Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 130612 melding therapeute bij meldpunt kindermishandeling; bij correct volgen toepasselijk protocol is in beginsel aan zorgplicht voldaan

Rb Amsterdam 130612 melding therapeute bij Advies- en Meldpunt Kindermishandeling; bij correct volgen toepasselijk protocol is in beginsel aan zorgplicht voldaan

4.  De beoordeling 
4.1.  De rechtbank stelt voorop dat de bescherming van de rechten van kinderen -een kwetsbare groep mensen die extra bescherming behoeft- een zeer groot belang dient, dat zowel op nationaal als op internationaal niveau in verschillende wetten en verdragen verankerd is. De overheid is verplicht om maatregelen te treffen die kinderen tegen mishandeling beschermen en heeft dat onder andere gedaan door de mogelijkheid te bieden aan een ieder die zich zorgen maakt over het lichamelijke of geestelijke welzijn van een kind en denkt aan kindermishandeling, hiervan -desnoods anoniem- melding te maken bij het AMK. Door op een dergelijke makkelijke en laagdrempelige manier eventuele misstanden aan het licht te kunnen brengen, worden de belangen van het kind op de beste manier gewaarborgd. Elke drempel die de meldingsbereidheid kan verminderen, zou de effectiviteit van de bescherming van het kind tegen eventuele mishandeling in de weg staan. Een melding van (het vermoeden van) kindermishandeling bij het AMK is daarom in beginsel niet onrechtmatig, ook niet als achteraf blijkt dat van mishandeling geen sprake was. 

4.2.  Een melding kan tot gevolg hebben dat het AMK een onderzoek instelt. Of het AMK een onderzoek instelt, beoordeelt zij zelf naar aanleiding van de melding. Een onderzoek door het AMK naar kindermishandeling moet als inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen worden gezien. Dat maakt een dergelijk onderzoek echter nog niet onrechtmatig jegens hen. Het onderzoek door het AMK is een bij wet voorziene inmenging van het openbaar gezag in de persoonlijke levenssfeer die het onrechtmatige karakter aan de inmenging in beginsel wegneemt. Hoe begrijpelijk de rechtbank het ook vindt dat een dergelijk onderzoek als zeer ingrijpend wordt ervaren, het recht van het kind op bescherming van zijn lichamelijke en geestelijke integriteit prevaleert boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van hen die bij het onderzoek betrokken zijn. Dit geldt ook als de vermoedens omtrent de kindermishandeling onjuist blijken. Deze inmening in de persoonlijke levenssfeer levert daarom in beginsel geen onrechtmatig handelen van de melder en/of het AMK op. 

4.3.  Of een melding, die vervolgens in een onderzoek resulteert, toch onrechtmatig is, hangt af van de hoedanigheid van de melder en de zorgvuldigheid die de melder bij zijn beoordeling om een melding te doen in acht heeft genomen. Voor zowel particuliere als voor professionele melders heeft te gelden dat het opzettelijk doen van een valse AMK-melding onrechtmatig is. Voor een professional, zoals [gedaagde], is het doen van een AMK-melding bovendien onrechtmatig indien bij de beoordeling of een AMK-melding wordt gedaan niet een zodanige mate van zorgvuldigheid in acht wordt genomen die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam professional mag worden verwacht. Hierbij geldt dat de professional die een voor zijn professie toepasselijk(e) protocol of meldcode correct heeft gevolgd, in beginsel de zorgvuldigheid van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in acht heeft genomen. De zorgvuldigheid die de melder in acht moet nemen, geldt ook ten op zichte van derden, wiens belangen zo nauw bij de gevolgen van een gebrek aan voldoende zorgvuldigheid zijn betrokken dat zij als gevolg daarvan schade of ander nadeel kunnen lijden. Voor toewijzing van de vordering dient derhalve in de eerste plaats vast komen te staan dat [gedaagde] bij haar beoordeling tot het doen van een AMK-melding niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam kindertherapeute mag worden verwacht. 

4.4.  [eiser] heeft, met verwijzing naar de uitspraak van de Klachtencommissie, gesteld dat [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld door op basis van vage en onduidelijke signalen een AMK-melding te doen, als gevolg waarvan hij nadeel heeft geleden. 

4.5.  De rechtbank is van oordeel dat ze bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend kindertherapeute mag worden verwacht, niet gebonden is aan de uitspraak van de Klachtencommissie. De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de uitspraak van de Klachtencommissie in haar vonnis van 16 november 2011 aangemerkt als een bindend advies. Een bindend advies is een vaststellingsovereenkomst waarop de artikelen 7:900 en verder van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. Een bindend advies bindt de partijen bij dat advies. [gedaagde] is met de VIT overeengekomen dat geschillen middels een bindend advies van de Klachtencommissie worden beslecht, zodat [gedaagde] en de VIT partijen bij het bindend advies zijn. Niet gesteld of gebleken is dat tussen [eiser] en [gedaagde] eveneens een dergelijke overeenkomst bestaat, zodat niet vast staat dat [eiser] partij bij het bindend advies is. Nu niet vast staat dat [eiser] partij bij het bindend advies tussen [gedaagde] en de VIT is, bindt de uitspraak de partijen in de onderhavige procedure niet en is de rechtbank er evenmin aan gebonden. De opmerking van de rechtbank Zwolle-Lelystad in overweging 4.7.3 van haar vonnis, die er op neerkomt dat de vernietiging van de uitspraak van de Klachtencommissie geen werking heeft tussen [gedaagde] en de klagers, maakt het voorgaande niet anders. Het advies van de Klachtencommissie heeft nog wel werking tussen [gedaagde] en de klagers, waaronder [eiser], maar tussen [gedaagde] en [eiser] heeft het advies geen bindend karakter omdat [eiser] geen partij bij het bindend advies is. 

4.6.  De rechtbank dient te beoordelen of [gedaagde] heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheid die van haar mag worden verwacht, waarbij de uitspraak van Klachtencommissie aanwijzingen kan bevatten voor die mate van zorgvuldigheid. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de AMK-melding heeft gedaan op grond van meerdere concrete signalen van kindermishandeling van [B]. In de schriftelijke AMK-melding van [gedaagde], zoals hiervoor onder 2.9 weergegeven, heeft [gedaagde] haar melding gemotiveerd en signalen genoemd, waaronder “dat [B] vertelt dat slaan in zijn gezicht en vallen op achterhoofd lekker voelen, een fijne prikkeling geeft”. In het telefoongesprek tussen [gedaagde] en het AMK naar aanleiding van de melding, zoals hiervoor 2.12 weergegeven, noemt [gedaagde] voorts als signalen dat “[B] heeft verteld dat hij aan zelfdoding dacht, kon verschillende manieren benoemen, ook hoe hij het zou gaan doen, met een mes, want dan bloed je snel leeg. Hij heeft gezegd dat hij wordt geslagen door stP.”. De rechtbank is van oordeel dat hiermee vast is komen te staan dat [gedaagde] een vermoeden had van kindermishandeling. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat haar vermoedens van mishandeling voldoende concreet waren en dat ze er alles aan heeft gedaan om haar vermoedens te toetsen, zodat ze zorgvuldig heeft gehandeld. Gelet op deze betwisting door [gedaagde] dient [eiser] zijn stelling dat [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld door beschuldigingen te uiten op grond van vage en onduidelijke signalen, nader te bewijzen. Aan dat bewijs zal echter, gezien het navolgende, niet worden toegekomen. 

4.7.  [gedaagde] heeft aangevoerd dat ze de melding heeft gedaan nadat [A] de afspraak van 19 oktober 2008 plots had afgezegd en de therapie van [B] had beëindigd. Hierdoor was er geen toezicht meer op [B], terwijl [gedaagde] een vermoeden van kindermishandeling had, hetgeen zij ook aan [A] had meegedeeld. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daardoor, zelfs als de signalen voor kinderhandeling op dat moment (nog) onvoldoende door [gedaagde] zouden zijn onderzocht, geen andere mogelijkheid meer had dan het doen van een AMK-melding. [gedaagde] heeft hiermee gehandeld overeenkomstig de door haar gehanteerde meldcode, zoals hiervoor onder 2.8 weergegeven. [gedaagde] heeft bovendien aangevoerd dat ze zich daarbij realiseerde wat de gevolgen voor [eiser] zouden zijn, maar dat ze het belang van het kind boven het belang van [eiser] heeft laten prevaleren. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daarmee zorgvuldig heeft gehandeld. De vordering wordt daarom afgewezen. (...) LJN BX1494

Deze website maakt gebruik van cookies