Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof A.dam 290408 (kg) onvoldoende grond voor nadere voorschotten

Hof A.dam 290408 (kg) onvoldoende grond voor nadere voorschotten
5.1  Op 24 november 2006 is [geïntimeerde] als bestuurder van een personenauto (een Kia Sorento) betrokken geweest bij een kop-staartbotsing. Daarbij is de auto van [geïntimeerde], die stil stond, van achteren aangereden door een personenauto (een Toyota Corolla) die bestuurd werd door een verzekerde van Fortis. Op en na die datum hebben zich bij [geïntimeerde] lichamelijke klachten ontwikkeld, zoals nekpijn, hoofdpijn en klachten van het gezichtsvermogen.

5.2  In deze procedure gaat het om de vraag of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de hiervoor omschreven - door Fortis niet bestreden - klachten van [geïntimeerde]. De rechtbank heeft deze vraag in het bestreden vonnis bevestigend beantwoord en Fortis veroordeeld aan [geïntimeerde] als voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 25.000,- te betalen. Voorts heeft de rechtbank Fortis, met inachtneming van het Liquidatietarief rechtbanken en hoven, in de proceskosten veroordeeld.

In het incidenteel appel

5.3  De door [geïntimeerde] aan zijn pleitnotities gehechte producties bevatten een onderbouwing met betrekking tot de door hem gevorderde - door Fortis betwiste - (volledige) proceskosten en buitengerechtelijke kosten. Gelet op de aard en omvang van die stukken en gelet op het feit dat het hier een kort geding procedure betreft, verwerpt het hof het bezwaar van Fortis tegen de overlegging van deze stukken.

5.4  [geïntimeerde] heeft geen incidenteel beroep ingesteld tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis van de door hem gevorderde kosten van een door hem in te schakelen arbeidsdeskundige en tegen de afwijzing van de voorzieningenrechter om Fortis te veroordelen aan hem een deugdelijke fiscale garantie te verstrekken.

In het principaal en in het incidenteel appel

5.5  Het hof stelt voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Daarbij zal de rechter niet alleen dienen te onderzoeken of de vordering van eiser voldoende aannemelijk is, maar ook - kort gezegd - of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van partijen mede (als een van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken. Voorts is in hoger beroep niet beslissend of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang aanwezig is geacht, maar gaat het erom of ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bestaat.

In het incidenteel appel

5.6  [geïntimeerde] heeft, evenals in eerste aanleg, ook in hoger beroep voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen, aangezien vast staat dat hij sedert het ongeval geen, althans nauwelijks enige inkomsten uit zijn onderneming heeft verworven teneinde in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

In het principaal en in het incidenteel appel

5.7  Tussen partijen is - naar het oordeel van het hof terecht - niet in geschil dat [geïntimeerde] dient te bewijzen dat de door hem gestelde klachten een gevolg zijn van het ongeval.

5.8  Fortis heeft het bureau Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) te Vlijmen gevraagd te onderzoeken welke snelheidsverandering (delta v) [geïntimeerde] als bestuurder van zijn Kia Sorento als gevolg van de kop/staartaanrijding op 24 november 2006 heeft ondergaan. Namens OAN heeft Ing. B. Wartenbergh hieromtrent op 28 maart 2007 gerapporteerd, waarbij hij het volgende heeft geconcludeerd:
“a) De Kia heeft als gevolg van de onderhavige aanrijding ter hoogte van de zitpositie van de heer [geïntimeerde] een resulterende snelheidsverandering (delta v) van 4,3 tot 6,9 km/uur ondergaan. De gemiddelde voertuigversnelling heeft daarbij 1,0 tot 1,9 g bedragen.
b) Bij een eventuele beoordeling van de uitwerking van belasting zoals die op de heer [geïntimeerde] heeft ingewerkt dient mijns inziens rekening te worden gehouden met onzekerheden met betrekking tot zijn zithouding.”

5.9  Fortis heeft allereerst - gemotiveerd - bij wijze van verweer aangevoerd dat de door OAN vastgestelde - lage - delta v onvoldoende aanknopingspunt biedt voor het door [geïntimeerde] gestelde causaal verband tussen het ongeval en zijn klachten. [geïntimeerde] heeft de inhoud van het rapport van OAN gemotiveerd bestreden. Die enkele bestrijding is echter onvoldoende om aan te nemen dat er wel verband bestaat tussen het ongeval en de klachten van [geïntimeerde]. Het hof acht daarbij van belang dat [geïntimeerde] zelf geen op zijn situatie toegespitst deskundigenrapport heeft overgelegd, dat enige onderbouwing voor zijn stellingen kan bieden. De aard van de voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een diepgaand onderzoek naar alle (relevante) feiten en omstandigheden en evenmin voor bewijslevering. Gelet hierop passeert het hof het door [geïntimeerde] aangeboden bewijs. Het hof laat uitdrukkelijk in het midden of, zoals Fortis heeft aangevoerd en [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist, voor het aannemen van causaal verband tussen ongeval en klachten een “minimum” delta v is vereist.

5.10  Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, is het hof, met Fortis, van oordeel dat het enkele feit dat na het ongeval de omzet binnen de onderneming van [geïntimeerde] is gedaald, geen aanwijzing vormt dat de klachten van [geïntimeerde] door het ongeval zijn veroorzaakt. Niet uitgesloten is immers dat andere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de situatie op de markt waarin [geïntimeerde] werkzaam is, hieraan debet zijn. Voorts blijkt uit het op verzoek van [geïntimeerde] opgestelde rapport van het Nederlands Rekencentrum Letselschade van 19 februari 2008 dat ook in de jaren vóór het ongeval niet steeds sprake was van een bestendige lijn van de omzet binnen de onderneming van [geïntimeerde].

5.11  Uit het in rechtsoverweging 4.2 vermelde rapport van de deskundige blijkt dat de na het ongeval (op 27 november 2006) vervaardigde röntgenopnamen van de cervicale wervelkolom geen traumatische afwijkingen hebben aangetoond. Voorts heeft de deskundige zelf bij oriënterend intern en uitgebreid neurologisch onderzoek geen ongevalgerelateerde afwijkingen waargenomen. Gelet hierop heeft de deskundige als diagnose op zijn vakgebied - het hof verwijst naar het antwoord op vraag E - een “status na accelaratietrauma over de cervicale wervelkolom, waarbij er thans geen criteria meer bestaan voor een zich eventueel nadien ontwikkeld hebbend postwhiplash syndroom van de cervicale wervelkolom of voor een ongeval-gerelateerd ziektebeeld anderszins”, vastgesteld. Het hof is van oordeel dat op grond van deze diagnose vooralsnog niet kan worden aangenomen dat (een deel van) de klachten van [geïntimeerde] als een gevolg van het ongeval moet(en) worden beschouwd.

5.12  Anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, kan uit het antwoord van de deskundige op vraag D (zie hiertoe de uitspraak EJD) evenmin het door [geïntimeerde] gestelde causaal verband worden afgeleid. De deskundige heeft in zijn antwoord op deze vraag allereerst duidelijk aangegeven dat hij met het door hem verrichte neurologisch onderzoek geen relevante afwijkingen heeft waargenomen. Vervolgens heeft hij bij het antwoord op deze vraag een opsomming gegeven van de klachten die [geïntimeerde] (cursivering door het hof) hem heeft meegedeeld en ten aanzien waarvan [geïntimeerde] heeft aangegeven dat deze, met uitsluiting van andere factoren, als een uitsluitend en rechtstreeks gevolg van het ongeval kunnen worden beschouwd. Van belang is voorts dat de deskundige aan het slot van zijn antwoord op vraag D concludeert dat bij (uitgebreid) onderzoek geen ongevalgerelateerde afwijkingen zijn waargenomen. In zijn begeleidende brief van 27 februari 2008 aan de rechtbank heeft de deskundige herhaald “dat de klachten in de ogen van [geïntimeerde] als ongevalgerelateerd moeten worden beschouwd”. De deskundige heeft daaraan toegevoegd dat hij, hoewel hij deze klachten vanuit een neurologische optiek niet kan begrijpen, deze evenmin kan duiden als klachten als gevolg van pre-existente ziekten en/of afwijkingen.

5.13  Voor het in rechtsoverweging 5.11 en 5.12 vermelde oordeel van het hof is niet van belang dat de “Nederlandse richtlijnen voor de bepaling van functieverlies bij neurologische aandoeningen” van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie met ingang van november 2007 zijn gewijzigd. De deskundige heeft, naar aanleiding van een vraag van mr. Hovinga met betrekking tot de door de deskundige op basis van de “nieuwe” richtlijnen opgestelde conceptrapportage, in zijn brief van 27 februari 2008 aan de rechtbank aangegeven dat hij, ook indien hij zou zijn uitgegaan van de vóór november 2007 geldende richtlijnen, niet tot een andere conclusie zou zijn gekomen.

5.14  De deskundige heeft in zijn rapport aangegeven - het hof verwijst naar het antwoord op vraag H - het wenselijk te achten, gelet op de “door hem onbegrepen visusklachten”, die “volgens zeggen van [geïntimeerde] zijn opgetreden na het ongeval”, een aanvullend onderzoek te laten verrichten door een oogarts om te bezien of deze klachten wellicht als ongevalgerelateerde afwijkingen [geïntimeerde] beperken in zijn functioneren. Met een dergelijk onderzoek zou volgens de deskundige mogelijk ook een verklaring kunnen worden gevonden voor de hoofdpijn(klachten) van [geïntimeerde].

