Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof A.dam 260509 whiplash; Hof volgt rapportage uit 2007 over ongeval in 1997; geen beperkingen

REGRES loonschade

Hof A.dam 260509 whiplash; Hof volgt rapportage uit 2007 over ongeval in 1997; geen beperkingen; geen schade
3. De beoordeling in hoger beroep

3.1. Op 4 mei 1997 was A.P. [benadeelde] {verder: [benadeelde]) , geboren op 3 maart 1951, betrokken bij een verkeersongeval te Amsterdam (verder: het ongeval). De door [benadeelde] bestuurde auto werd door een andere auto, bestuurd door een (WAM-)verzekerde van London, van achteren aangereden. London heeft aansprakelijkheid voor de door het ongeval veroorzaakte schade erkend.

3.2. Ten tijde van het ongeval was [benadeelde] voor 33 uur per week als lerares in dienst van ROC. Met ingang van 8 september 1997 heeft [benadeelde] zich voor 50% ziek gemeld. Vanaf die datum is zij voor 50% in haar functie werkzaam geweest, dit tot 7 september 1998, per welke datum USZO haar heeft ingedeeld in arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35% en UWV haar een dienovereenkomstige WAO-uitkering heeft toegekend. Van 7 september 1998 tot 1 juli 2000 is [benadeelde] voor 70% van haar werktijd in haar functie werkzaam geweest. Per 1 juli 2000 is zij ontslagen en door ROC in dezelfde functie aangesteld, nu voor 22,86 uur per week.

3.3. Niet ter discussie staat dat ROC [benadeelde] van 8 september 1997 tot 1 juli 2000 het volledige loon heeft doorbetaald respectievelijk kennelijk - vanaf 7 september 1998 - op de WAO-uitkering tot het volledige loon heeft gesuppleerd noch dat UWV

[benadeelde] vanaf 7 september 1998 op de onder 3.2 genoemde basis WAO-uitkeringen heeft gedaan en daarmee nog steeds voortgaat. Voorshands (vgl, hierna, 3.5) gaat het hof er tevens van uit dat ABP üzozie vanaf 1 juli 2000 zogeheten bovenwettelijke uitkeringen doet, te weten een invaliditeitspensioen en een herplaatsingtoelage, en daarmee ook in de toekomst zal voortgaan.

3.4. Stellende dat hun in verband met al het voorgaande wettelijke verhaalsrechten toekomen en dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [benadeelde] een gevolg is van het ongeval ([benadeelde] zou als gevolg van het ongeval zogeheten post whiplash klachten en -beperkingen hebben), vorderden ROC c.s. in eerste aanleg - en vorderen zij thans - dat London wordt veroordeeld tot betaling van € 22.710,73 aan ROC, € 49.599,98 aan UWV (dit bedrag is inclusief een post ter grootte van € 417,69 wegens buitengerechtelijke kosten) en € 62.406,83 aan ABP, telkens met wettelijke rente.

3.5. Na wisseling van stukken heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 21 juli 2004 enkele weren van London verworpen (overwegingen 4.2 tot en met 4.5). Vooralsnog zal het hof van (de juistheid van) de desbetreffende oordelen van de rechtbank uitgaan. Mocht echter grief I doel treffen, dan zal het hof die weren alsnog (hebben te) bespreken. Hetzelfde geldt ten aanzien van het door de rechtbank bij het tussenvonnis van 11 mei 2005 verworpen verweer van London (overwegingen 1 en 2 van dat vonnis; zie ook overweging 4.1 van het vonnis van 21 juli 2004).

3.6. In het vonnis van 21 juli 2004 heeft de rechtbank voorts - door ROC c.s. niet aangevallen en overigens met juistheid -geoordeeld dat London bij regres tot niet meer kan worden veroordeeld dan tot het zogeheten civiele plafond, dat wil zeggen het bedrag tot betaling waarvan London ten opzichte van [benadeelde], de gedane uitkeringen en verstrekkingen weggedacht, maximaal gehouden zou zijn geweest.

