Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 060718 geen toepassing art. 7:941 lid 5 BW bij fraude letselschadeslachtoffer

HR 060718 geen toepassing art. 7:941 lid 5 BW bij fraude letselschadeslachtoffer

zie ook A-G Hartlief: phr-300318-klacht-die-in-wam-zaak-verval-van-recht-naar-analogie-art-7-941-lid-5-bw-bepleit-slaagt-niet-klachten-tegen-bewijsoordeel-slagen-wel

zie ook: Cassatieblog.nl
3.3.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet aan het vaststaande opzet van [verweerster] tot misleiding van Allianz c.s. en van de rechtbank, het gevolg heeft verbonden van een volledig verval van het recht op schadevergoeding. In dat verband betoogt het middel dat art. 7:941 lid 5 BW, mede gezien de eisen van art. 6:2 lid 1 BW in verbinding met art. 3:12 BW en art. 21 Rv, bij wijze van analogie van toepassing is op gevallen waarin een (beweerdelijk) benadeelde bij een auto-ongeval zich beroept op zijn rechtstreekse aanspraak uit art. 6 WAM.

3.3.2
Het middel voert niet aan dat Allianz c.s. zich in de feitelijke instanties hebben beroepen op een algemene regel van verval van recht bij (poging tot) misleiding en oplichting, zodat de klacht reeds om die reden niet tot cassatie kan leiden. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat het hof ten onrechte geen sanctie heeft verbonden aan [verweerster] schending van de waarheidsplicht van art. 21 Rv, miskent het dat het de rechter vrijstaat aan een dergelijke schending de gevolgtrekkingen te verbinden die hij geraden acht en dat de uitoefening van die bevoegdheid in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht. Ook voor het beroep dat het middel doet op art. 6:2 BW geldt dat de toepassing hiervan in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht. Nu bovendien het middel in dit verband niet wijst op stellingen waarop het hof had moeten responderen, kan het ook in zoverre niet tot cassatie leiden.

3.3.3
De Hoge Raad ziet aanleiding om ten overvloede nog het volgende te overwegen.

3.3.4
Op grond van art. 7:941 leden 1 en 2 BW dient de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, wanneer het verzekerde risico zich heeft verwezenlijkt, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk de verwezenlijking aan de verzekeraar te melden. De verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde zijn bovendien verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.

Op grond van art. 7:941 lid 5 BW vervalt het recht op uitkering indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een van deze verplichtingen niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Het uitgangspunt van verval van het recht op uitkering wordt gerechtvaardigd door het vertrouwenskarakter van de verzekeringsovereenkomst, in dit verband tot uitdrukking komend in de omstandigheid dat de verzekeraar na de verwezenlijking van het risico in sterke mate afhankelijk is van inlichtingen en bescheiden van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, waarvan hij de juistheid niet altijd kan controleren.

3.3.5
Bij personenschade veroorzaakt door een motorrijtuig heeft een benadeelde jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid voor de schade van de benadeelde wordt gedekt op grond van de WAM, ingevolge art. 6 WAM een eigen recht op schadevergoeding. Bij gebreke van een contractuele verhouding tussen de benadeelde en de verzekeraar is van rechtstreekse toepasselijkheid van art. 7:941 lid 5 BW geen sprake. Ook voor analoge toepassing van deze bepaling op de hiervoor bedoelde rechtsverhouding is geen plaats. Art. 7:941 lid 5 BW is geschreven voor een specifieke contractuele rechtsverhouding. De rechtsverhouding tussen de WAM-verzekeraar en de benadeelde is van geheel andere aard dan die rechtsverhouding en hangt bovendien samen met een andere (niet-contractuele) rechtsverhouding, te weten die tussen de benadeelde en de verzekerde. Voorts heeft art. 7:941 lid 5 BW een sanctiekarakter. Deze bepaling kan toepassing vinden bij uiteenlopende gevallen van misleiding, ook gevallen waarbij de misleiding minder ernstig is of alleen betrekking heeft op de omvang van de schade. De (potentieel) verstrekkende gevolgen van deze sanctie brengen mee dat zij een wettelijke basis dient te hebben. Voor het aanvaarden van een algemene buitenwettelijke regel die meebrengt dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde het eigen recht van art. 6 WAM vervalt, is derhalve geen plaats.

3.4.1
Het middel komt voorts op tegen het oordeel van het hof dat [verweerster] heeft bewezen dat zij ten tijde van de aanrijding in de Nissan zat. Het klaagt onder meer dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bij de bewijswaardering is voorbijgegaan aan het valse karakter van diverse verklaringen en de rol van [verweerster] bij de totstandkoming daarvan. Tevens klaagt het middel dat Allianz c.s. slechts tegenbewijs behoefden te leveren en dat daarom onbegrijpelijk is dat het hof de discrepanties tussen de verklaringen van [eiser 1 en betrokkene 8] zo benadrukt.

3.4.2
Deze klacht slaagt. De bewijslast rust in dit geval op [verweerster] . Naar het hof heeft vastgesteld, zijn, behoudens de verklaring van haar zoon [betrokkene 1] , alle naast de partijverklaring van [verweerster] gebezigde bewijsmiddelen terug te voeren op de eigen verklaringen van [verweerster] . Wat betreft de verklaring van [betrokkene 1] heeft het hof in rov. 19 overwogen dat hij niet strafrechtelijk is veroordeeld waar het zijn verklaringen omtrent de aanwezigheid van [verweerster] in de Nissan betreft. Tegen de achtergrond van gebleken onwaarheden in zijn verklaringen op andere punten, volgt hieruit nog niet dat de getuigenverklaring van – de wel op andere punten ter zake van valsheid in geschrift en meineed veroordeelde – [betrokkene 1] op dit punt voldoende betrouwbaar is om daaraan bewijskracht toe te kennen (vgl. rov. 2.14 van het eindvonnis van de rechtbank). In het licht van dit een en ander is het oordeel van het hof dat de verklaringen van [eiser 1 en betrokkene 8] – van wie het hof niet heeft vastgesteld dat zij een eigen belang hebben bij hun verklaringen – het door [verweerster] geleverde bewijs niet ontzenuwen, onvoldoende gemotiveerd.

3.5
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. ECLI:NL:HR:2018:1103

Deze website maakt gebruik van cookies