5.15  Partijen hebben ter gelegenheid van de pleidooien verklaard dat zij overeenstemming hebben bereikt omtrent (de naam van) een door een oogarts te verrichten deskundigenonderzoek. Het hof kan op de eventuele uitkomsten van dit onderzoek niet vooruitlopen. Aangezien Fortis voorts gemotiveerd heeft betwist dat de klachten van het gezichtsvermogen en de eventuele daarmee samenhangende hoofdpijnklachten van [geïntimeerde] een gevolg zijn van het ongeval, kan ten aanzien van deze klachten thans evenmin worden aangenomen dat deze ongevalgerelateerd zijn.

5.16  Het voorgaande brengt mee dat, vanwege het ontbreken van het vereiste causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [geïntimeerde], geen grond bestaat tot het toekennen van (verdere) voorschotbetalingen aan [geïntimeerde].

5.17  Uit [geïntimeerde]’s eigen stellingen (bladzijde 23 memorie van antwoord in het principaal appel, memorie van grieven in het incidenteel appel) blijkt dat hij sinds 23 april 2007 geen enkele omzet meer uit zijn onderneming heeft verworven, terwijl een aantal vaste lasten, zoals huurtermijnen, zijn blijven doorlopen. [geïntimeerde] heeft niet de stelling van Fortis betwist dat de kans groot is dat hij niet in staat zal zijn de door Fortis aan hem betaalde - in omvang aanzienlijke - voorschotten terug te betalen. Voorts is niet uitgesloten dat de bodemrechter bij de bepaling van een eventuele toe te kennen schadevergoeding een andere berekeningswijze zal hanteren dan de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis. Ook deze omstandigheden dragen bij aan het oordeel van het hof om geen verdere voorschotten aan [geïntimeerde] toe te kennen.

5.18  Met betrekking tot de door Fortis gevorderde terugbetaling van de door haar aan [geïntimeerde] uitgekeerde voorschotten overweegt het hof het volgende. Het rapport van de deskundige dateert van 27 februari 2008. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, zijn in dit rapport geen, althans onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het door [geïntimeerde] gestelde causaal verband tussen het ongeval en (een deel van) zijn klachten. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde], behalve een blind rechteroog, vóór het ongeval klachten van het gezichtsvermogen had. Niet uitgesloten is dat de na het ongeval bij [geïntimeerde] opgetreden visusklachten en eventuele daarmee samenhangende hoofdpijnklachten een gevolg zijn van het ongeval. Hieromtrent zal de door partijen in te schakelen oogarts uitsluitsel moeten geven. Voorts heeft de medisch adviseur van Fortis in zijn advies van 23 april 2007 vermeld “dat slechts een kortdurende tijdelijke periode van klachten aan het ongeval arbitrair zou kunnen worden toegeschreven.” Het had op de weg van Fortis gelegen nader toe te lichten welke periode haar daarbij voor ogen stond. Dat heeft Fortis nagelaten, zodat voorshands moet worden aangenomen dat de onzekerheid hieromtrent - die pas werd weggenomen door het verschijnen van het rapport van de deskundige - aan Fortis moet worden tegengeworpen als zijnde een onvoldoende onderbouwde betwisting van het causaal verband over die periode. Gelet hierop en voorts gelet op de moeilijke financiële situatie waarin [geïntimeerde] inmiddels is komen te verkeren, acht het hof geen - redelijke - gronden aanwezig om thans - in kort geding - [geïntimeerde] tot volledige terugbetaling van de aan hem verstrekte voorschotten te veroordelen, noch tot een gedeelte daarvan. Hetgeen hiervoor is overwogen geldt ook voor de door Fortis gevorderde terugbetaling van de buitengerechtelijke kosten, die in het door de rechtbank toegewezen voorschotbedrag van € 25.000,- zijn begrepen. Het hof acht aannemelijk dat [geïntimeerde] op dit punt (enige) kosten heeft moeten maken.

5.19  Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven I, II en III in het principaal appel, zij het dat dit, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.18 is overwogen, niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. Grief V in het principaal appel faalt. Grief IV in het principaal appel behoeft niet meer te worden besproken. Grief A in het incidenteel appel faalt. Het hof heeft hiervoor in rechtsoverweging 5.18 overwogen dat Fortis niet nader heeft toegelicht gedurende welke periode de klachten van [geïntimeerde] wel als een gevolg van het ongeval kunnen worden beschouwd. Mede gelet hierop kan het hof zich verenigen met de door de voorzieningenrechter uitgesproken proceskostenveroordeling in eerste aanleg en de daaraan ten grondslag liggende motivering en ziet het geen aanleiding in hoger beroep anders te oordelen. In zoverre faalt grief B in het incidenteel appel.

5.20  De slotsom is dat het hof in het principaal appel het bestreden vonnis, met verbetering van de gronden, zal bekrachtigen. Het beroep in het incidenteel appel zal worden verworpen. [geïntimeerde] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel en als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel appel te worden veroordeeld. LJN BF7503

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies