Artikelen

Rb Rotterdam 200716 hersenletsel; verzoek verzekeraar om nieuw neurologisch deskundigenonderzoek afgewezen, verzoek tzv NPO gelet op geldigheidsduur toegewezen

Hoofdcategorie: Expertise, Deskundigenbericht
Categorie: Expertise en Deskundigenbericht Algemeen

Rb Rotterdam 200716 hersenletsel; verzoek verzekeraar om nieuw neurologisch deskundigenonderzoek afgewezen, verzoek tzv NPO gelet op geldigheidsduur toegewezen

zie: rb-rotterdam-200716-hersenletsel-na-val-van-tankcontainer-gelet-op-lopende-procedures-geen-plicht-voor-verzekeraar-om-aan-mediation-mee-te-werken
rb-rotterdam-200716-hersenletsel-rapport-deskundige-is-onvolledig-en-kan-nog-niet-als-uitgangspunt-dienen-asr-moet-meewerken-aan-continuering-expertise 
rb-rotterdam-081216-hersenletsel-benoeming-deskundige-en-vaststelling-vraagstelling-neuropsychologisch-onderzoek

Het verzoek

3.1. ASR verzoekt primair een neurologische expertise te gelasten met neuropsychologisch onderzoek (NPO), inclusief validiteitstesten, met hantering bij die neurologische expertise van de IMMD-vraagstelling, en als deskundige te benoemen voor de neurologische expertise: prof. [deskundige 1] , dr. [deskundige 2] , dr. [deskundige 3] of dr. [deskundige 4] , en voor het neuropsychologisch onderzoek drs. [deskundige 5] , een arts van de geheugenpoli Amsterdam of dr. [deskundige 6] .

Subsidiair verzoekt ASR om een neuropsychologisch onderzoek (NPO) met validiteitstesten te gelasten en als deskundige te benoemen drs. [deskundige 5] , een arts van de geheugenpoli Amsterdam of dr. [deskundige 6] .

3.2. ASR stelt het volgende. Zij kan niet tot afwikkeling van de schade overgaan op basis van de beschikbare dossierstukken. Actuele informatie omtrent de medische toestand en mogelijkheden/beperkingen van [benadeelde] ontbreekt. Het laatste neuropsychologisch onderzoek dat [benadeelde] heeft ondergaan, dateert van 2006. Een recent eenzijdig neurologisch onderzoek door [deskundige 7] kan de toets der kritiek niet doorstaan. ASR had niet vooraf ingestemd met inschakeling van [deskundige 7] . Overigens adviseert ook [deskundige 7] om nog een NPO te houden. [benadeelde] moet binnen redelijke grenzen meewerken aan het schadeafwikkelingstraject, inclusief het ondergaan van de onderzoeken. Een verzoek tot het inwinnen van een voorlopig deskundigenbericht dient in beginsel te worden toegewezen, tenzij er sprake is van een uitzonderingssituatie. Hiervan is echter geen sprake, aldus ASR.

Het verweer
4.1. [benadeelde] verzoekt om afwijzing wegens strijdigheid met een goede procesorde, misbruik van recht en/of een andersoortig zwaarwegend belang. Daarbij dient ASR in de werkelijke kosten van het geding te worden veroordeeld, vooralsnog begroot op € 8.156,61, te vermeerderen met griffierecht. Tenslotte verzoekt [benadeelde] de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.2. Ter onderbouwing van zijn verweer voert [benadeelde] – onder meer – het volgende aan. Op basis van het NPO van september 2006 waren beide partijen het er over eens dat er eind 2006 een afsluitende neurologische expertise diende plaats te vinden. Vervolgens heeft arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. In 2013 en 2014 is weer gesproken over expertises, waarna er op gezamenlijk verzoek van partijen drie expertises zijn uitgebracht. Het rapport van [deskundige 7] werd door ASR afgekeurd, maar ASR heeft nooit aanvullende vragen aan hem gesteld. Kort daarna spande ASR deze procedure aan alsmede de deelgeschilprocedure.

4.3. [benadeelde] voert primair aan dat alle expertises op gezamenlijk verzoek waren opgesteld en ASR daar dus aan gebonden is. ASR heeft haar recht verwerkt om te ageren tegen (het rapport van) [deskundige 7] . Subsidiair stelt zij dat ASR aan de rapportages gebonden is, dat deze als uitgangspunt moeten worden genomen in het kader van de schaderegeling en dat ASR dient mee te werken aan het voltooien van de onderzoeken. Om die reden heeft [benadeelde] eveneens een artikel 1019w-verzoek ingediend. Daarnaast voert [benadeelde] aan dat het verzoek van ASR in strijd is met een goede procesorde. De uitgebrachte rapportages zijn gelijk te stellen met door de rechter gelaste deskundigenberichten. Er zijn geen zwaarwegende bezwaren tegen de rapporten ingebracht. Tenslotte voert [benadeelde] aan dat ASR misbruik maakt van haar procesbevoegdheid. Het verzoek is disproportioneel, gezien de belangen en waardigheid van [benadeelde]. Een nieuw NPO-onderzoek zal geen extra informatie opleveren. Gezien het bovengenoemde dient ASR ook de werkelijke proceskosten van [benadeelde] te betalen, en niet het liquidatietarief.

De beoordeling van het geschil
5.1. Het verzoek van ASR strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen. Op grond van artikel 202 Rv kan, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een voorlopig deskundigenbericht worden bevolen. Bij de beoordeling van een verzoek hiertoe komt aan de rechter geen discretionaire bevoegdheid toe. Het verzoek dient in beginsel te worden toegewezen, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenbericht bewezen kunnen worden. Het verzoek van ASR voldoet op zichzelf aan de hiervoor gestelde eisen.

5.2. Toewijzing van het verzoek kan echter achterwege blijven indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen misbruik wordt gemaakt – bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten – of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (zie HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610).

5.3. [benadeelde] heeft aangevoerd dat het verzoek-van_ASR in strijd is met een goede procesorde, aangezien in 2014 overeenstemming is bereikt tussen partijen over de persoon van de deskundige, [deskundige 7] , en de vraagstelling. Het rapport van [deskundige 7] moet dan ook op één lijn worden gesteld met een door de rechter opgedragen deskundigenbericht, aldus [benadeelde].

De kantonrechter volgt deze redenering niet. De gemachtigde van [benadeelde] heeft ASR bij e-mail van 8 oktober 2014 (productie 6 bij verweerschrift) medegedeeld drie deskundigen bereid te hebben gevonden om onderzoek te doen, te weten [deskundige 8] , [deskundige 9] en [deskundige 7] . ASR heeft hierop bij e-mail van 9 oktober 2014 (productie 7 bij verweerschrift) geantwoord dat [deskundige 7] niet bekend was bij haar medisch adviseur en derhalve “niet automatisch commitment” opleverde. Uit deze mededeling kan worden afgeleid dat ASR zich niet op voorhand wilde binden aan de uitkomst van het onderzoek van [deskundige 7] , anders dan ten aanzien van [deskundige 8] en [deskundige 9] , met wie ASR zich wel op voorhand akkoord heeft verklaard. Het onderzoek door [deskundige 7] kan om deze reden niet gelijk worden gesteld aan een rechterlijke deskundigenbenoeming. Door thans alsnog een verzoek te doen om een deskundigenonderzoek te gelasten, handelt ASR niet in strijd met een goede procesorde.

5.4. Wel is naar het oordeel van de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden sprake van misbruik van de bevoegdheid om te verzoeken om een deskundigenonderzoek, zoals primair gevorderd.

Alhoewel ASR zich op voorhand niet heeft willen committeren aan een onderzoek door de haar onbekende [deskundige 7] , heeft ASR op dat moment – en overigens ook in een later stadium — geen valide argumenten aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [deskundige 7] niet de vereiste kennis en/of vaardigheden bezit om het deskundigenonderzoek uit te voeren. Integendeel, ASR heeft in haar e-mail van 9 oktober 2014 (productie 7 bij verweerschrift) geschreven dat haar medisch adviseur de rapporten met belangstelling tegemoet ziet. Ook heeft ASR geen bezwaren geuit tegen de voorgestelde vraagstelling aan [deskundige 7] .

Nadat het rapport van [deskundige 7] naar ASR is gestuurd, is ASR in de gelegenheid gesteld om aanvullende vragen aan [deskundige 7] te stellen. (De medisch adviseur van) ASR heeft wel aanvullende vragen geformuleerd, maar deze uiteindelijk niet aan [deskundige 7] gesteld. ASR heeft weliswaar de gemachtigde van [benadeelde] verzocht dit te doen, maar uit de brief van 21 juni 2015 (productie 10 bij verweerschrift) kan worden afgeleid dat de gemachtigde van [benadeelde] zich op het standpunt stelde dat de (medisch adviseur van) ASR dit zelf kon doen. Los van de vraag of van de gemachtigde van [benadeelde] verwacht had mogen worden de vragen van de medisch adviseur van ASR aan [deskundige 7] door te geleiden, bestond ook bij ASR de plicht om er zorg voor te dragen dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid zou komen over de medische toestand van [benadeelde], om tot een eindregeling te komen. ASR heeft echter nagelaten zich in te spannen om haar vragen aan [deskundige 7] beantwoord te krijgen en aldus mogelijk alsnog een rapport te verkrijgen dat aan de in haar optiek noodzakelijke vereisten voldeed.

5.5. Tegenover het nalaten van ASR om zich in te spannen om de bij haar levende aanvullende vragen beantwoord te krijgen door [deskundige 7] , staat het belang van [benadeelde] om niet opnieuw een medisch onderzoek te ondergaan, waarvan niet is betwist dat dit zeer belastend voor hem is. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter het primaire verzoek van ASR om een nieuwe neurologische expertise te gelasten een onevenredig middel om uitsluitsel te verkrijgen over de medische toestand van [benadeelde]. Het primaire verzoek zal daarom worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat het rapport van [deskundige 7] zoals dit er nu ligt onvolledig is, aangezien de vragen van ASR hierin niet zijn betrokken. De kantonrechter verwijst voor wat betreft de aanvulling van het rapport van [deskundige 7] naar de beschikking van heden in het deelgeschil met zaaknummer 5076884 HA VERZ 16-94.

5.6. [deskundige 7] heeft in zijn rapport, onder beantwoording van vraag 1 c-en ter beantwoording van de vraag of er naar zijn mening nog een ander expertise uitgevoerd diende te worden, vermeld dat bij enige twijfel over de ernst van de schade nog een aanvullend neuropsychologisch onderzoek (hierna: NPO) zou kunnen plaatsvinden, door een neuropsycholoog. Het laatste NPO dat bij [benadeelde] is uitgevoerd, dateert van 18 september 2006 (productie 1 bij verweerschrift) en heeft, zoals onderaan dit rapport is vermeld, een geldigheidsduur van rond de 18 maanden. Gelet op de datum en geldigheidsduur van dit NPO en de opmerkingen van [deskundige 7] over een (nieuw te houden) NPO, ligt naar het oordeel van de kantonrechter het (subsidiaire) verzoek van ASR om opnieuw een NPO uit te laten voeren, wel voor toewijzing gereed.

5.7. ASR heeft voorgesteld om tot deskundige te benoemen drs. [deskundige 5] , een arts van de geheugenpoli Amsterdam of dr. [deskundige 6] . [benadeelde] heeft zich nog niet uitgelaten over de door ASR voorgestelde deskundigen. Evenmin hebben partijen zich uitgelaten over de concrete vraagstelling aan de beoogde deskundige. Partijen zullen alsnog hiertoe in de gelegenheid worden gesteld.

5.8. [benadeelde] heeft verzocht om ASR te veroordelen in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van de deskundige. Aangezien ASR aansprakelijkheid heeft erkend, zal ASR het voorschot ter zake van de kosten van de deskundige dienen te voldoen, welk voorschot zal worden vastgesteld op een door de deskundige te bepalen bedrag. stichtingpiv.nl

Deze website maakt gebruik van cookies