3.7. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, in het vonnis van 21 juli 2004 verder als volgt overwogen:

"4.6. (...) Nu ROC c.s. zich ter onderbouwing van hun stellingen met betrekking tot de mate en de duur van de arbeidsongeschiktheid van [benadeelde] en het causaal verband met het ongeval uitsluitend beroepen op medische informatie van verzekeringsgeneeskundigen en arbeidsdeskundigen van de uitkerende instanties en London deze rapportages gemot iveerd heeft betwist, wenst de rechtbank een onafhankelijk deskundige te benoemen. Deze dient te onderzoeken of [benadeelde] na het ongeval tengevolge van whiplashklachten arbeidsongeschikt is geworden voor de onder l.b genoemde percentages (vgl. 4.2 van dit arrest; hof), alsmede of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en deze arbeidsongeschiktheid, dan wel of, zoals London stelt, vergelijkbare klachten zich ook zonder ongeval zouden hebben voorgedaan en of vergelijkbare klachten zich reeds voor het ongeval hebben voorgedaan. (...)".

Zij heeft vervolgens enkele aan de te benoemen deskundige (een neuroloog) te stellen vragen geformuleerd en de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over die vragen en de persoon van de deskundige.

3.8. Bij tussenvonnis van 11 mei 2005 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen ten aanzien van de in dat vonnis gestelde vragen en de neuroloog dr. H.L. Hamburger (verder: Hamburger) tot deskundige benoemd.

3.9. Hamburger heeft op 3 januari 2007 gerapporteerd. Kort gezegd luiden de conclusies van Hamburger dat [benadeelde] weliswaar als gevolg van het ongeval klachten heeft ten aanzien waarvan de diagnose "post whiplash syndroom" gerechtvaardigd is, maar dat zij tengevolge daarvan geen beperkingen ondervindt.

Hamburger schrijft onder meer en voor zover thans van belang:
(pagina 15) : "Vraag a:Welke zijn de klachten en beperkingen op uw vakgebied die het gevolg zijn van het ongeval waarbij üzozie was betrokken op 4 mei 1997?
Antwoord:
(...)
Het antwoord op deze vraag luidt samengevat:
1. Betrokkene vermeldt zelf wel beperkt te zijn bij het verrichten van zware huishoudelijke arbeid en het verrichten van andere werkzaamheden, waarbij snelle vermoeidheid zou optreden;
2. Bij het neurologisch onderzoek worden echter geen afwijkingen geconstateerd aan de halswervelkolom en er is ook geen sprake van bewegingsbeperking.
3. Op basis van deze gegevens kan daarom niet worden geconcludeerd dat hier sprake is van objectief vast te stellen beperkingen, welke kunnen worden toegeschreven aan het ongeval waarvan betrokkene op 4 mei 1997 het slachtoffer was. Betrokkene heeft wel klachten maar bij haar zijn geen beperkingen vastgesteld (...)".

3.10. Na voortgezet debat tussen partijen heeft de rechtbank bij het bestreden eindvonnis van 29 augustus 2007 - de bevindingen en conclusies van Hamburger overnemend en tot de hare makend - de vordering van ROC c.s. afgewezen op de grond dat moet worden aangenomen dat [benadeelde] geen beperkingen heeft tengevolge van het ongeval. Zij verwees ROC c.s. in de proceskosten, de kosten van de deskundige daaronder begrepen.

3.11. Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte - kort gezegd - op grond van het rapport van Hamburger heeft geoordeeld dat het ongeval nimmer tot enige (vorm van) beperkingen bij [benadeelde] heeft geleid.

3.12. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat ROC c.s. op pagina 4 van hun memorie van grieven - naar zij bij gelegenheid van de pleidooien desgevraagd hebben toegegeven - per abuis stellen dat het rapport van Hamburger is uitgebracht in het kader van door London te leveren tegenbewijs tegen de door de rechtbank voorshands bewezen geachte gezondheidsklachten en beperkingen van [benadeelde]: de rechtbank heeft een dergelijk oordeel immers niet in het vonnis van 21 juli 2004 neergelegd. De bewijslast te dezen rust dan ook - naar de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - op ROC c.s.

3.13. In het navolgende zal het hof de door ROC c.s. aangevoerde bezwaren tegen het rapport van Hamburger - en daarmee tegen de beslissing van de rechtbank dat over te nemen - de revue laten passeren.

3.14. ROC c.s. betogen dat onduidelijk is of en hoe Hamburger de nekmobiliteit van [benadeelde] heeft beoordeeld. Volgens hen - zij baseren zich in dit verband op de als productie 2 bij memorie van grieven gevoegde reactie op het rapport van Hamburger van de huisarts dr. C.J. Vos van 18 november 2007 - had Hamburger moeten aangeven hoe hi j tot zijn conclus ie op di t punt {ongestoorde nekmobiliteit/geen afwijkingen aan de halswervelkolom en geen bewegingsbeperking) is gekomen; Hamburger had een CROM (Cervical Range of Motion)-meetinstrument moeten gebruiken.

3.15. Het hof verwerpt dit betoog. Uit zijn rapport (pagina 12) blijkt genoegzaam dat Hamburger de wervelkolom van [benadeelde] zelf heeft onderzocht. Hij heeft daarbij het volgende vastgesteld:
"De stand van de wervelkolom is geheel normaal. Beweeglijkheid van de halswervelkolom is bij flexie en extensie beide mogelijk tot 60°, rotatie in beide richtingen 75°, lateroflexie beiderzijds 35°. Daarbij normotonie van de nekspieren. Bij beweging en ook palpatie wordt geen pijn aangegeven."
Op welke wijze hij precies tot deze bevindingen is gekomen hoefde Hamburger niet aan te geven. Waar het om gaat is dat hij voldoende duidelijk uit de doeken heeft gedaan dat hij lichamelijk onderzoek bij [benadeelde] heeft verricht en wat hij daarbij heeft vastgesteld. Het enkele feit dat volgens - de eenzijdig door ROC c.s. ingeschakelde - Vos de door deze genoemde meetmethode nauwkeurig is impliceert geenszins dat de bevindingen van Hamburger onjuist en/of onnauwkeurig zijn. Bovendien stroken de desbetreffende constateringen van Hamburger - zoals London terecht opmerkt {memorie van antwoord, sub 13) - met die van de keuringsartsen in de als productie 1 in eerste aanleg door ROC c.s. overgelegde rapporten, waar deze inhouden:
(rapport van 29 september 1998, sub 3.2)
"CWK: geen bewegingsbeperking bij flexie, extensie of rotatie. (...)" en {rapport van 29 november 1999)"Lich. Onderzoek: functie nek: ongestoord. (...)".

3.16. Verder klagen ROC c.s. erover dat in het rapport van Hamburger ten onrechte het onderzoeksmoment doorslaggevend is, waardoor ten onrechte de indruk is gewekt dat bij [benadeelde] nimmer enige beperking is geweest in de beroepsuitoefening.

3.17. Aan ROC c.s. kan worden toegegeven dat uit het feit dat ten tijde van het door Hamburger uitgevoerde onderzoek geen beperkingen aanwezig waren op zichzelf niet volgt dat er tevoren nimmer beperkingen zijn geweest. Dit kan ROC c.s. echter niet baten. Immers, uit niets blijkt dat de keuringsartsen die [benadeelde] in het kader van de sociale verzekeringswetgeving hebben onderzocht neurologische beperkingen hebben vastgesteld, en daarover heeft Hamburger het als neuroloog. Enig aanknopingspunt dat dergelijke beperkingen vóór het onderzoek door Hamburger (wel) bestonden hebben ROC c.s. niet verschaft. Integendeel, het rapport van de keuringsarts van 29 november 1999 vermeldt: "Huidige beeld past eerder bij spanningsklachten dan bij een post whiplash beeld".

Zeker nu Hamburger in zijn rapport {bij de beantwoording van de vragen e en f) voor een aanzienlijk deel van de klachten van [benadeelde] gemotiveerd andere oorzaken dan het ongeval denkbaar acht, hebben ROC c.s. onvoldoende feitelijk onderbouwd - laat staan aannemelijk gemaakt - dat de neurologische beperkingen van [benadeelde], voor zover die er vóór het onderzoek door Hamburger zijn geweest, door het ongeval zijn veroorzaakt. Ten slotte kan enig causaal verband tussen de door de keuringsartsen aanwezig geachte niet-neurologische beperkingen van [benadeelde] en het ongeval zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden gelegd. Meer algemeen wordt opgemerkt dat - anders dan ROC c.s. menen - aan de rapporten van de keuringsartsen niet of nauwelijks waarde kan worden toegekend in het kader van de thans aan de orde zijnde vraag of [benadeelde] beperkingen ondervindt als gevolg van het ongeval. Die rapporten zien daarop immers niet. Mitsdien kan niet worden gezegd dat Hamburger in welke visie dan ook "alleen staat" en dat alle andere medische gegevens het gelijk van ROC c.s. schragen.

3.18. ROC c.s. herhalen hun bij hun conclusie na deskundigen-bericht geuite klacht dat Hamburger niet is ingegaan op een aantal door hen - onder verwijzing naar de brief van 20 november 2006 van hun medisch adviseur, de arts M.Th.L.W. Boersma -gemaakte opmerkingen en gedane verzoeken.

