Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb R.dam 070710 auto botst bij zeer slecht weer achterop onverlichte snorfiets; auto aansprakelijk voor volledige schade, ook al omdat niet vastgesteld kan worden of eiser bestuurder of opzittende van de snorfiets was

Rb R.dam 070710 auto botst bij zeer slecht weer achterop onverlichte snorfiets; auto aansprakelijk voor volledige schade

, ook al omdat niet vastgesteld kan worden of eiser bestuurder of opzittende van de snorfiets was

2.1.  Op 7 december 2006, omstreeks 19:29 uur, heeft op de Kanaaldijk Oost te Bernisse (Zuid-Holland), ter hoogte van perceel 11 een verkeersongeval plaatsgevonden (hierna: het ongeval).

2.2.  [eiser], geboren op 29 april 1989, was bij het ongeval betrokken als opzittende en/of bestuurder van een snorfiets, merk/type Gilera Citta. [gedaagde] was bij het ongeval betrokken als bestuurder van een personenauto, merk/type Peugeot 205.

2.3.  Bij het ongeval was voorts betrokken de heer [X] (hierna: [X]), eveneens als opzittende en/of bestuurder van voornoemde snorfiets.

2.4.  Het ongeval heeft buiten de bebouwde kom plaatsgevonden. Ter plaatse gold voor de snorfiets een toegestane maximumsnelheid van 25 km/h. Voor de personenauto gold een toegestane maximumsnelheid van 80 km/h en een adviessnelheid van 60 km/h.

2.5.  Het was donker op het moment dat het ongeval plaatsvond. Ter plaatse was geen wegverlichting aanwezig. Het regende licht en er was sprake van een harde wind uit het zuidwesten met windstoten. [X] en [eiser] reden op de snorfiets op de Kanaaldijk Oost. Ze kwamen uit de richting van Spijkenisse en zij reden in de richting van Hellevoetsluis. Ter hoogte van perceel 11 botste de personenauto achterop de snorfiets.

2.6.  Als gevolg van het ongeval kwam [X] om het leven en raakte [eiser] zeer zwaar gewond. [eiser] heeft onder meer ernstig hersenletsel opgelopen. [eiser] heeft daardoor geen verklaring over de toedracht van het ongeval kunnen afleggen.

2.7.  De politie is na het ongeval ter plaatse geweest en heeft proces-verbaal opgemaakt. [gedaagde] heeft volgens dat proces-verbaal op 7 december 2006 de volgende verklaring afgelegd:

"Ik weet dat ik niet tot antwoorden verplicht ben, maar ik wil het volgende verklaren.

Op donderdag 07/12/06 omstreeks 19:30 uur reed ik in mijn auto, een rode Peugeot 205, voorzien van het kenteken [kenteken] over de Kanaaldijk OZ te Heenvliet. Ik kwam vanuit de richting Heenvliet en ik reed in de richting van Hellevoetsluis.

Ter hoogte van nr 11 hoorde ik aan de voorzijde van mijn auto een harde knal en voelde ik dat ik ergens tegen aan was gereden. Ik had geen idee waar ik tegenaan gereden was, want ik had niets gezien.
Ik hoorde het breken van glas en ik dacht dat dit mijn voorruit was. Ik ben gestopt en uitgestapt. Ik hoorde vervolgens de motor van een bromfiets. Ik ben naar het geluid gelopen en ik zag in de berm, ongeveer 1,5 meter van de weg een man en een brommer liggen. Ik zag dat de man geen helm droeg. Ik hoorde de man gorgellen. Ik heb de man aangesproken, maar hij reageerde niet.
Ik heb gelijk 112 gebeld en ik ben naar nr 11 gelopen om dekens te halen.

Ik heb de man en de brommer helemaal niet gezien. Geen verlichting en ook geen reflector. Ik weet niet of hij daar heeft gereden, heeft gelopen of heeft gestaan.

Ik heb mijn auto nog ongeveer 7 meter, recht achteruit gereden, om nabij de brommer te staan, ter beveiliging.

Het was erg donker en slecht weer.

Ik heb geen alcohol gedronken en ik had mijn gordel om."

(....)

4.  De beoordeling
4.1.  [eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatige daad. [eiser] stelt daartoe - kort weergegeven - het volgende. [gedaagde] heeft onoplettend gereden. Hij heeft zijn rijgedrag onvoldoende aangepast aan de omstandigheden op het moment van het ongeval. Voor zover er sprake is van fouten aan de zijde van [eiser] zijn de over en weer gemaakte fouten en andere omstandigheden, zoals de ernst van het letsel, dusdanig, dat op grond van de redelijkheid en billijkheid de volledige schade door [gedaagde] moet worden vergoed.

4.2.  [gedaagde] voert aan dat de combinatie van enige verwijtbaarheid aan zijn zijde, de eigen schuld van [eiser] alsmede een billijkheidscorrectie leidt tot een vergoedingsplicht aan zijn zijde die rond de 50% ligt. Verder voert de [gedaagde] aan dat ASR reeds begin 2009, uit verdergaande billijkheid en teneinde haar goede wil te tonen in deze tragische zaak, heeft aangeboden om 75% van de schade van [eiser] te vergoeden. [gedaagde] voert aan dat ASR bij dat aanbod en standpunt blijft.

4.3.  Dat [gedaagde] uit onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens [eiser] is, gelet op de erkenning van [gedaagde] dat er sprake is van enige verwijtbaarheid aan zijn zijde, tussen partijen in confesso. In praktische zin is het geschil tussen van Mechelen en [gedaagde] beperkt tot de vraag of [gedaagde] (dat wil zeggen: diens WAM-verzekeraar ASR) meer dan 75 % van de schade van [eiser] dient te vergoeden.

4.4.  Nu vast staat dat er sprake is van een onrechtmatige daad en tevens vast staat dat minimaal 75% van de schade door ASR zal worden vergoed, ziet de rechtbank, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, geen aanleiding om in te gaan op het tussen partijen gevoerde debat omtrent de vraag of in het geval van een aanrijding tussen een personenauto en een snorfiets de schade van een opzittende van de snorfiets dient te worden afgewikkeld op de voet van (analoog aan) artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW).

4.5.  Artikel 6:101 Burgerlijke Wetboek BW bepaalt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

4.6.  [gedaagde] heeft - samengevat - het volgende gesteld over in zijn visie aan [eiser] toerekenbare omstandigheden waarvan de schade mede een gevolg is (conclusie van antwoord onder 59 tot en met 65; conclusie van dupliek onder 24 tot en met 38). Op de snorfiets werd geen achterlicht gevoerd. Daarmee werd gehandeld in strijd met artikel 32 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990). De kans op het ongeval is daarmee aanzienlijk vergroot, temeer nu [X] en [eiser] bij regenachtig weer buiten de bebouwde kom in het donker op een onverlichte weg in donkere kleding reden, terwijl de snorfiets aan de achterzijde evenmin was voorzien van reflecterende of lichte delen. Zowel [X] als [eiser] wisten dat de verlichting van de snorfiets niet werkte. De omstandigheid dat niet meer kan worden vastgesteld wie de bestuurder en wie de bijrijder van de snorfiets was, is voor het beroep op "eigen schuld" aan de zijde van [eiser] niet relevant.

4.7.  De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. AON heeft gerapporteerd dat uit de reconstructie duidelijk is gebleken dat de snorfiets veel eerder (en beter) zichtbaar zou zijn geweest voor [gedaagde] indien het achterlicht zou hebben gefunctioneerd. De rechtbank is dan ook - met [gedaagde] - van oordeel dat schade mede een gevolg is van de omstandigheid dat het achterlicht niet functioneerde. De relevantie van het niet functionerende achterlicht dient evenwel in zoverre te worden genuanceerd dat AON op grond van de reconstructie - die op gezamenlijk verzoek van de belangenbehartigers van partijen heeft plaatsgevonden - niettemin heeft geconcludeerd dat onder de gegeven omstandigheden, derhalve in aanmerking nemende dat het achterlicht van de snorfiets niet functionerende, [gedaagde] in staat moet zijn geweest om een aanrijding te voorkomen door middel van een noodstop of door middel van een uitwijkmanoeuvre. Naar het oordeel van de deskundige, die daarnaar op basis van een gezamenlijke opdracht van de belangenbehartigers van partijen onderzoek heeft gedaan, was de snorfiets onder de omstandigheden zoals deze ten tijde van het ongeval golden op een afstand van 50 meter als dusdanig voor [gedaagde] herkenbaar.

4.8.  Het niet functioneren van het achterlicht van de snorfiets kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, mede verklaren dat het ongeval heeft plaatsgevonden, maar dit feit brengt niet mee dat [gedaagde] geen verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen. Uit de reconstructie blijkt dat [gedaagde] onvoldoende oplettend moet zijn geweest. Immers, niet alleen heeft [gedaagde] de snorfiets met twee opzittenden niet zo tijdig - op een afstand van 40 tot 50 m - waargenomen dat hij een ongeval nog kon voorkomen, maar hij heeft de snorfiets met opzittenden volgens zijn verklaringen in het geheel niet waargenomen, zelfs niet op het moment waarop hij er met de rechtervoorzijde van zijn personenauto aan de achterzijde tegenaan reed. Uit de weersomstandigheden kan dit niet worden verklaard. Volgens de verklaring van [gedaagde] motregende het toen hij na het ongeval uit de auto stapte. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat er aan de zijde van [gedaagde] sprake moet zijn geweest van een ernstige mate van onoplettendheid, derhalve van een ernstige fout in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW. Voor zover het uitzicht van [gedaagde] naar rechtsvoor werd beperkt doordat aan de binnenspiegel van de door hem bestuurde personenauto een pluche beest was bevestigd van ongeveer 11 centimeter breed en ongeveer 16 centimeter hoog (proces-verbaal Verkeerspolitie Technische- en Ongevallendienst pagina 5 onder 5.6) vermindert dat uiteraard niet de ernst van de fout van [gedaagde].

4.9.  De thans eerst te beantwoorden rechtsvraag is echter of de omstandigheid dat aan het verkeer werd deelgenomen met een snorfiets waarvan het achterlicht niet functioneerde aan [eiser] kan worden toegerekend. Immers, in dat geval dient de vergoedingsplicht te worden verminderd door de schade over hem en [gedaagde] (ASR) te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

4.10.  Indien [eiser] bestuurder was van de snorfiets zou de verkeersfout - het deelnemen aan het verkeer met een snorfiets zonder functionerend achterlicht - uiteraard aan hem kunnen worden toegerekend. [gedaagde] heeft echter erkend dat in rechte niet kan worden vastgesteld dat [eiser] bestuurder van de snorfiets was (conclusie van dupliek onder 29). Aan het opdragen van bewijslevering op dit punt komt de rechtbank derhalve niet toe. Dat brengt mee dat dient te worden beoordeeld of de verkeersfout op enigerlei wijze (ook) aan de bijrijder kan worden toegerekend.

4.11.  Indien [eiser] als bijrijder op de snorfiets is gestapt in de wetenschap dat het achterlicht niet functioneerde dan zou hem daarvan naar het oordeel van de rechtbank een verwijt kunnen worden gemaakt. Weliswaar kan een verkeersfout van de bestuurder niet zonder meer aan de bijrijder worden toegerekend, maar aan [eiser] zou als bijrijder eventueel wel kunnen worden toegerekend dat hij zich in de gegeven omstandigheden had behoren te realiseren dat aan het deelnemen aan het verkeer met een snorfiets met een niet functionerend achterlicht het risico van slechte zichtbaarheid voor van de achterzijde naderend sneller verkeer was verbonden, en daarmee het risico van een hem te overkomen ongeval. Zulks met name gelet op de overige omstandigheden. Immers, het was donker, het was regenachtig weer, [X] en [eiser] droegen beiden donkere kleding, er werd buiten de bebouwde kom over een onverlichte weg gereden en niet alleen functioneerde het achterlicht van de snorfiets niet, maar ook ontbrak reflecterend materiaal en een lichte kleur op de achterzijde van de snorfiets. Echter, [eiser] betwist de stelling van [gedaagde] dat hij wist dat het achterlicht niet functioneerde (conclusie van repliek onder 35).

4.12.  De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die - mits bewezen - de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [eiser] wist dat het achterlicht niet functioneerde. Dat [X] wist dat het achterlicht niet functioneerde, brengt niet zonder meer mee dat mag worden aangenomen dat [eiser] het ook wist. [eiser] heeft het ook niet noodzakelijkerwijs moeten waarnemen. De verlichting kan immers door de bestuurder worden ingeschakeld nadat de bijrijder achterop de snorfiets heeft plaatsgenomen. Voor de bijrijder is in dat geval niet eenvoudig kenbaar dat het achterlicht niet functioneert, in ieder geval niet voor vertrek.

4.13.  [gedaagde] onderbouwt zijn stelling dat [eiser] wist dat het achterlicht niet functioneerde slechts met de stelling dat uit een verklaring van [gedaagde] blijkt dat de vader van [X] aan [gedaagde] heeft verklaard dat hij "de jongens meerdere malen gewaarschuwd" heeft niet met de snorfiets te gaan rijden. De rechtbank ziet echter niet in hoe [eiser] uit een eventuele waarschuwing van de vader van [X] om niet met de snorfiets te gaan rijden, had kunnen afleiden dat het achterlicht van de snorfiets niet functioneerde.

4.14.  [gedaagde] heeft niet gesteld dat iemand aan [eiser] heeft medegedeeld dat het achterlicht van de snorfiets niet functioneerde dan wel dat [eiser] heeft waargenomen dat het achterlicht niet functioneerde. Aan het aanbod van [gedaagde] om de bekendheid van [eiser] van het niet werkend achterlicht ten tijde van het ongeval door getuigen te bewijzen, gaat de rechtbank dan ook voorbij. Immers, dienaangaande zijn geen relevante door getuigen te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld. Mede gelet op de omstandigheid dat [X] door het ongeval is overleden en dat [eiser] door ongevalsgevolgen geen verklaring kan afleggen over hetgeen hij destijds wel of niet wist, lag het op de weg van [gedaagde] om concrete feiten en omstandigheden te stellen die - mits bewezen - de gevolgtrekking zouden rechtvaardigen dat [eiser] is meegereden op de snorfiets in de wetenschap dat het achterlicht daarvan niet functioneerde.

4.15.  Nu [gedaagde] geen andere aan [eiser] toerekenbare omstandigheden heeft gesteld waarvan de schade mede een gevolg is, is de slotsom dat het door [gedaagde] gedane beroep op "eigen schuld" van [eiser] niet slaagt. Dat brengt mee dat de gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van bij staat op te maken schade zullen worden toegewezen. Derhalve behoeft geen behandeling het subsidiaire standpunt van [eiser] dat er, gelet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en mede gelet op de voor hem uitzonderlijk ernstige gevolgen van het ongeval (ernstig hersenletsel; waarschijnlijk een levenslang verblijf in een verzorgingshuis) en het bestaan van verzekeringsdekking voor de schade, aanleiding is om de vergoedingsplicht geheel in stand te laten.
LJN BN4534 Met dank aan mr Reinboud Schoemaker.

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies