Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 020610 delay bij de behandeling van een pseudo-arthrose,oordeel over huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid

Rb Arnhem 020610 delay bij de behandeling van een pseudo-arthrose,oordeel over huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid
Huishoudelijke hulp
3.29.  Wat betreft de begroting van de schade wegens behoefte aan huishoudelijke hulp wordt als volgt overwogen. [eiser] bepleit dat daarvoor een nieuw deskundigenbericht wordt gelast. Hij kan zich niet verenigen met het deskundigenbericht van Van Groenestein. Uitgangspunt is echter dat de partijen, behoudens klemmende bezwaren, het hebben te doen met de uitkomst van een in gezamenlijk overleg benoemde deskundige. Het bezwaar van [eiser] tegen het deskundigenrapport van Van Groenestein is dat Van Groenestein onvoldoende heeft gereageerd op het commentaar op het conceptrapport van de medisch adviseur van [eiser], Groenewegen. Zij heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij naar aanleiding van dit commentaar haar rapport niet heeft gewijzigd. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Groenewegen heeft in zijn brief d.d. 30 november 2006 ten aanzien van de huishoudelijke hulp over het rapport van Van Groenestein opgemerkt:

“De overwegingen ten aanzien van ADL, huishoudelijke werkzaamheden en werkzaamheden in en om het huis hebben natuurlijk altijd iets arbitrairs, maar in grote lijnen kan ik mij daarin wel vinden behoudens de opmerkingen ten aanzien van bijvoorbeeld de doe het zelf werkzaamheden waarbij de arbeidsdeskundige wederom geen beperkingen meer aanwezig acht voor tillen, dragen, duwen etc. als de rugbeperkingen worden weggedacht. Ik heb reeds aangegeven dat dit niet juist is.”

Hieruit volgt dat het bezwaar van Groenewegen tegen de overwegingen met betrekking tot ADL, huishoudelijke werkzaamheden en zelfwerkzaamheid vooral ziet op de duiding van de mogelijkheden van [eiser], de rugbeperkingen weggedacht. Die laatste situatie is echter niet van belang, nu uitgangspunt is dat [eiser] mét en zonder delay aanzienlijke rugbeperkingen zou hebben gekend. Daarom acht de rechtbank dit bezwaar onvoldoende klemmend.

3.30.  Van Groenestein heeft over de behoefte aan huishoudelijke hulp het volgende opgemerkt:

“Met de beperkingen is betrokkene in staat te achten tot enige eigen inbreng bij het invullen van de huishoudelijke taken.
Situatie bij een adequate behandeling:
Het doen van boodschappen, het verzorgen van een maaltijd en het wassen van kleding moet betrokkene ondanks de hierbij aangegeven beperkingen kunnen invullen. Anders is dit voor het meer belastende schoonmaakwerk.
Met de door Medirisk aangegeven beperkingen kan van betrokkene niet verwacht worden dat hij taken als ramenlappen, bedden verschonen, stofzuigen of sanitair reinigen kan invullen. I.v.m. de beperking bij kort cyclisch buigen en torderen en gebogen werken geldt hiervoor uitval. De beperking bij deze twee aspecten is gelijk aan de beperking gesteld door de heer Groenewegen. Taken als vloer wissen, stoffen/afnemen en opruimen zijn (mits correct uitgevoerd) minder rug belastend en verwacht mag worden dat betrokkene dit zelf zou hebben kunnen doen. De uitval is te stellen op ca. 50% van het totaal aantal uren schoonmaakwerk. Dit is 1.5 uur per week.

Situatie bij een niet correct behandeld onderbeen:
(...)
Met de door Groenewegen gestelde beperking van de belastbaarheid bij met name tillen en dragen vervalt ook de mogelijkheid tot het opruimen voor een belangrijk deel, juist i.v.m. deze beperking.
De uitval is te stellen op 0.5 uur boodschappen en ca. 90% van het totaal aantal uren schoonmaakwerk. Dit is 0.5 + 2.7 = 3.2 uren per week.

(...)
10 CONCLUSIE/ADVIES:
(...)
6a Uitval huishoudelijke arbeid bij een adequate behandeling 1.5 uur per week. (...)
Uitval huishoudelijke arbeid bij een niet correct behandeld onderbeen volgens belastbaarheid Groenewegen 3.2. uur per week.
(..)
Uitval zelfwerkzaamheid 1.2 uur per week zowel bij een adequate behandeling als bij een niet correct behandeld onderbeen.
6b Aanpassingen met betrekking tot de woning en/of het vervoer zijn niet noodzakelijk. Als de intentie is het aantal uren hulp te verminderen is er een vermindering van 0.5 uur per week mogelijk bij het kunnen beschikken over eigen vervoer.”

3.31.  Uitgaande van het rapport van Van Groenestein geldt voor de vordering inzake huishoudelijke hulp het volgende. Uitgangspunt zijn ook hier de beperkingenprofielen van Groenewegen. Met ongeval, zonder delay is die uitval 1,5 uur per week. Met ongeval, met delay is die uitval 3,2 uur per week. Het verschil is dus 1,7 uur per week.

3.32.  Dat kan worden verminderd met 0,5 uur per week indien [eiser] beschikt over een auto. Hoewel [eiser], in ieder geval tot nu toe, over een auto heeft beschikt, zal daarmee bij de begroting van de benodigde huishoudelijke hulp geen rekening worden gehouden. Voorzover die auto wordt gebruikt voor het verminderen van de behoefte aan huishoudelijke hulp, is het namelijk redelijk dat het ziekenhuis bijdraagt in de kosten van die auto. Die bijdrage zal schattenderwijs worden gesteld op de kosten van een half uur huishoudelijke hulp. Over de eveneens door [eiser] gevorderde kosten van de auto wordt hieronder afzonderlijk beslist. Uitgangspunt zal dus zijn dat [eiser] als gevolg van het delay behoefte heeft aan 1,7 uur huishoudelijke hulp per week.

3.33.  Over de jaren 2002 tot en met 2004 heeft [eiser] een bedrag van € 6.257,14 gevorderd wegens ‘hulp uit de omgeving tegen reëel markttarief’, deels ook lichamelijke verzorging tijdens revalidatie. De basis van zijn begroting is de indicatie van het CIZ (Centrum indicatiestelling zorg) van 6 uur per week, waarvan 4 uur huishoudelijke hulp.

3.34.  Die indicatiestelling kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet de basis zijn waarop de aanspraak jegens het ziekenhuis wordt gebaseerd, omdat die indicatiestelling geen onderscheid maakt naar behoefte als gevolg van het verkeersongeval en als gevolg van het delay. Ook voor de jaren 2002 tot en met 2004 zal de rechtbank daarom de door Van Groenestein aangegeven 1,7 uur per week als maatstaf hanteren. Het is voldoende aannemelijk, mede gezien het rapport van Van Groenestein en gezien feit dat het CIZ in 2005 de genoemde indicatiestelling heeft afgegeven, dat het hierbij gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin [eiser] verkeerde normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Het is daarom aan het ziekenhuis als aansprakelijke persoon om die kosten te vergoeden. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen (zie HR 5 december 2008, NJ 2009, 387). Het betoog van het ziekenhuis dat deze schade zo veel mogelijk concreet dient te worden berekend stuit af op de in de genoemde rechtspraak ontwikkelde uitzondering. De rechtbank acht voor de jaren 2002 tot en met 2004 een uurtarief van € 8,00 een passende vergoeding voor huishoudelijke werkzaamheden. Dat betekent dat over de jaren 2002 tot en met 2004 jaarlijks dient te worden vergoed: 1,7 x € 8,00 x 48 weken = € 652,80.

3.35.  Terecht voert het ziekenhuis aan dat over de jaren 2005 tot en met heden niet de volledige eigen bijdragen van de thuiszorg verschuldigd zijn, nu bij de indicatiestelling geen onderscheid is gemaakt tussen de hulpbehoefte veroorzaakt door het ongeval en de hulpbehoefte veroorzaakt door het delay. De rechtbank neemt aan dat [eiser] ook over het jaar 2010 tot en met 2012 over thuiszorg zal beschikken. Het voor rekening van het ziekenhuis komende deel van de eigen bijdrage zal conform de op dit punt niet bestreden berekening van het ziekenhuis (zie onder 31 conclusie van antwoord) over de jaren 2005 tot en met 2012 worden begroot op een bedrag van 1,7 x € 0,72 x 48 weken = € 58,76, afgerond € 60,00 per jaar.

3.36.  Voor de toekomst heeft [eiser] gesteld dat hij geen thuiszorg meer zal krijgen, althans geen aanspraak zal kunnen maken op een persoonsgebonden budget, als hij een baan heeft in WSW-verband. Hij zal die stelling bij zijn eerstvolgende akte nader mogen toelichten. Het ziekenhuis zal daarop dan bij zijn akte kunnen reageren.

3.37.  Voor het geval die stelling niet komt vast te staan, geldt het volgende. Ook voor de toekomst zal de rechtbank er dan van uit gaan dat [eiser] aanspraak zal kunnen maken op thuiszorg. De rechtbank acht het in het kader van de schadebeperkingsplicht redelijk dat [eiser] van die mogelijkheid gebruikt maakt. Dat leidt er toe dat de schade wegens huishoudelijke hulp ook voor de toekomst dient te worden begroot op de eigen bijdrage. Uitgangspunt daarbij zal zijn tot de 70e verjaardag van [eiser]. Bij de begroting van de wekelijkse behoefte van [eiser] aan huishoudelijke hulp is immers al verdisconteerd dat [eiser] ook zonder delay last zou hebben gehad van rugklachten. Die omstandigheid is dan niet ook nog eens reden om de looptijd te verminderen. Aan de te benoemen rekenkundige zal worden gevraagd deze begroting te maken, uitgaande van de eigen bijdrage passend bij het inkomen dat [eiser] zal kunnen verdienen.

zelfwerkzaamheid
3.38.  Ook wat betreft deze post bestrijdt [eiser] het rapport van Van Groenestein. Die klacht wordt op dezelfde gronden als hiervoor onder rov. 3.29. verworpen. Dat betekent dat moet worden aangenomen dat [eiser] zowel met als zonder delay een uitval voor zelfwerkzaamheid zou hebben ondervonden van 1,2 uur per week. Die uitval dient daarom als gevolg te worden gezien van het verkeersongeval en niet zozeer van het delay.

3.39.  Het bezwaar dat Van Groenestein niet heeft beschikt over verzekeringsgeneeskundige FML’s wordt verworpen op de in rov. 3.14. verwoorde overweging. Verder heeft [eiser] nog aangevoerd dat Van Groenestein bij de beoordeling van zijn verlies aan zelfwerkzaamheid niet is uitgegaan van [eiser]’s bijzondere eigenschappen. Uit het rapport van Van Groenestein kan worden afgeleid dat door het delay niet nog aanvullend verlies aan zelfwerkzaamheid is opgetreden, naast de door het ongeluk reeds veroorzaakte verlies aan zelfwerkzaamheid. Van Groenestein merkt hierover op:

“Met de beperkingen zoals aangegeven door de beide medisch adviseurs is het grootste knelpunt bij het uitvoeren van doe het zelf werkzaamheden de forse beperking voor het kort cyclisch buigen of torderen van de rug. De beperking hiervoor werd door beide medisch adviseurs, in de twee omstandigheden gelijk geduid.
Met deze beperking kan van betrokkene niet verwacht worden dat hijzelf gaat schilderen/behangen en ander, vaak eenmalig voorkomend, onderhoudswerk verricht. De leefwijze van betrokkene voor het ongeval maakt het dubieus of hij regelmatig tijd zou hebben geïnvesteerd in het eigen woning onderhoud. Zijn prioriteit heeft gelegen bij werken en bezoek sportschool. Om de vraag te beantwoorden moet ik uitgaan van wat aannemelijk is. Aannemelijk vind ik het uit te gaan van de gemiddelde alleenstaande man. 1.6 uur gemiddeld per week komt op mij als invoelbaar over. Met de beperking van de belastbaarheid voor het kort cyclisch buigen of torderen van de rug schat ik dat betrokkene 75% van de onder de noemer van doe het zelfs activiteiten vallende werkzaamheden niet kan uitvoeren. Dit komt overeen met een uitval van 1,2 uur per week.”

3.40.  Uit dit citaat volgt dat Van Groenestein bij haar overwegingen wel degelijk rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van [eiser]. Ook dat bezwaar is onvoldoende klemmend. Slotsom is dan ook dat de vordering wegens verlies van zelfwerkzaamheid zal worden afgewezen.
LJN BM9311

Deze website maakt gebruik van cookies