Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 110708 abstracte berekening huishoudelijke hulp, invulling begrip "normaal en gebruikelijk"

HR 110708 abstracte berekening huishoudelijke hulp, invulling begrip "normaal en gebruikelijk"
.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 7 juni 1993 is [betrokkene 2] (hierna: de moeder) als gevolg van een verkeersongeval om het leven gekomen. Achmea heeft als WAM-verzekeraar van de auto waarmee het ongeval is veroorzaakt, de aansprakelijkheid voor uit het ongeval voortvloeiende schade erkend.
(ii) De moeder vormde tot het ongeval tezamen met [eiser 1] (hierna: de vader) en hun kinderen [eiser 2] (geboren op [geboortedatum] 1986) en [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1989) een gezinshuishouding. Ten tijde van het ongeval waren de kinderen 7 onderscheidenlijk 4 jaar oud.
(iii) De vader werkte, zowel voor als na het ongeval, in een fulltime dienstbetrekking (38 uur per week in ploegendienst). De moeder werkte tot het ongeval 20 uur per week als directiesecretaresse. Gedurende de uren waarop de moeder aan het werk was, werd de kinderopvang verzorgd door de vader of door de moeder van de moeder. Vast staat dat de moeder vanaf 1 september 1993, het moment waarop [betrokkene 1] naar school zou gaan, 30 uur per week zou gaan werken.
(iv) Op 1 oktober 1995 is de vader hertrouwd. Zijn nieuwe echtgenote had al een kind. Zij heeft geen eigen inkomen.
(v) De vader heeft de schade van de kinderen als bedoeld in art. 6:108 BW door een adviesbureau laten berekenen met behulp van een zgn. Audalet-berekening. De schade van [eiser 2] is in die berekening begroot op € 42.033,21, die van [betrokkene 1] op € 53.559,68. In deze bedragen zijn ook kosten voor huishoudelijke hulp opgenomen.

3.2 Het gaat in dit geding om een vordering tot vergoeding van de schade van de kinderen als gevolg van het overlijden van de moeder door het ongeval. In cassatie is uitsluitend nog aan de orde de vordering voor zover deze betrekking heeft op kosten voor huishoudelijke hulp over de periode vanaf het ongeval tot aan de meerderjarigheid van de kinderen. Het hof heeft dit gedeelte van de vordering afgewezen, en heeft daartoe als volgt overwogen.

"3.3.2 Het hof stelt vast dat [de moeder] ten tijde van het ongeval een dienstbetrekking had van 20 uren per week en dat zij voornemens was per 1 september 1993 30 uren te gaan werken. Dit laatste viel samen met de gang naar de basisschool van [betrokkene 1]. Afzonderlijke kosten van kinderopvang of huishoudelijke hulp maakte het gezin [van eiser] niet, terwijl het ook niet in de bedoeling lag die kosten te gaan maken. Voorts heeft [eiser] c.s. onvoldoende gesteld om tegenover de betwisting dat daadwerkelijk uitgaven voor huishoudelijke hulp zijn gedaan, te kunnen aannemen dat zodanige kosten wel gemaakt zijn. Op 1 oktober 1995 is [de vader] hertrouwd. In ieder geval vanaf dat moment zijn de huishoudelijke taken verzorgd door diens nieuwe echtgenote.
3.3.3 Anders dan in eerste aanleg beroept [eiser] c.s. zich in hoger beroep uitdrukkelijk op artikel 6:108, eerste lid aanhef en sub d, BW.
3.3.4 Het hof is van oordeel dat in beginsel voor schadeposten als de onderhavige slechts een schadevergoedingsplicht bestaat, indien sprake is van daadwerkelijk gemaakte kosten. Dit is slechts anders indien onder bijzondere omstandigheden, die zijn gesteld noch gebleken, wordt afgezien van het inschakelen van professionele krachten waar dat normaal gesproken is aangewezen.
3.3.5 Voor zover [eiser] c.s. wil betogen dat het in hoger beroep aangehaalde artikel een grondslag biedt voor een abstracte schadevergoeding in het geval de overledene huishoudelijke taken verrichtte, miskent het dat huishoudelijke taken normaal gesproken worden verricht door de gezinsleden gezamenlijk en dat zij elkaar daarin over en weer bijstaan.
De schadevergoedingsplicht voor een vervangende huishoudelijke hulp als in genoemd artikel bedoeld, ontstaat eerst dan indien binnen de normale gang van zaken niet kan worden voorzien in de behoefte daaraan. Gesteld noch gebleken is dat na het overlijden van [de moeder] niet op gebruikelijke wijze in huishoudelijke taken is voorzien.
3.3.6 Dat is niet anders indien de overlevende ouder hertrouwt en een nieuw gezin sticht waarvan de kinderen uit het eerdere huwelijk deel uitmaken. De stelling van [eiser] c.s. dat door het huwelijk kosten worden bespaard ten voordele van de verzekeraar, faalt reeds omdat die kosten ook voorafgaand aan het huwelijk niet zijn gemaakt; nog daargelaten dat een stiefmoeder niet gelijk te stellen is met een betaalde huishoudelijke hulp voor de kinderen uit het eerdere huwelijk van haar echtgenoot. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven, zijn gesteld noch gebleken."

3.3 Het middel, waarvan onderdeel 1 een inleiding bevat, betoogt in onderdeel 2 dat het hiervoor weergegeven oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder omtrent de aan een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 6:108 lid 1, aanhef en onder d, BW te stellen eisen en omtrent de wijze waarop met aan de benadeelde opgekomen voordelen bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening moet worden gehouden dan wel juist daarvan (geheel of ten dele) moet worden geabstraheerd. In de onderdelen 3 tot en met 7 wordt deze algemene klacht nader uitgewerkt.

3.4.1 Ingevolge art. 6:108 lid 1, aanhef en onder d, BW is de aansprakelijke persoon gehouden tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover deze nabestaande schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van de huishouding moet worden voorzien. De in de aanhef van deze bepaling ("schade door het derven van levensonderhoud") besloten liggende beperking dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat voor zover de nabestaande, kort gezegd, gelet op alle omstandigheden van het geval ondanks zijn schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt, geldt - evenzeer als het geval is voor de in lid 1, onder a tot en met c, omschreven gevallen waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het verschaffen van materiële voorzieningen zoals kleding, voedsel of financiële bijdragen (vgl. HR 4 februari 2000, nr. R98/132, NJ 2000, 600) - ook voor het in lid 1, onder d, omschreven geval waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding.

3.4.2 In een geval als het onderhavige, waarin een van de ouders in een gezin met kinderen door een ongeval is overleden, zal derhalve het antwoord op de vraag of en in hoeverre de kinderen behoefte hebben aan een vergoeding ter zake van gederfd levensonderhoud voor zover dat bestond in het doen van de gemeenschappelijke huishouding door de overleden ouder, afhankelijk zijn van de concrete omstandigheden waarin zij verkeren, zoals hun leeftijd, de verdere gezinssamenstelling, de aard van de (huishoudelijke) werkzaamheden van de overledene waarin na diens overlijden op andere wijze moet worden voorzien, en de financiële positie waarin de kinderen na het overlijden van de ouder verkeren.

3.4.3 Het voorgaande laat evenwel onverlet dat in een aantal opzichten van de concrete omstandigheden geabstraheerd dient te worden. Zo is voor de vraag of de nabestaande schade lijdt in de zin van art. 6:108 lid 1, aanhef en onder d, niet bepalend of ten tijde van de beslissing van de rechter daadwerkelijk kosten worden gemaakt voor huishoudelijke hulp (vgl. HR 16 december 2005, nr. C04/276, NJ 2008, 186). Dit geldt in het bijzonder indien het gaat om huishoudelijke taken ten behoeve van kinderen, omdat van algemene bekendheid is dat in de leemte die ontstaat door het wegvallen van de huishoudelijke arbeid van de overleden ouder vaak wordt voorzien - naast extra inzet van de overblijvende ouder - door vrijwillige (kosteloze) hulp van familie, vrienden of bekenden, ook omdat in een gezinsbudget veelal niet direct ruimte gevonden kan worden voor het doen van structurele extra uitgaven voor professionele hulp; de vrijwillige hulpverlening zal echter meestal niet tot in lengte van jaren voortgezet kunnen worden. Voorts zal de omstandigheid dat de overblijvende ouder met een nieuwe partner trouwt of gaat samenleven, niet in aanmerking mogen worden genomen bij de vaststelling van hetgeen de kinderen behoeven, omdat zulks tot het onredelijke resultaat zou leiden dat de onderhoudslast van de kinderen in zoverre wordt gelegd op die nieuwe partner in plaats van op de aansprakelijke persoon (vgl. HR 28 februari 1986, nr. 12610, NJ 1987, 100).
Voor een deels objectieve benadering als zojuist bedoeld bestaat te meer aanleiding omdat het hier gaat om de begroting van (grotendeels) nog niet ingetreden schade (art. 6:105 BW). Gelet op deze aard van de schadepost, maar ook om mogelijk te maken dat zo spoedig mogelijk na het ongeval in overleg tussen de aansprakelijke partij en de benadeelden een passende vergoeding voor deze vorm van gederfd levensonderhoud kan worden vastgesteld, ligt het voor de hand om bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan een voorziening voor vervangende huishoudelijke hulp uit te gaan van de na het ongeval bekende concrete omstandigheden waarin zij tot aan hun meerderjarigheid zullen verkeren, en daarbij geen rekening te houden met het antwoord op de vraag of reeds daadwerkelijk is voorzien in professionele huishoudelijke hulp dan wel of de mogelijkheid bestaat dat de overblijvende ouder in de toekomst gaat trouwen of samenwonen met een nieuwe partner die huishoudelijke taken in het gezin kan gaan verrichten.

3.5 Het hof heeft zijn beslissing dat de kinderen geen aanspraak hebben op een vergoeding voor kosten van (professionele) huishoudelijke hulp, mede gebaseerd op de omstandigheden dat na het ongeval niet daadwerkelijk kosten zijn gemaakt voor huishoudelijke hulp (rov. 3.3.2 en 3.3.4) en dat in ieder geval vanaf 1 oktober 1995 de huishoudelijke taken zijn verzorgd door de nieuwe echtgenote van de vader (rov. 3.3.2 en 3.3.6). Blijkens het hiervoor in 3.4 overwogene is het hof aldus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. De daarop gerichte klachten van de onderdelen 4 - 4.3 en 6 zijn in zoverre gegrond.

3.6 Het hof heeft in rov. 3.3.5 overwogen dat huishoudelijke taken "normaal gesproken" worden verricht "door de gezinsleden gezamenlijk" en dat zij elkaar daarin over en weer bijstaan. Voor zover het hof met "de gezinsleden gezamenlijk" mede het oog heeft gehad op de kinderen zelf die "normaal gesproken" ook meedoen met het verrichten van huishoudelijke taken, is dat oordeel gelet op hun leeftijd ten tijde van het overlijden van de moeder (respectievelijk 7 en 4 jaar) zonder nadere motivering onbegrijpelijk; voor zover het hof daarmee het oog gehad heeft op de nieuwe echtgenote van de vader, is dat oordeel onjuist (zie het hiervoor in 3.4.3 en 3.5 overwogene).
Gelet daarop geven ook de daarop voortbouwende oordelen in rov. 3.3.5 en 3.3.6 - dat de schadevergoedingsplicht voor een vervangende huishoudelijke hulp als bedoeld in art. 6:108 eerst ontstaat indien binnen de normale gang van zaken niet kan worden voorzien in de behoefte daaraan, dat gesteld noch gebleken is dat na het overlijden van de moeder niet op gebruikelijke wijze in huishoudelijke taken is voorzien, en dat dit niet anders is indien de overblijvende ouder hertrouwt en een nieuw gezin sticht waarvan de kinderen uit het eerdere huwelijk deel uitmaken - hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn die oordelen onvoldoende gemotiveerd. Nu het hier gaat om een gezin waarin de vader na het overlijden van de moeder achterbleef met twee kinderen van 7 en 4 jaar, terwijl hijzelf in een fulltime dienstbetrekking werkzaam bleef (38 uur per week in ploegendienst), had het hof behoren te onderzoeken of en in hoeverre voor de kinderen - gelet op de omstandigheden tot aan hun meerderjarigheid, met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen - redelijkerwijs behoefte bestond aan vervangende hulp voor (bepaalde) huishoudelijke taken, naast hetgeen redelijkerwijs van de vader aan extra inspanningen kan worden gevergd.
De onderdelen 5 - 5.5 bevatten op het voorgaande gerichte klachten en zijn in zoverre gegrond. Voor zover die onderdelen, alsmede de onderdelen 4 - 4.3, echter een verdergaande, geheel abstracte vaststelling van de schade en behoefte van de kinderen bepleiten, falen zij.
LJN BC9365
Conclusie Langemeijer. Daaruit:
3.9. Het hof overweegt dat huishoudelijke taken normaal gesproken worden verricht door de gezinsleden gezamenlijk en dat zij elkaar daarin over en weer bijstaan. De consequentie is dat wanneer de inbreng van een gezinslid uitvalt, de andere gezinsleden diens taak in het huishouden overnemen. Hierin ligt een normatief oordeel besloten: niet alleen kunnen de vader en diens nieuwe echtgenote de taken van de overleden moeder overnemen, maar zij behoren dat ook te doen.

3.10. Deze redenering van het hof is op zich niet onbegrijpelijk: de vader is jegens zijn kinderen immers verplicht tot het verschaffen van levensonderhoud. Hetzelfde geldt voor een stiefmoeder ten opzichte van de kinderen waarmee zij samenwoont(22). Het hof lijkt echter uit het oog te hebben verloren dat hetgeen normaal en gebruikelijk is in de relatie tussen gezinsleden onderling, niet zonder meer doorwerkt in de rechtsverhouding tussen de benadeelden en de aansprakelijke partij of diens aansprakelijkheidsverzekeraar. Het bestreden oordeel staat op gespannen voet met HR 28 februari 1986, aangehaald in alinea 2.3 hiervoor. Waar de kinderen jegens hun vader en/of hun stiefmoeder aanspraak hebben op het verstrekken van levensonderhoud in de vorm van zorg, is sprake van een samenloop van die aanspraak met het recht op schadevergoeding dat zij jegens Achmea hebben. In het arrest van 28 februari 1986 is - voor de rechtsverhouding tussen de nabestaande en de voor het overlijden aansprakelijke persoon - beslist dat bij de vaststelling van de behoefte geen rekening wordt gehouden met het levensonderhoud dat door de nieuwe echtgenoot van de overblijvende ouder aan het kind wordt verstrekt. Ik werk dit nader uit.

3.11. Wanneer de weduwnaar van een ongevalsslachtoffer hertrouwt, mag - op grond van het arrest van 28 februari 1986 - van zijn nieuwe echtgenote niet worden gevergd dat zij een deel van haar inkomen inlevert (laat staan: dat zij uit werken gaat) om te voldoen aan de behoefte van de kinderen aan een financiële bijdrage in hun levensonderhoud, ter vervanging van de financiële bijdrage die de overleden moeder leverde: die schade behoort ten laste van de aansprakelijke partij of diens verzekeraar te blijven. Deze regel is m.i. niet anders, wanneer het gaat om de bijdrage in natura die de overleden ouder aan de huishouding leverde. Zo kan, bijvoorbeeld, niet worden gevergd dat de weduwnaar van een ongevalsslachtoffer, die na het overlijden ter vervanging een betaalde oppas/huishoudster in dienst heeft genomen om de kinderen te verzorgen, na zijn hertrouwen die oppas/huishoudster opzegt en de benodigde vervangende hulp voortaan door zijn nieuwe echtgenote laat verlenen. De verplichting van de aansprakelijke partij tot schadevergoeding gaat hier voor de gehoudenheid van de vader en diens nieuwe echtgenote om aan de kinderen levensonderhoud te verschaffen.

3.12. Een relativering van het voorgaande is echter mogelijk: het arrest van 28 februari 1986 had betrekking op daadwerkelijk gemaakte kosten. Mag van de inbreng van de vader en zijn nieuwe echtgenote in de huishouding ook nog worden geabstraheerd indien geen kosten voor vervangende huishoudelijke hulp zijn gemaakt noch zullen worden gemaakt? De vordering botst hier met het indemniteitsbeginsel, dat inhoudt dat de volledige schade wordt vergoed, maar nooit meer dan de werkelijk geleden schade. Indien schade wordt beschouwd als enkel vermogensschade, zou toewijzing van de vordering leiden tot een verrijking van de kinderen. Indien ook het immateriële nadeel in aanmerking wordt genomen - namelijk dat de vader en zijn nieuwe echtgenote zich extra inspanningen getroosten door taken te verrichten die zij niet hadden behoeven te doen indien de vader q.q. na het overlijden een professionele (betaalde) hulp in de huishouding had aangetrokken - is sprake van compensatie voor dat immateriële nadeel en is hoogstens de vraag wie ter zake een vordering kan instellen (waarover hieronder nader).

3.13. Het cassatiemiddel bepleit dat de redelijkheid hier als maatstaf dient: is eenmaal redelijk bevonden dat de benadeelde tot een bepaald bedrag vervangende (betaalde) huishoudelijke hulp inschakelt, dan zou de benadeelde zelf mogen weten of hij daadwerkelijk van betaalde hulpverleners gebruik maakt dan wel die taken gratis door gezinsleden laat doen en het bedrag in zijn portemonnee houdt. In de vakliteratuur is enigerlei redelijkheidsmaatstaf wel vaker voorgesteld(23).

3.14. Het pleidooi doorbreekt de regel van art. 6:95 BW, dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Wanneer geen kosten zijn gemaakt noch zullen worden gemaakt is er geen sprake van vermogensschade. In het arrest van 28 mei 1999 is deze omstandigheid echter geen beletsel geweest om een schadevergoeding toe te kennen.

3.15. Indien de benadering van HR 28 mei 1999 en HR 6 juni 2003 ook in deze zaak wordt gevolgd, leidt dit m.i. tot het volgende resultaat. Onderzocht moet worden of het inschakelen van betaalde hulp, ter vervanging van de weggevallen inbreng van de moeder in de huishouding, normaal en gebruikelijk is: dat volgt uit de zo-even genoemde arresten. Er zijn taken die ouders - normaal gesproken - niet overlaten aan een (betaalde) hulpverlener, zoals het bezoeken van hun gewonde kind in het ziekenhuis. Hetzelfde kan worden gezegd van de verzorging van de echtgenoot in de terminale fase van zijn ziekte. Bij de hieraan bestede tijd van gezinsleden staan de persoonlijke nabijheid en het bieden van troost en steun centraal: zoiets besteed je niet uit. Dit ligt anders bij huishoudelijke werkzaamheden waarvan wel normaal is dat zij door een betaalde kracht (niet-gezinslid) worden gedaan: oppassen, boodschappen doen, de was, stofzuigen en bedden opmaken, bereiden van de warme maaltijd enz. Slechts ten aanzien van dit laatste type werkzaamheden kan worden gezegd dat andere gezinsleden een taak op zich hebben genomen die eigenlijk had behoren te worden verricht door een betaalde hulpverlener voor rekening van degene die voor het dodelijke ongeval aansprakelijk is. Daarom komen alleen deze laatste werkzaamheden voor een abstract berekende vergoeding in aanmerking.

3.16. Het hof heeft zich m.i. vergist. Het hof heeft weliswaar als maatstaf vooropgesteld of de hulp in de huishouding `normaal en gebruikelijk' is, maar heeft - voor zover uit de motivering blijkt - niet gelet op de aard van de werkzaamheden. Het hof heeft kennelijk voor ogen gehad dat, als in de onderlinge verhouding normaal en gebruikelijk is dat gezinsleden voor elkaar inspringen, de hulp daarmee als `normaal en gebruikelijk' kan worden aangemerkt en reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. Daarmee heeft het hof aan het begrip `normaal en gebruikelijk' niet de betekenis gegeven welke de rechtspraak van de Hoge Raad daaraan toekent. In subonderdeel 4.3 wordt, terecht, hierover geklaagd.
LJN BC9365
Noot EJD; de "vergissing" van het Hof kwam men ook tegen in de conceptrichtlijn van het NPP.

Deze website maakt gebruik van cookies