Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 310315 als geen hulp is geboden is een abstract berekende vergoeding voor de hulp niet aan de orde; kan wel bij begroting smartengeld in aanmerking worden genomen

Hof Arnhem-Leeuwarden 310315 RSI productiemedewerkster; eindleeftijd bij verlies verdienvermogen in beginsel pensioengerechtigde leeftijd; in casu 67 jaar;
- ogv rente van 1,5% en inflatie van 0,5% komt hof uit op een rekenrente van 1% tot 1 januari 2018, daarna conform eis 3%;
- als geen hulp is geboden is een abstract berekende vergoeding voor de hulp niet aan de orde; kan wel bij begroting smartengeld in aanmerking worden genomen;
overwegingen over de betekenis van de richtlijnen van de Letselschaderaad; deskundigenbericht VA en AD mbt zelfwerkzaamheid gelast

vervolg op: hof-arnhem-080408-rsi-werkgever-niet-geslaagd-in-tegenbewijs

Huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid - algemeen

7.15
De rechtbank heeft in het eindvonnis de schade vanwege kosten van huishoudelijke hulp begroot op € 17.250,- en vanwege verlies zelfwerkzaamheid op € 9.468,-. In de tussenvonnissen van 27 juli 2011 en 20 juni 2012 had de rechtbank de door haar bij die begroting in aanmerking te nemen uitgangspunten al uiteengezet. Met de grieven II tot en met VI in principaal appel en de grief in incidenteel appel komen partijen op tegen het oordeel van de rechtbank over deze twee geschilpunten. De grief in het incidenteel appel heeft een voorwaardelijk karakter, in die zin dat deze wordt opgeworpen indien het hof op grond van de grieven in principaal appel tot toekenning van hogere schadebedragen zou komen.

7.16
De rechtbank is in haar benadering van de beide schadeposten uitgegaan van een eindleeftijd van 70 jaar. Tegen deze eindleeftijd heeft [appellante] niet gegriefd, zodat in hoger beroep van deze eindleeftijd kan worden uitgegaan.

7.17
Om de vorderingen van [appellante] betreffende huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid te kunnen begroten, is allereerst noodzakelijk dat wordt vastgesteld wat de behoefte van [appellante] is aan huishoudelijke hulp en hulp bij het onderhoud van haar huis en tuin. Als die behoefte is vastgesteld, dient vervolgens te worden vastgesteld welke kosten gemoeid zijn met de vastgestelde behoefte aan hulp. Partijen verschillen zowel van mening over de vraag wat de omvang is van de behoefte aan hulp als over de vraag welke kosten daarmee zijn gemoeid. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van de behoefte en de kosten van de hulp rusten op [appellante].

7.18
Vastgesteld kan worden dat [appellante] geen betaling vordert van de bedragen die zij daadwerkelijk heeft betaald aan derden die huishoudelijke hulp aan haar hebben verleend en/of hebben geholpen met het onderhoud van haar huis en tuin. Indien de door haar geleden schade vanwege huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid concreet zou worden begroot, zou dan ook geen schadebedrag kunnen worden vastgesteld. [appellante] opteert dan ook voor abstracte schadevergoeding. [geïntimeerden] verzetten zich op zichzelf niet tegen deze wijze van begroting van de schade. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad over de schade vanwege de kosten van huishoudelijke hulp (vgl. onder meer Hoge Raad 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998), die naar het oordeel van het hof van overeenkomstige toepassing is op schade vanwege verlies zelfwerkzaamheid, komen de kosten van huishoudelijke hulp voor vergoeding in aanmerking voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dat is niet anders indien de werkzaamheden in werkelijkheid zijn verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. De schade wordt dan begroot op maximaal het bedrag dat in rekening was gebracht indien wel professionele hulp zou zijn verleend.

7.19
Uit de hiervoor vermelde rechtspraak volgt dat bij de begroting van de schade vanwege huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid kan worden geabstraheerd van de omstandigheid dat de benadeelde degene die de hulp heeft geboden geen vergoeding heeft betaald. Naar het oordeel van het hof kan niet worden geabstraheerd van de omstandigheid dat de hulp in het geheel niet is geboden. Indien in het geheel geen hulp is geboden, ook niet onbetaald, is een abstract berekende vergoeding voor de (niet geboden) hulp niet aan de orde. Mogelijk kan deze omstandigheid bij de begroting van het smartengeld in aanmerking worden genomen. Het is immers niet onaannemelijk dat leed wordt toegevoegd aan de benadeelde indien door het letsel het huis en de tuin niet kunnen worden onderhouden (en door het vertraagd tot stand komen of achterwege blijven van een adequate voorschotregeling ook geen hulp kan worden ingeschakeld), waardoor het huis en de tuin “verslonzen. In het geschil tussen partijen is dat echter niet aan de orde, nu [appellante] geen grief heeft gericht tegen het door de rechtbank toegekende smartengeldbedrag, zodat de vraag naar de betekenis van het achterwege blijven van tuinonderhoud voor de hoogte van het smartengeld in hoger beroep niet ter beantwoording voorligt.

7.20
De rechtbank heeft haar oordeel over het verlies zelfwerkzaamheid in belangrijke mate gebaseerd op de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad. Ook ten aanzien van de schade wegens kosten van huishoudelijke hulp heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij een richtlijn van de Letselschaderaad, te weten de Richtlijn Huishoudelijke Hulp. Beide richtlijnen bevatten normbedragen voor de kosten van respectievelijk (reguliere) onderhoudswerkzaamheden aan eigen woning en tuin en van huishoudelijke hulp, waarbij voor wat betreft de zelfwerkzaamheid gedifferentieerd wordt naar het soort woning (eigen woning of huurwoning, met of zonder tuin, vrijstaande woning, hoekwoning, rijtjeshuis of appartement) en voor wat betreft de huishoudelijke hulp naar de gezinssituatie van de benadeelde. In beide richtlijnen wordt ook gedifferentieerd naar de beperking van de benadeelde, bij de Richtlijn Zelfwerkzaamheid uitgedrukt in een afgerond percentage (25, 50 of 100%) en bij de Richtlijn Huishoudelijke Hulp in een kwalificatie (licht tot matig beperkt en ernstig beperkt). In de beide richtlijnen komen de hiervoor in rechtsoverweging 7.17 onderscheiden stappen - wat is de beperking en welke kosten zijn gemoeid met het voorzien in die beperking - dan ook terug. 
De rechtbank heeft in (rechtsoverweging 4.17 van) het vonnis van 27 juli 2011 over het aansluiten bij de richtlijnen het volgende overwogen:
“Bij de bepaling van de hulp en de daarmee gepaard gaande kosten dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook, tegen de achtergrond van de in de loop der jaren vastgestelde beperkingenprofielen en de eigen verklaringen van [appellante] omtrent de behoefte aan hulp, aansluiting te worden gezocht bij de Richtlijnen van de Letselschade Raad. Weliswaar valt een berekening op basis van de daarin neergelegde normbedragen vermoedelijk lager uit dan de door [appellante] begrote kosten maar [appellante] heeft onvoldoende (met bescheiden) onderbouwd dat zij meer kosten heeft moeten maken en nog zal moeten maken dan het gemiddelde.”

7.21
[appellante] betoogt in grief II in principaal appel dat de rechtbank ten onrechte heeft aangesloten bij de richtlijnen. Zij stelt allereerst dat zij niet is gebonden aan deze richtlijnen. De normbedragen van de Richtlijn Huishoudelijke hulp zijn volgens haar niet van toepassing op haar situatie, nu deze slechts gelden voor de eerste zes maanden na het ongeval. Ten aanzien van de in de Richtlijn Zelfwerkzaamheid voert zij aan dat onduidelijk is op welke onderzoeksgegevens de in die Richtlijn vermelde normbedragen zijn gebaseerd. Uit door haar advocaat (telefonisch) ingewonnen informatie bij een lid van de Projectgroep Materiële Normering, die betrokken is geweest bij de totstandkoming van deze Richtlijn volgt dat de verzekeraars druk hebben uitgeoefend om de normering naar beneden bij te stellen, waardoor normeringen tot stand zijn gekomen die geen steun vinden in de destijds beschikbare onderzoeksgegevens en dat ook deze Richtlijn oorspronkelijk bedoeld was voor situaties van tijdelijke uitval, aldus [appellante], die er ook nog op wijst dat de Richtlijn de mogelijkheid van een afwijking bij bijzondere omstandigheden behelst. Volgens haar is sprake van bijzondere omstandigheden. Zij beroept zich op offertes waaruit volgt dat de op grond van de richtlijnen begrote bedragen veel te laag zijn.

7.22
Het hof stelt voorop dat [appellante], zoals zij terecht opmerkt (anders dan een verzekeraar), niet is gebonden aan de in de richtlijnen vermelde normen. Dat betekent echter niet dat deze normen bij de begroting van de door [appellante] geleden schade zonder betekenis zijn. De richtlijnen zijn tot stand gekomen in overleg tussen belangrijke betrokkenen in de letselschadepraktijk, niet alleen verzekeraars maar ook belangenbehartigers. Ze worden breed toegepast in de letselschadepraktijk en ook in de feitenrechtspraak geregeld gehanteerd. Onder deze omstandigheden verschaffen ze - ondanks het feit dat ze niet boven iedere kritiek zijn verheven; ze worden niet voor niets periodiek herzien - in een concrete situatie minst genomen een oriëntatiepunt bij de begroting van de schade en kunnen ze, afhankelijk van wat partijen over en weer hebben gesteld, mogelijk ook als uitgangspunt fungeren. De richtlijnen spelen dan ook een rol in het kader van de stelplicht van partijen ten aanzien van de schadeposten huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheid. Indien, zoals hier, de benadeelde een bedrag vordert dat aanzienlijk hoger is dan bij toepassing van de richtlijnen aan de orde zou zijn, mag van hem verwacht worden dat hij onderbouwt waarom dat hogere bedrag op zijn plaats is. De rechtbank heeft dat in de door [appellante] met de grief bestreden overweging ook (terecht) tot uitdrukking gebracht. In zoverre faalt de grief.

7.23
Het hof zal hierna ingaan op de vraag of de door de rechtbank begrote schadebedragen juist zijn en in dat verband ook de door [appellante] voor het eerst in hoger beroep in het geding gebrachte offertes, waarmee zij haar behoefte aan hulp onderbouwt, betrekken. 

Huishoudelijke hulp

7.24
[appellante] vordert een bedrag van € 7.962,50 per jaar vanwege de kosten van huishoudelijke hulp. Zij stelt dat sprake is van een hulpbehoefte van 12,25 uur per week gedurende 52 weken per jaar en dat uitgegaan dient te worden van een uurtarief van € 12,50. [geïntimeerden] hebben deze vordering gemotiveerd bestreden.

7.25
Ter onderbouwing van de hulpbehoefte heeft [appellante] verwezen naar informatie van het CBS over de tijd die vrouwen gemiddeld aan huishoudelijk werk besteden. In een gezinssituatie als die van [appellante] is dat volgens haar 3,55 uur per dag. Wanneer rekening wordt gehouden met het gegeven dat zij nog maar 25% van het huishoudelijk werk zelf kan verrichten, is een behoefte aan hulp van 12,25 uur per week reëel, zo verstaat het hof de stellingen van [appellante].

7.26
Het hof volgt [appellante] niet in dit betoog. De CBS-gegevens waar [appellante] haar stellingen op baseert, geven informatie over de tijd die een vrouw in Nederland gemiddeld per dag aan huishoudelijk werk besteedt. Voor de begroting van de schade vanwege kosten aan huishoudelijke hulp is niet bepalend of [appellante] nog in staat is ook zoveel tijd per dag aan huishoudelijk werk te besteden, maar hoeveel uur hulp zij per week nodig heeft om het huishoudelijk werk te verrichten dat zij voor de beroepsziekte zelf verrichtte en als gevolg van haar beperkingen niet meer kan verrichten. Daarover heeft [appellante] pas, desgevraagd, bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep gedetailleerde informatie verstrekt. [appellante] heeft toen allereerst aangegeven dat zij toen zij nog werkte vier uur per week huishoudelijke hulp ontving. Met die door haar al ontvangen huishoudelijke hulp dient bij de begroting van de schade vanwege de kosten van huishoudelijke hulp uiteraard rekening te worden gehouden. [appellante] heeft vervolgens verklaard dat zij sinds (enige tijd na) het eindvonnis van de rechtbank gedurende zes uur per week huishoudelijke hulp ontvangt. Zij heeft na het vonnis een betaling van [geïntimeerden] ontvangen en kon de hulp uit die betaling bekostigen. Het zwaardere huishoudelijke werk, zoals "het doen van de badkamer", het verschonen van bedden en strijken wordt door de hulp verricht. De hulp helpt ook eenmaal per week bij het doen van de boodschappen, aldus [appellante], die ook verklaarde dat haar dochter voorheen hulp bood.

7.27
[appellante] heeft niet gesteld dat zij naast de door haar al ontvangen huishoudelijke hulp behoefte heeft aan meer hulp. Zij heeft ook geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij meer dan zes uur per week behoefte heeft aan huishoudelijke hulp. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een indicatiestelling. Aldus heeft zij onvoldoende onderbouwd dat zij meer dan zes uur per week behoefte heeft aan huishoudelijke hulp.

7.28
Indien [appellante] sinds haar uitvallen als gevolg van de beroepsziekte een behoefte aan huishoudelijke hulp heeft van zes uur per week, is de behoefte aan huishoudelijke hulp met twee uur per week toegenomen. Indien - bij wijze van veronderstelling - wordt uitgegaan van een uurtarief van € 12,50 en van 52 weken per jaar leidt dat tot een jaarschade van € 1.300,-. De rechtbank is uitgegaan van een jaarschade van 3 (uur per week) maal € 10,- (per uur) maal 48 (weken) = € 1.440,-. Dat betekent dat wat er verder zij van de door de rechtbank gehanteerde en door [appellante] bekritiseerde uitgangspunten de grieven II en VI (beide voor zover betrekking hebbend op de huishoudelijke hulp) en III en V in principaal appel niet slagen. Aan de behandeling van de grief in incidenteel appel komt het hof niet toe voor zover de grief betrekking heeft op de huishoudelijke hulp, nu de grieven in principaal appel betreffende de huishoudelijke hulp niet slagen. 

ECLI:NL:GHARL:2015:2350 voorzien van een noot door mw. J. Laumen in JA: laumenexpertise.nl

Deze website maakt gebruik van cookies