ] het directe gevolg was van de onrechtmatige gedraging van [ verweerder ] en op grond van het voorgaande niet kan worden aangemerkt als (zelfstandige) oorzaak van het ongeval. 

Eigen schuld 

4.10. 
Bij eigen schuld is het uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, naar rato van de causaliteit van die omstandigheden (artikel 6: 101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit geval is daarom de vraag aan de orde of er aan [ verzoekster ] toe te rekenen omstandigheden zijn die aan het ongeval - en daarmee de schade - hebben bijgedragen en zo ja, ik welke mate. 

4.11. 
[ verweerders ] heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat er van moet worden uitgegaan dat [ verzoekster ] haar snelheid in de slingerbocht niet voldoende heeft aangepast. Hij heeft dit met name gebaseerd op het proces-verbaal van 28 januari 2012 waarin wordt in gegaan op de constructiesnelheid van de scooter. Uit dit proces-verbaal volgt dat met een daadwerkelijke constructiesnelheid van 35 km/u en een maximum constructiesnelheid op het kentekenbewijs van 29 km/u (25 km/u vermeerderd met 4 km/u) sprake is van een vermoedelijke overschrijding van de constructiesnelheid van 6 km/u. 
Hoewel hieruit kan worden afgeleid dat [ verzoekster ] met haar scooter sneller kon rijden dan was toegestaan, betekent dit echter nog niet zonder meer dat zij dit voorafgaand aan het ongeval ook heeft gedaan. Daar komt bij dat [ verzoekster ] zelf niet meer weet wat haar naderingssnelheid was en dat de deskundigen door een gebrek aan aanknopingspunten hierover niets hebben kunnen vaststellen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat er gelet op het ontbreken van concrete aanwijzingen niet van uitgegaan kan worden dat [ verzoekster ] te snel heeft gereden. 

4.12. 
[ verweerders ] heeft verder gesteld dat [ verzoekster ] een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij bruusk beeft geremd en de macht over het stuur heeft verloren. 
De rechtbank gaat ook hier aan voorbij. De schrikreactie moet als een menselijke reactie worden gezien en het remmen is daarvan een logisch gevolg. Ook al is remmen in een bocht misschien niet de meest verstandige reactie, dit is niet een omstandigheid die aan [ verzoekster ] kan worden toegerekend. 

4.13. 
Dat [ verzoekster ] mogelijk te veel naar links (tegen de as van de weg) reed, zoals [ verweerders ] heeft betoogd, wordt evenmin meegenomen. Aangenomen wordt dat deze rijweg voor haar in de bocht de meest logische was. Of de bandenspanning van de scooter in orde was en of dit van invloed is geweest op de weglegging in de bocht wordt door de rechtbank dusdanig marginaal geacht dat wordt aangenomen dat dit voor de eigen schuldverdeling niet uitmaakt. 

4.14. 
Wat wel in aanmerking wordt genomen is dat is gebleken dat [ verzoekster ] tijdens het rijden naar muziek luisterde. Zij had in ieder geval één oortje in van de koptelefoon van haar mp-3 speler als gevolg waarvan zij de tractorcombinatie minder goed kon horen aankomen. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze omstandigheid heeft bijgedragen aan het ongeval. 

4.15. 
Bij weging van de gedragingen van [ verweerder ] enerzijds en die van [ verzoekster ] anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de aanrijding voor het overgrote deel is te wijten aan de fout van [ verweerder ] . De rechtbank acht voor de afweging van doorslaggevend belang dat [ verweerder ] met een breed en zwaar voertuig op een in verhouding smalle weg te snel heeft gereden en dat hij in een onoverzichtelijke bocht zijn snelheid niet voldoende heeft aangepast. De rechtbank is van oordeel dat de aan [ verweerder ] en [ verzoekster ] toe te rekenen omstandigheden die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade moeten worden gesteld op 90% voor [ verweerder ] en 10% voor [ verzoekster ] . 

Billijkheidscorrectie. 

4.16. 
Vervolgens moet beoordeeld worden of, wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en/of de. andere omstandigheden van het geval, het toepassen van een billijkheidscorrectie gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord moet worden. Voor dit oordeel is allereerst van belang dat [ verweerder ] een ernstige fout heeft gemaakt door met een breed en zwaar voertuig te snel door een onoverzichtelijke bocht te rijden op een smalle weg waarvan hij wist dat deze ook werd gebruikt door - met name ten opzichte van de tractorcombinatie - zwakkere verkeersdeelnemers zoals (brom)fietsers en scooters. Daarnaast spelen de jonge leeftijd van [ verzoekster ] ten tijde van het ongeval, het door de aanrijding ontstane ernstige letsel en de blijvende gevolgen die het ongeval voor [ verzoekster ] met zich brengt, een belangrijke rol. Ook wordt in aanmerking genomen dat er aan de zijde van [ verweerder ] verzekeringsdekking is. 

4.17. 
De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om de schade op grond van de billijkheid volledig voor rekening te laten komen van [ verweerder ] . 

De kosten van het deelgeschil 

4.18.
De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. 

4.19.
[ verzoekster ] maakt in het verzoekschrift aanspraak op een bedrag van € 10.389,06 (30 uur en een tarief van € 270,00 exclusief 6% kantoorkosten en btw). Het uurtarief en de uurbesteding zijn volgens de advocaat van [ verzoekster ] redelijk. [ verzoekster ] voert aan dat het gaat om een procedure waarbij sprake is van ernstig letsel en een uitvoerige aansprakelijkheidsdiscussie, In het uitgebreide verzoekschrift zijn alle uitgebrachte deskundigenberichten besproken, aldus [ verzoekster ] . Voor het bestuderen van het verweerschrift, het voorbereiden van de mondelinge behandeling en de zitting moet volgens [ verzoekster ] rekening worden gehouden met aanvullend 11 :30 uur. 

4.20. 
[ verweerders ] maakt bezwaar tegen zowel het aantal in rekening gebrachte uren als het opgevoerde uurtarief. 

4.21. 
De rechtbank is met [ verweerders ] van oordeel dat het aantal uren en ook het door mr. De Lang gehanteerde uurtarief bovenmatig is. Gezien de inhoud van het verzoekschrift en de mate van complexiteit van het deelgeschil acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een tijdsbesteding van in totaal 30 uur (daarin is dus begrepen de uren voor de mondelinge behandeling en de voorbereiding daarvan). In aanmerking wordt genomen dat een groot deel van de zaak in beslag wordt genomen door een discussie over feitelijkheden en deze feitelijkheden al geruime tijd bekend zijn bij partijen. De rechtbank is verder van oordeel dat een uurtarief van € 245,00 exclusiefkantoorkosten en btw met dit aantal uren in redelijke verhouding staat. 

4.22. 
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten op een bedrag van € 9.427,11 begroten (30 uur x € 245,00 vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% btw). Deze kosten zullen worden vermeerderd met het door [ verzoekster ] betaalde griffierecht van € 291,00, zodat het totaal uitkomt op € 9.718,11. 

Met dank aan mr. J. Roth, SAP Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak. Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBMNE-060219


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER

RBROT 230119 ernstig letsel bromfietser na ongeval met te hard rijdende auto, auto voor 100% aansprakelijk; geen eigen schuld

citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBROT-230119

De feiten 

2.1. 
Op maandag 15 mei 2017 heeft op het kruispunt van Ringweg Randenbroek en de Schuilenburgerweg te Amersfoort (hierna: het kruispunt) een aanrijding plaatsgevonden tussen Z in een auto (Opel Corsa) en A (hierna: A) op een bromfiets.

(locatie ongeval: https://goo.gl/maps/yYWRTiiKqg22 red LSA LM) 

2.2. 
De stoplichten op het kruispunt waren op dat moment buiten werking. 

2.3. 
A reed op de Schuilenburgerweg en Z op de Ringweg Randenbroek. Het verkeer op de Ringweg Randenbroek heeft voorrang ten opzichte van het verkeer op de Schuilenburgerweg. 

2.4. 
A heeft als gevolg van bet ongeval ernstig letsel opgelopen waaronder ernstig hersenletsel. Hij is hierdoor in een coma geraakt. 

2.5. 
De moeder van A (mevrouw M, eiser I) en de opa van A (de heer F, eiser 2) treden op als bewindvoerder voor A en hebben hiervoor op 8 maart 2018 op grond van artikel 1 :349 BW een machtiging van de kantonrechter Midden-Nederland gekregen. 

2.6. 
U qq c.s. heeft aan Baan Hofman Ongevallenanalyse (hierna: Baan Hofman) de opdracht gegeven om de toedracht van de aanrijding te onderzoeken. ln de rapportage van 26 jun! 2017 staat - voor zover relevant - het volgende: 
( ... ) 
4.8 Helmdracht 
Gezien de sporen op het dak van de Opel is de helm in contact gekomen met het dak. Met zekerheid kan worden gesteld dal de bestuurder van de bromfiets de helm droeg op het moment van impact op het dak van de Opel. Zeer waarschijnlijk is deze door de impact afgeslagen. We hebben niet kunnen vaststellen of de riem van de helm vast of voldoende vast heeft gezeten. 
( ... ) 
Conclusies 
Voorgaand onderzoek heeft geleid tot de volgende conclusies: 
( ... ) 
• De Opel is van zijn rijstrook naar links uitgeweken en bevond zich half links naast zijn rijstrook op het moment van de botsing. 
• De Opel heeft op het moment van de botsing maximaal geremd en bleef remmen tot zijn eindpositie tegen de boom. 
( ... ) 
• De Opel reed op het moment van de botsing met een snelheid tussen de 88 km/u en 110 km/h. 
• De bromfiets reed op het moment van de botsing tussen de 29 km/h en 37 km/h. 
• Indien de bestuurder van de Opel 1 seconde voor de aanrijding reed met een snelheid van 50 km/h, had deze zonder vaart te minderen door kunnen rijden en was de bromfiets de baan overgestoken op het moment dat de Opel zich op het 
conflictpunt bevond. 
• Beide voertuigen voeren verlichting ten tijden van de aanrijding. 

2.7. 
De Goudse c.s. heeft aan Bosscha Ongevallenanalyse B.V. (hierna: Bosscha) ook gevraagd de toedracht van het ongeval te onderzoeken en het rapport van Baan Hofman te beoordelen. In het rapport van 15 mei 2017 staat - voor zover relevant het volgende: 
II- Politie Utrecht 
( ... ) 
Op 24 oktober 2017 nam de heer H telefonisch contact op. Tijdens dit gesprek heb ik aantekeningen gemaakt. Deze heb ik daarna uitgewerkt naar het volgende verslag: 
( ... ) Of de helm dan tijdens de aanrijding ook los moet hebben gezeten kan ik niet met zekerheid zeggen want ik kom natuurlijk niet als eerste bij hel ongeval nadat dit gebeurd is. 
Ik kan niet uitsluiten dat iemand de helm heeft losgemaakt. 
( ... ) 
III- Analvse 
( ... ) 
• Vermijdbaarheid 
Voor de beoordeling van de vermijdbaarheld is het nodig dat er voor beide betrokkenen kan worden uitgegaan van de snelheden die (binnen redelijke grenzen) van toepassing zijn geweest op het botsmoment en hij nadering van de botsplaats. Ten aanzien van de Opel is er v wat dat betreft wel materiaal dat bruikbaar is voor een analyse van de vermijdbaarheid, maar dat geldt naar mijn mening niet voor de bromfiets. Vandaar dat ik in dit rapport niet nader in ga op de eventuele mogelijkheden van betrokkenen om deze aanrijding te kunnen voorkomen. 
( ... ) 
IV - Conclusies 
Het rapport van de heren Baan Hofman geeft geen compleet beeld van de toedracht en is bovendien gebaseerd op een aantal aannames waarover onvoldoende zekerheid bestaat. Op basis van aannemelijke uitgangspunten heb ik berekend dat Z gereden heeft mei een snelheid van 66 á 78 km/u. 
A had ter hoogte van de kruising met de Ringweg Randenbroek voorrang te geven aan het verkeerop die Ringweg en terplaatse niet rechtdoor mogen rijden, maar linksaf of rechtsaf moeten slaan. 
A heeft een helm gedragen waarvan de sluiting naar alle waarschijnlijkheid niet vast was gemaakt. Het achterlichtvan de bromfiets heeft gebrand. Het is onduidelijk of de koplamp van de bromfiets licht uitstraalde. 

2.8. Baan Hofman heeft in een rapport van 10 juli 2018 gereageerd op het rapport van Bosscha. In dit rapport staat - voor zover relevant - het volgende: 
( ... ) 
3. Conclusies 
Voorgaand onderzoek heeft geleid tot de volgende conclusies: 
• Wij troffen een invoerfout in de formule van de handmatige berekening van de maximum gereden snelheid van de Opel. Deze hebben we bij deze gecorrigeerd en komt op 109.1 km/h. 
• Hel verschil in inschatting van de EES-waarde van de Opel op de boom geeft een lagere minimale aanvangssnelheid van 1 km/h. De maximale aanvangssnelheid komt 2.3 km/h lager uit. 
• Ten aanzien van de botsplaats, botsconfiguratie en gereden lijn van de Opel bestaat geen verschil van inzicht. 
• Dhr. Bosscha heeft een remvertraging in zijn berekening geschat die niet wordt onderbouwd en ver van de werkelijkheid af ligt gezien de referentieproeven. 
( ... ) 

2.9. 
Baan Hofman heeft op 10 september 2018 een rapportage gemaakt over de geweldinwerking op het hoofd. In dit rapport staan de volgende conclusies: 
( ... ) 
4. Conclusies 
Voorafgaand onderzoek heeft geleid tot de volgende conclusies: 
• In de aanrijding met de Opel heeft het hoofd van de bromfietser een (pieklversnelling van 1216 tot 1612 m/s2 ondervonden. De gemiddelde versnelling lag tussen 110,9 en 147,6 G over l5 ms. 
• De Head Injury Criterion in de aanrijding met de auto heeft tussen 1943 en 3972 gelegen. Bij een waarde van 1000 is 15% kans op ernstig hersenletsel. 
• De Head Injury Criterion in het neerkomen van het slachtoffer op straat heeft tussen 299 en 530 gelegen. Bij een waarde van 700 is 5% kans op ernstig hersenletsel. 

2.10.
Op 28 september 2018 heeft Bosscha gereageerd op de rapporten van Baan Hofman. In dit rapport staat - voor zover relevant - het volgende: 
( ... ) 
Na het doornemen van het op 10 september uitgebrachte rapport onder kenmerk 170601B wil ik graag het volgende opmerken: 

1. In punt 2.4 worden uitspraken gedaan met betrekking de stijfheid van de helm en de kans op letsel. In punt 3.1 lees ik over de gemeten geweldsinwerking op het hoofd etc. Ondergetekende is technisch verkeersongevallenanalist en geen specialist in de biomechanica. Ik kan derhalve ook geen goed gefundeerde, inhoudelijke reactie geven op de getrokken conclusies in hoofdstuk 4. 
2. In punt 3.2 wordt gesteld dat de onderwaarde (uit de PC Crash simulatie) van de Pel snelheid (88 km/u) een piekwaarde van 1216 m/s2 oplevert. Nog los van de vraag qf die piekwaarde correct is vastgesteld-en wat die waarde tot gevolg kan 
hebben, wil ik graag opmerken dat het uitgangspunt van die berekening is gemaakt vanuit de (minimale) botssnelheid van de auto (door Baan Hofman berekend op 88 km/u) en dat er over dat uitgangspunt geen overeenstemming bestaat of zekerheid te geven is. 

3. Het geschil 

3.1.
U qq c.s. vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard: 

- te verklaren voor recht dat De Goudse c.s. volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval op 15 mei 2017, 

- De Goudse c.s. te veroordelen om aan A te vergoeden alle door A geleden en nog te lijden schade, kosten en interesten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de de regelen der wet, vermeerderd met de wetttelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, subsidiair vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening, 

- De Goudse c.s, te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnisven - voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke renten over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 

3.2. 
U qq c.s. legt aan de vordering ten grondslag dat Z onrechtmatig heeft gehandeld door veel te hard te rijden. A heeft als gevolg hiervan schade geleden. 

3.3. 
De Goudse c.s. betwist dat Z te hard reed en dat er een causaal verband is tussen de snelheid en de schade. Verder is sprake van eigen schuld omdat A geen voorrang heeft verleend, hij zijn helm niet goed droeg, zijn bromfiets geen voorlicht had en hij rechtdoor ging waar dat niet was toegestaan. De Goudse c.s. concludeert tot afwijzing van de vordering. 

4. De beoordeling 

Gereden snelheid 

4.1. 
Partijen twisten over de vraag hoe hard Z reed op het moment van de aanrijding met A . De gereden snelheid is van belang om te beoordelen of sprake is van een onrechtmatige daad maar ook voor de beoordeling van het causale verband en de eventuele billijkheidscorrectie. U qq c.s. stelt dat Z met een snelheid van 88-109 km per uur heeft gereden (zie 2.6). Deze snelheid is berekend door Baan Hofman op grond van een remvertraging van 6,7-8,5 m/s2 op het asfalt/de stoep en van 4-8 m/s2 in de berm. 
De Goudse c.s. betwist met name de remvertraging omdat niet vast staat dat Z vol heeft geremd. Zij gaat uit van de door Bosscha gehanteerde veellagere rem vertraging van 3- 4 ms2 over de volledige remweg en komt uit op een gereden snelheid van 66 tot 78 km/u (zie 2.7). 

4.2. 
Gezien de onderbouwde stelling van U qq c.s. over de gereden snelheid had het op de weg van De Goudse c.s. gelegen haar betwisting hiervan goed te onderbouwen. De Goudse c.s. voert weliswaar ter onderbouwing aan dat niet vast staat dat Z vol heeft geremd na het ongeluk en dat daarom een remvertraging van maar3-4 m/s' realistisch zou zijn. De Goudse c.s, onderbouwt echter niet waar zij deze remvertraging op baseert en met name niet in welke omstandigheden 3 m/2! en in welke 4 m/s2 moeten gelden.

4.3. 
Bovendien is door U qq c.s onweersproken gesteld dat de stoeprand en de struiken in de berm een extra vertragende werking hebben, waarmee in de aanname zoals opgenomen in het door De Goudse c.s. ingebrachte rapport van Bosscha van 3 -4 m/s2 geen rekening is gehouden. Verder is in de beide berekeningen geen rekening gehouden met mogelijk remmen vóór de aanrijding door Z . Tot slot is door De Goudse c.s. niet weersproken dat de remvertraging bij volledige remmen op asfalt veel hoger ligt dan de remvertraging van 3 m/s2 (tussen de 6, 7-8,5 m/s2) en dat door Z in ieder geval op een deel van de route vol is geremd. Dit alles maakt dat de betwisting van De Goudse c.s. van de door U qq gestelde remvertraging onvoldoende onderbouwd is,in ieder geval onvoldoende om-aan te nemen dat de door De Goudse c.s. gehanteerde onderwaarde van 3 m/s2 zou gelden. 

4.4. 
De rechtbank neemt daarom een remvertraging van (minimaal) 4 m/s2 als vaststaand aan. De door Z gereden snelheid komt daarmee op tenminste 78 km per uur en dit zal het uitgangspunt zijn voor de verdere beoordeling. 

Onrechtmatige daad 

4.5. 
Het rijden door Z met een snelheid van tenminste 78 km per uur kwalificeert als onrechtmatig daar de maximaal toegestane snelheid ter plaatse 50 km per uur was. Daar komt nog bij dat Z een kruising passeerde, dat het avond was waardoor het zicht minder was dan bij daglicht en dat de verkeerslichten buiten werking waren en knipperden. Dit laatste betekent 'gevaarlijk punt, voorzichtigheid geboden'.ln deze omstandigheden had Z zijn snelheid dan ook moeten aanpassen naar een snelheid van 50 km per uur of zelfs minder. Door dit niet te doen heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens A . De Goudse c.s. is voor de schade die U qq c.s. als gevolg hiervan lijdt aansprakelijk. 

Causaal verband 

4.6. 
Partijen twisten vervolgens over de vraag of sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige daad (te hard rijden) en de gevolgen daarvan (de aanrijding). U qq c.s. stelt dat sprake is van een causaal verband. A heeft de auto van Z aan de linkerkant geraakt en was de auto dus al bijna voorbij toen hij werd aangereden. Bovendien heeft Z nog naar links uitgeweken op het moment van de aanrijding. De Goudse c.s. betwist dat een causaal verband bestaat. 

4.7. 
Gezien de onderbouwde stelling van U qq c.s. had De Goudse c.s. ook haar betwisting van het causale verband deugdelijk moeten onderbouwen, De Goudse c.s. voert slechts aan dat de vermijdbaarheid volgens haar niet te bepalen is, omdat de snelheid van A niet bekend is maar zonder toelichting, die ontbreekt, is het voor de rechtbank niet duidelijk welke invloed de precieze snelheid van A nog heeft in de situatie dat A de auto al bijna voorbij. was. Bovendien is niet betwist dat Z is afgeweken van zijn eigen rijbaan (mogelijk van schrik) en door de combinatie van een (veel) lagere snelheid en het aanhouden van zijn eigen baan was de aanrijding (eenvoudig) te voorkomen. 

4.8. 
Nu De Goudse c.s. haar betwisting niet voldoende heeft onderbouwd, is komen vast te staan dat er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de aanrijding. Aan nadere bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen en de vraag of de omkeringsregel van toepassing is hoeft niet te worden beantwoord. 