3.19. Voor zover ROC c.s. met deze stelling betogen dat aldus aan de wijze van totstandkoming van het rapport van Hamburger gebreken kleven, volstaat het hof met instemmend te verwijzen naar wat de rechtbank in overweging 2.5 van het bestreden vonnis op dit punt heeft overwogen, waartegen ROC c.s. in hoger beroep niets hebben aangevoerd. Voor zover ROC c.s. met deze stelling beogen inhoudelijk kritiek op het rapport van Hamburger te leveren, geldt dat in dit verband de enkele verwijzing in hoger beroep naar de genoemde brief als onvoldoende concreet moet worden aangemerkt.

3.20. Het enkele feit dat de genoemde medisch adviseur van ROC c.s. nader onderzoek door een specialist op een ander vakgebied (dan de neurologie) wenselijk acht, geeft het hof geen aanleiding thans een dergelijk onderzoek te gelasten. Daar komt bij dat ROC c.s. bij gelegenheid van het pleidooi te kennen hebben gegeven dat in redelijkheid van [benadeelde] niet meer gevergd kan worden weer nieuwe onderzoeken te ondergaan (pleitnota, pagina 12, eerste alinea), waaruit het hof afleidt dat ROC c.s. geen verdere onderzoeken van [benadeelde] wensen.

3.21. Niet relevant is of - zoals ROC c.s. stellen - Hamburger in zijn rapport (pagina 17) ten onrechte vermeldt dat [benadeelde] niet voldoet aan voorwaarde 5 voor het aannemen van functieverlies, van de Richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Neurologen van 2001 (verder: de Richtlijnen), te weten:
"De pijnklachten moeten aanleiding hebben gegeven tot het zoeken van medische hulp en over een periode van minstens een jaar in aansluiting aan het medisch trauma medisch gedocumenteerd en geheel of grotendeels onafgebroken aanwezig zijn geweest".

Immers, als ROC c.s. op dit punt feitelijk gelijk hebben, dan baat hun dat niet. Hamburger heeft zijn conclusie dat er bij [benadeelde] geen beperkingen zijn immers gebaseerd op zijn bevindingen dat aan haar halswervelkolom geen afwijkingen worden geconstateerd en er ook geen sprake is van bewegingsbeperking (beantwoording van vraag a als onder 3.9 geciteerd). Het enkele feit, indien juist, dat [benadeelde] kort na het ongeval huisarts en fysiotherapeut heeft bezocht en ook daarna gedurende minstens een jaar medische hulp heeft gezocht, betekent niet dat er bij haar toen (neurologische) beperkingen zijn geweest.

3.22. Onjuist is, voorts, de stelling van ROC c.s. dat Hamburger een psychiater had moeten inschakelen vanwege het feit dat er volgens hem geen concordantie bestond tussen pijnbeleving en pijngedrag bij [benadeelde] (voorwaarde 6 van de Richtlijnen). De Richtlijnen (onder B, laatste alinea) houden immers niet meer in dan dat in dat geval "een psychiatrische beoordeling (dient) te worden overwogen". Uit zijn negatieve beantwoording van vraag h - "Acht u ook rapportage door een andere deskundige aangewezen {...)" - volgt dat Hamburger een psychiatrisch onderzoek niet nodig achtte. Overigens wensen ROC c.s., als onder 3.20 gezegd, geen nader onderzoek van [benadeelde], zodat tot het alsnog gelasten van nader (psychiatrisch) onderzoek reeds daarom geen aanleiding bestaat.

3.23. Ten slotte miskennen ROC c.s. met wat zij in hun pleitnota te berde brengen over de relevantie van pre-existente klachten en predisposities, dat, vooraleer toerekening van schade aan de orde is, moet vaststaan dat er beperkingen zijn die door het ongeval zijn veroorzaakt (in de zin van conditio sine qua non-verband) . Volgens het rapport van Hamburger is dat niet het geval en ROC c.s. hebben het tegendeel aangetoond noch aannemelijk gemaakt. Hetzelfde geldt mitsdien ten aanzien van de stelling van ROC c.s. dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [benadeelde] door het ongeval is veroorzaakt.

3.24. Tegen de achtergrond van al het voorgaande hebben ROC c.s. onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot andere conclusies dan hiervoor zijn getrokken. Hun bewijsaanbod wordt dan ook reeds op die grond verworpen.

3.25. De slotsom is dat de grief faalt. Bij die stand van zaken hoeft het hof niet nader in te gaan op zijn onder 3.3 en 3.5 weergegeven voorlopige uitgangspunten. Piv-site

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies