Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Zwolle 101104 vaststelling behoefte aan huishoudelijke hulp a.d.h.v. RIO-indicatie

Rb Zwolle 101104 vaststelling behoefte aan huishoudelijke hulp a.d.h.v. RIO-indicatie
3.8  [eiser] stelt dat hij ten gevolge van zijn beperkingen behoefte heeft aan 3 uur (huishoudelijke) hulp per dag gedurende zeven dagen per week. Hij beroept zich op een RIO-indicatie van 21 mei 2001, waarin melding wordt gemaakt van een zorgbehoefte van 21 uur per week. De noodzakelijk zorg wordt door de moeder van [eiser] verleend. Vanaf 1 augustus 2001 ontvangt [eiser] een PGB voor 10,5 uur per week. De overige uren worden geacht door mantelzorg te worden opgevangen. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de door zijn moeder verstrekte hulp vanaf het moment dat hij 18 jaar geworden is. Hij meent dat een vergoeding van
fl. 23,00 (EUR 10,44) per uur reëel is.

Univé betwist dat de hulp in de door [eiser] gestelde omvang noodzakelijk is en meent dat uitgegaan moet worden van een uurtarief van maximaal EUR 4,50.

3.9  Uit de door [eiser] in het geding gebrachte RIO-indicatie volgt dat bij de bepaling van de behoefte aan (huishoudelijke) hulp ook rekening is gehouden met maaltijdverzorging (5,25 uur per week), bewassing (1,5 uur), licht huishoudelijk werk
(1,5 uur), zwaar huishoudelijk werk (2 uur), het doen van boodschappen (3 uur), het beheer van het huishouden ( 1 uur) en de organisatie van het huishouden (1 uur). In totaal is volgens de indicatie met deze werkzaamheden 15,25 uur per week gemoeid. Het betreft werkzaamheden die in ieder huishouden dienen plaats te vinden en die derhalve niet specifiek gebonden zijn aan de beperkingen van [eiser]. Dat ligt anders voor de onderdelen primaire activering (1,75 uur) en structureren dagelijks levenspatroon (3,5 uur), in totaal 5,25 uur.

Univé heeft de RIO-indicatie niet gemotiveerd betwist, zodat bij de bepaling van de behoefte aan huishoudelijke hulp van de gegevens die blijken uit de RIO-indicatie kan worden uitgegaan.

3.10  Bij het antwoord op de vraag voor welke hulp [eiser] aanspraak kan maken op een vergoeding, dient allereerst een vergelijking plaats te vinden tussen de situatie na ongeval en de (hypothetische) situatie zonder ongeval.

Er kan van worden uitgegaan dat [eiser] zonder ongeval geen behoefte zou hebben gehad aan hulp bij de primaire activering en het structureren van het dagelijks levenspatroon. De daarmee gemoeide tijd, 5,25 uur per week, is zonder meer als ongevalsgevolg te beschouwen. Dat ligt bij de andere onderdelen van de indicatie anders. Het is allereerst aannemelijk dat [eiser] ook na het bereiken van de 18 jarige leeftijd nog enige jaren, in ieder geval gedurende zijn studie, thuis zou zijn blijven wonen, zodat zijn moeder ook in dat geval, zonder ongeval, zou hebben zorggedragen voor (het leeuwendeel van) de maaltijdverzorging, de bewassing en de boodschappen ten behoeve van [eiser]. In dit kader is van belang dat ook de tweelingbroer van [eiser], aan wie hij zich voor wat betreft het inkomen zonder ongeval spiegelt, blijkens een overgelegde loonstrook in mei 2003 nog in het ouderlijk huis woonde.

Vervolgens is gesteld noch gebleken dat de in de indicatie genoemde huishoudelijke werkzaamheden alleen betrekking hebben op [eiser] en niet ook op de andere gezinsleden. Ook in de situatie zonder ongeval zou in het gezin van [eiser] tijd besteed zijn aan maaltijdverzorging, bewassing, boodschappen doen en huishoudelijk werk. De tijd die daar nu, na het ongeval, mee gemoeid is, is dan ook geen ongevalsgevolg, voorzover het geen extra tijd betreft, en komt niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank acht aannemelijk dat de moeder van [eiser] door de beperkingen van [eiser] wat meer tijd aan huishoudelijke werkzaamheden dient te besteden dan in de situatie zonder ongeval, maar niet dat het 15,25 uur (20,5 uur – 5,25 uur) per week betreft. Bij de toekenning van het PGB is uitgegaan van een hulpbehoefte van 10,5 uur, derhalve van 5,25 uur naast de hulp bij de primaire activering en bij de structurering van het dagelijks levenspatroon. De rechtbank zal daarbij aansluiten en derhalve uitgaan van 5,25 uur aan huishoudelijke hulp, die in de gezinssituatie van [eiser] het gevolg is van het ongeval. In totaal komt de aan het ongeval gerelateerde hulpbehoefte dan uit op 10,5 uur per week.

3.11  Voor de periode van 1 november 1997 (de eerste maand na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar door [eiser]) tot 1 augustus 2001 geldt dat [eiser] aanspraak kan maken op een redelijke vergoeding voor de door zijn moeder verleende zorg. De rechtbank gaat uit van 546 uur (52 maal 10,5) per jaar tegen een uurtarief van EUR 7,00. De rechtbank acht dit tarief, nu de hulp niet door een professional maar door de moeder van [eiser] is verricht, redelijk. De totale vordering betreffende deze periode bedraagt aldus: 3,75 (jaar) x 546 (uur) x EUR7,00 = EUR 14.332,50.

Vanaf 1 augustus 2001 ontvangt [eiser] een PGB voor 10,5 uur per week. Nu de ongevalgerelateerde hulpbehoefte door het PGB wordt gedekt, is vanaf 1 augustus 2001geen sprake van schade uit hoofde van huishoudelijke hulp. Partijen hebben zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag naar de behoefte aan en de kosten van huishoudelijke hulp in de situatie dat [eiser] niet meer in het ouderlijk huis woont. In zijn berekening van de schade vanwege huishoudelijke hulp is [eiser] uitgegaan van de huidige situatie en heeft hij op basis van de huidige situatie de schade tot aan het bereiken van de leeftijd van 75 jaar berekend. Univé heeft daar niet op gereageerd. Nu partijen aan dit aspect geen aandacht hebben besteed, zal de rechtbank er, met partijen, vanuit gaan dat een wijziging van de thuissituatie van [eiser] niet leidt tot een wijziging van de kosten van huishoudelijke hulp.

De slotsom is dat aan kosten van huishoudelijke hulp een bedrag van 70% (gelet op hetgeen in rechtsoverweging 1.10 is aangegeven omtrent de aansprakelijkheid van Univé) van EUR 14.332,50 toewijsbaar is, derhalve EUR 10.032,75.

3.12  De vordering van [eiser] betreffende de mogelijke wijziging van zijn PGB is toewijsbaar. Dat betekent echter niet dat [eiser] bij een eventuele vermindering of nihilstelling van het PGB per definitie aanspraak heeft op vergoeding van het bedrag dat met de vermindering of nihilstelling gemoeid is. Bij een eventuele vermindering of nihilstelling zal bezien moeten worden wat, gelet op de dan bestaande situatie van [eiser], de aan het ongeval gerelateerde behoefte aan huishoudelijke hulp van [eiser] is en welke kosten [eiser] redelijkerwijs moet maken om die hulp te verkrijgen. De rechtbank zal een en ander in het eindvonnis in het dictum tot uitdrukking brengen.
LJN BC6457

Deze website maakt gebruik van cookies