Eigen schuld 

4.9. 
Op grond van artikel 6:101 BW geldt dat voor de schade die (mede) een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend de vergoedingsplicht wordt verminderd in evenredigheid met de mate waarin deze omstandigheid aan de schade heeft bijgedragen (eigen schuld). 

4.10. 
De Goudse c.s. voert aan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van A omdat: 
- A zijn helm niet of niet goed heeft gedragen, 
- A geen voorrang heeft verleend, 
- A het inrijverbod heeft: genegeerd, 
- en de bromfiets van A geen verlichting had. 
De rechtbank zal deze eigen schuld verweren hierna bespreken. 

Helm 

4.11. 
De Goudse c.s, voert aan dat A zijn helm niet goed heeft gedragen en dat een causaal verband bestaat tussen het dragen van de helm en de (Ietsel)schade. U qq c.s. betwist dat de helm niet goed is gedragen en ook dat een causaal verband bestaat tussen het niet dragen van de helm en de opgetreden schade. U qq c.s. onderbouwt de betwisting van het causaal verband met het rapport van Baan Bofman waaruit blijkt dat het ernstige hersenletsel dat A heen opgelopen moet zijn ontstaan tijdens de (eerste) botsing met de auto en dus niet te voorkomen was door het dragen van een helm (zie 2.9). 

4.12. 
De rechtbank is van oordeel dat De Goudse c.s., gezien de goed onderbouwde betwisting van U qq c.s., haar stelling dat een causaal verband bestaat tussen het niet goed dragen van de helm en het letsel onvoldoende heeft onderbouwd. De Goudse c.s, heeft tijdens de comparitie naar voren gebracht dat zij onvoldoende tijd heeft gehad om op het rapport van Baan Hofman te reageren. Het rapport van Baan Hofman is twee weken voor de zitting aan De Goudse c .s. toegestuurd en dat geeft voldoende tijd om te reageren, met name omdat op De Goudse c.s. op grond van artikel 150 Rv de verplichting rustte om het causale verband tussen het dragen van de helm en het letsel te stellen, onderbouwen en zo nodig te bewijzen. De Goudse c.s. had daarom op de betwisting van U qq kunnen en moeten anticiperen. 

4.13. 
De Goudse c.s. stelt nog dat Baan Hofman in haar berekening uitgaat van een snelheid van 88 km per uur in plaats van een snelheid van (tenminste) 78 km per uur (of van de lagere door De Goudse c.s. erkende snelheid). Dit is echter onvoldoende om de gehele berekening van Baan Hofman te betwisten. Het had op de weg van de De Goudse c.s. gelegen om een onderbouwing te geven waaruit juist blijkt dat het dragen van een helm dit letsel had kunnen voorkomen. 

4.14. 
Bovendien is niet vast komen te staan dat A zijn helm niet goed heeft gedragen. Dat het bandje van de helm los was op de foto genomen na afloop van het ongeluk is hiervoor onvoldoende, met name omdat de heer H van de politie heeft verklaard dat hij 'niet [kan] uitsluiten dat iemand de helm heeft losgemaakt' (zie 2.7). Bovendien is door De Goudse c.s. erkend dat de helm past in de schade op de auto waaruit blijkt dat A zijn helm in ieder geval ophad toen hij in botsing kwam met de auto. 

4.15. 
Het beroep op eigen schuld vanwege het niet of niet goed-dragen van de helm zal kortom worden afgewezen. 

Voorrang

4.16. 
Dat Z op een voorrangsweg reed en dat hij geen voorrang heeft gekregen van A staat tussen partijen niet ter discussie. De Goudse c.s. stelt dat dit mede oorzaak is van het ongeval. U qq c.s. betwist echter dat sprake is van een voorrangsfout. A heeft een inschattingsfout gemaakt als gevolg van de te hoge snelheid van Z . 

4.17. 
De rechtbank is van oordeel dat van A niet verwacht mocht worden dat hij rekening hield met de snelheid van Z van tenminste 78 km per uur binnen de bebouwde kom. Het niet verlenen van voorrang is dus geen omstandigheid die aan A kan worden toegerekend. Het beroep op eigen schuld vanwege het niet verlenenvan voorrang zal ook worden afgewezen. 

Verlichting

4.18. 
Ook de stelling dat A geen verlichting zou hebben gevoerd is onvoldoende onderbouwd door De Goudse c.s .. Bosscha zegt hierover dat 'onduidelijk (is) of de koplamp van de bromfiets licht uitstraalde' omdat de gloeidraad niet is vervormd (zie 2.7). Dat onduidelijk is of de lamp heeft gebrand is onvoldoende om de stelling te onderbouwen dat de lamp niet heeft gebrand, zodat dit niet is komen vast te staaan. Op grond van artikel 150 Rv kan De Goudse c.s, niet volstaan met suggesties aanvoeren over het branden van de lamp, maar zal ze moeten stellen en onderbouwen dat de lamp niet brandde. Het beroep op eigen schuld vanwege het niet hebben van een werkende koplamp zal ook worden afgewezen. 

Het negeren van het inrijverbod 

4.19. 
Tot slot moet worden beoordeeld ofsprake is van eigen schuld vanwege het negeren van het inrijverbod. Tussen partijen staat niet ter discussie dat A rechtdoor wilde rijden en dat dit niet was toegestaan. De Goudse c.s, stelt dat A als hij rechts- of linksaf was gegaan hij langzamer zou hebben gereden en op een andere positie op de weg. Bovendien zou hij dan de richting van Z op hebben gekeken. U qq c.s, betwist het door De Goudse c.s. gestelde. 

4.20. 
Ook hier geldt dat De Goudse c.s, onvoldoende heeft onderbouwd dat een causaal verband bestaat tussen het rechtdoor rijden en de aanrijding. Dat A langzamer zou hebben gereden als hij rechts- of linksaf was gegaan, is onvoldoende omeen causaal verband aan te nemen, mede omdat A de auto aan de linkerkant heeft geraakt en de auto dus al bijna voorbij was op het moment van de aanrijding. Als hij langzamer zou hebben gereden dan had dit ongeluk dus niet kunnen worden voorkomen. Het had dan langer geduurd voordat hij de weg was overgestoken. Dat hij Z in dat geval (wellicht) zou hebben gezien is ook onvoldoendeom een causaal verband aan te nemen. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft A niet goed kunnen inschatten hoe hard Z reed vamvege zijn te hoge snelheid. 
Onder die omstandigheden maakt het dus niet uit of hij hem heeft gezien of niet,

Conclusie 

4.21. 
De slotsom is dat er geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van A . De Goudse c.s. is aansprakelijk voor de gehele schade en de rechtbank zal devordering tot vergoeding hiervan toewijzen. Voor het toepassen van de billijkheidscorrectie bestaat geen aanleiding meer. Bij de door U qq c.s. gevorderde verklaring voor recht bestaat geen zelfstandig belang en die wordt daarom afgewezen, 

Met dank aan J. Roth, SAP Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak. www.letselschademagazine.nl/2019/RBROT-230119


PROCESSUELE ASPECTEN, getuigenverhoor, vordering ex art 843a

RBMNE 180119 verzoek getuigenverhoor, met exhibitievordering ex 843a Rv terzake van naam en adresgegevens getuigen; toegewezen

1. De procedure 

1.1.
Op 22 november 2018 heeft [ verzoekster ] een verzoekschrift ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. 

1.2. 
Bij faxbericht van 28 november 2018 heeft mr. Eijkelenboom bericht in deze procedure de belangen te behartigen van verweerders. 

1.3.
Op 13 december 2018 heeft [ verzoekster ] een aangepast verzoekschrift ingediend. 

1.4. 
Bij brief van 20 december 2018 van de griffier van deze rechtbank zijn verweerders in de gelegenheid gesteld bezwaar te maken tegen inwilliging van de verzoeken. 

1.5.
Bij faxbericht van 18 december 2018 heeft mr. Eijkelenboom bericht dat verweerders geen bezwaar maken tegen inwilliging van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. 

1.6. 
Bij faxbericht van 15 januari 2019 hebben verweerders bericht dat zij zich wat betreft de 843a-vordering refereren aan het oordeel van de kantonrechter.

2. Het verzoek 

2.1.
[ verzoekster ] verzoekt: 
- een voorlopig getuigenverhoor van de onder paragraaf 13 van het verzoekschrift genoemde getuigen te bevelen onder bepaling van een datum, tijd en plaats met benoeming van een rechter-commissaris ten overstaan van wie het verhoor zal plaatsvinden; 
- een datum te bepalen waarop het verzoekschrift en de daarop te geven beslissing aan verweerders dient te worden toegezonden; 
- verweerders te bevelen binnen 14 dagen na de beschikking de adresgegevens, dan wel indien dit niet mogelijk is de volledige voornamen en geboortedata van de getuigen 3, 4 en 6 tot en met 8 (te weten A , B, C en D ) aan [ verzoekster ] te verstrekken. 

2.2. 
[ verzoekster ] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. 
[ verzoekster ] is van 1 augustus 2008 tot en met 31 maart 2018 leerkracht geweest bij de school als kleuterjuf op locatie De Wingerd in Lelystad. In de ochtend van 4 februari 20015 is [ verzoekster ] als gevolg van gladheid ten val gekomen, In geschil tussen partijen is waar het ongeval heeft plaatsgevonden. [ verzoekster ] stelt dat zij op het privé-terrein van de school is gevallen en heeft verweerders aansprakelijk gesteld voor de schade die [ verzoekster ] in de uitoefening van haar werkzaamheden is overkomen. Verweerders stellen dat [ verzoekster ] niet op het terrein van de school is gevallen maar op de openbare wegen wijzen daarom de aansprakelijkheid voor het ongeval en de gevolgen hiervan af. [ verzoekster ] wil door het middel van het horen van getuigen duidelijkheid verkrijgen over de ongevalslocatie. Zij wil daarbij (in ieder geval) de volgende getuigen laten horen: 
1. [ verzoekster ] , partij-getuige; 
2, E ; 
3. A; 
4. B; 
5. F ; 
6. C ; 
7. D ; 
8. G . 

2.3. 
[ verzoekster ] heeft recht en belang bij het ontvangen van de adresgegevens, dan wel indien dit niet mogelijk is de volledige voornamen en geboortedata van de getuigen A, B, C en D . Wanneer deze gegevens niet door verweerders worden verstrekt, wordt [ verzoekster ] belet in haar mogelijkheid van het horen van deze getuigen.

3. De beoordeling 

3.1.
[ verzoekster ] is voornemens een deelgeschilprocedure te starten, teneinde een verklaring voor recht te vragen dat verweerders aansprakelijk zijn voor de schade die [ verzoekster ] als gevolg van het ongeval op 4 februari 2015 lijdt, heeft geleden en nog zal lijden. 
Voor een aansprakelijkheidsprakelijkheidsoordeel in een deelgeschilprocedure moet het feitenonderzoek volledig zijn afgerond, omdat in een deelgeschilprocedure geen plaats is voor feitenonderzoek. 
Ook om die reden heeft [ verzoekster ] belang bij het horen van getuigen. 

3.2.
Verweerders hebben geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek, dat op de wet gegrond is, om de in het verzoekschrift genoemde getuigen te horen over de in het verzoek genoemde feiten en omstandigheden, zal daarom als onweersproken worden toegewezen. 

3.3. 
Nu verweerders daarin kennelijk geen bezwaar zien, zal ook het verzoek om hen op te dragen om de gegevens van de getuigen aan [ verzoekster ] te verstrekken worden toegewezen. 

3.4. 
Uit een oogpunt van werklastbeheersing ziet de kantonrechter aanleiding om het aantal te horen getuigen vooralsnog te beperken tot vijf. [ verzoekster ] wordt verzocht aan de rechter-commissaris schriftelijk de namen van de vijf getuigen op te geven die zij allereerst wenst te doen horen. De kantonrechter merkt daarbij op dat indien [ verzoekster ] na het horen van deze getuigen het horen van nog enkele getuigen noodzakelijk acht, de beslissing daaromtrent door de rechter-commissaris zal worden genomen. 

3.5. 
De kantonrechter wijst [ verzoekster ] erop dat voor het verhoor in beginsel maximaal 45 minuten per getuige zal worden gereserveerd. Indien [ verzoekster ] van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, dient zij daartoe - binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking - een gemotiveerd verzoek aan de rechter-commissaris te doen. 

3.6. 
De gemachtigde van [ verzoekster ] dient voor de oproeping van de getuigen zorg te dragen. Bij het tijdstip van oproeping van de getuigen dient rekening te worden gehouden met de te verwachten duur van het verhoor per getuige. De namen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week vóór het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven. 

3.7. 
Nu de gemachtigde van verweerders van de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking zal ontvangen, is [ verzoekster ] niet gehouden verweerders op grond van artikel 188 lid 1 Rv een afschrift van deze beschikking te zenden. 

Met dank aan mr. J. Roth, SAP Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak. www.letselschademagazine.nl/2019/RBMNE-180119

Deze website maakt gebruik van cookies