Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Arnhem 120213 KG; advocaat niet verplicht dossier van psychiatrische patiënt te laten inzien door RvR ihkv kwaliteitscontrole

Hof Arnhem 120213 KG; advocaat niet verplicht dossier van psychiatrische patiënt te laten inzien door RvR ihkv kwaliteitscontrole

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1. De zaak gaat over de vraag in hoeverre de Raad onrechtmatig handelt jegens de Piketadvocaten door van hen te verlangen om mee te werken aan het zogenaamde Peer Reviewsysteem. Daarmee beoogt de Raad een kwaliteitsoordeel te verkrijgen over de gefinancierde rechtsbijstand, die de Piketadvocaten verlenen aan personen die op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) gedwongen worden opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen. Aan die personen wordt een advocaat toegevoegd indien de rechter moet beslissen over de gedwongen opname, of de verlenging daarvan. De Piketadvocaten komen voor dergelijke toevoegingen in aanmerking doordat zij staan ingeschreven in het Bopz-piketregister, welk register door de Raad wordt beheerd.
4.2. Het Peer Reviewsysteem houdt in dat een door de Raad ingestelde commissie, de Commissie Peer Review (hierna: CPR), een oordeel uitspreekt over de verleende rechtsbijstand. Van iedere Bopz-advocaat worden daartoe hoogstens eenmaal per twee jaren door de secretaris van de CPR vijf willekeurige Bopz-piketzaken aangewezen. De advocaat dient geanonimiseerde kopieën van de door hem/haar aangelegde dossiers van die zaken aan de secretaris te sturen, samen met ingevulde vragenformulieren (de voorleggers). Hierna stuurt de secretaris alle bescheiden door aan één van de Peers, dat zijn ervaren Bopzadvocaten die door de CPR bereid zijn gevonden om te rapporteren. De Peer stuurt zijn bevindingen over elk van de cliënt¬dossiers aan de secretaris. Vervolgens kan de betrokken advocaat weerwoord voeren, waarna de CPR vaststelt in hoeverre de verleende rechtshulp aan de eisen voldeed en dit aan de Raad bericht.
4.3. De Raad kan na een negatieve beoordeling van de CPR onder meer besluiten om de advocaat uit te schrijven uit het Bopz-piketregister. Hetzelfde besluit kan de Raad nemen ten aanzien van de Bopz-advocaat die weigert om aan de Peer Reviews mee te werken.
4.4. De Piketadvocaten hebben in het onderhavige kort geding gesteld dat de Raad onrechtmatig jegens de Piketadvocaten handelt door het Peer Reviewsysteem in te voeren. De Raad verlangt namelijk van de Piketadvocaten om hun cliëntdossiers over te leggen, terwijl zij als advocaat en tevens uit hoofde van de medische aard van de in die dossiers opgenomen gegevens, verplicht zijn tot geheimhouding daarvan. Bovendien maakt de Raad inbreuk op het recht van de Piketadvocaten om in vrijheid en onafhankelijkheid te bepalen op welke wijze zij hun beroep uitoefenen. Hier komt bij dat invoering van het Peer Reviewsysteem tot onnodige uitgaven leidt, die ten koste gaan van het budget voor
daadwerkelijke rechtshulpverlening. De Raad misbruikt hierdoor zijn bevoegdheden en overschrijdt die bevoegdheden, aldus nog steeds de Piketadvocaten. De Piketadvocaten hebben voorts aangevoerd spoedeisend belang bij het gevorderde verbod te hebben nu zij als gevolg van de invoering inkomsten dreigen te verliezen: zij zullen van de Bopz-piketlijst worden afgevoerd, doordat zij moeten weigeren om cliëntendossiers te laten inzien en missen daardoor toevoegingen.
4.5. De Raad heeft verweer gevoerd.
4.6. De voorzieningenrechter heeft de Piketadvocaten in het bestreden vonnis nietontvankelijk verklaard, kort gezegd op grond dat de Piketadvocaten de bescherming van de bestuursrechter kunnen inroepen zodra de Raad besluit om hen van verdere deelname aan het Bopz-piket uit te sluiten.
4.7. Volgens de Raad hebben de Piketadvocaten verzuimd om daartegen in de appèldagvaarding grieven aan te voeren. De memorie van grieven, die volgens de Piketadvocaten aan de appèldagvaarding was gehecht, is volgens de Raad niet aan hem betekend en is ook al niet op een andere behoorlijke wijze in het geding gebracht. Bovendien is de memorie niet ondertekend, zodat grieven die in de memorie staan buiten beschouwing moeten worden gelaten. De Raad concludeert dat het hof de Piketadvocaten niet-ontvankelijk zal verklaren in hun hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.
4.8. Het hof kan niet vaststellen dat de deurwaarder de memorie van grieven (als bijlage bij de appèldagvaarding) aan de Raad heeft betekend. Uit het exploot van dagvaarding blijkt daar niet van. In de appèldagvaarding wordt ook al geen melding gemaakt van de memorie van grieven, maar daarin staat wel vermeld dat “de grieven” in de dagvaarding zijn opgenomen. Er blijkt evenmin dat de memorie van grieven op een andere behoorlijke wijze is ingediend. Op de rol/archiefkaart, waarop de griffier van het hof de rolverrichtingen van partijen heeft bijgehouden, staat vermeld dat de grieven in de dagvaarding zijn opgenomen en dat bij de introductie van de zaak op 21 augustus 2012 een schriftelijke conclusie van eis ex artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is genomen. Dat er bovendien (op diezelfde rolzitting of later) een memorie van grieven is genomen, blijkt daaruit niet. Het hof stelt op grond van een en ander de memorie van grieven terzijde. 
4.9. In de appèldagvaarding hebben de Piketadvocaten onder meer gesteld dat zij thans geen rechtsbescherming krijgen tegen het beweerdelijk onrechtmatige gedrag van de Raad. Nu zij mede op grond van deze stelling de vernietiging van het bestre¬den vonnis van de voorzieningenrechter hebben gevorderd, moet de stelling in de appèldagvaarding als grief worden aangemerkt. Hieruit blijkt dat het beroep van de Raad op de niet-ontvankelijkheid van het door de Piketadvocaten ingestelde hoger beroep wegens het ontbreken van grieven ongegrond is.
4.10. Het hof dient dan ook te beoordelen in hoeverre de Piketadvocaten op andere gronden niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot het opleggen van een verbod op de invoering van het Peer Reviewsysteem. Nu de Piketadvocaten hebben gesteld dat de Raad jegens hen onrechtmatig handelt, is de burgerlijke rechter bevoegd om van de oorspronkelijke vorderingen kennis te nemen. Vaststaat dat er thans geen voor bezwaar vatbaar besluit, als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, voorligt, zodat de bestuursrechter thans niet kan beslissen over het gevorderde verbod. Een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang staat evenmin open. Op grond hiervan zijn de piketadvocaten ontvankelijk, tenzij niet blijkt van het wettelijk voor toegang tot de kort gedingprocedure vereiste spoedeisende belang.
4.11. Indien de Piketadvocaten hun medewerking aan Peer Reviews weigeren, dreigt er een besluit van de Raad tot uitschrijving uit het Bopz-piketregister. In dat geval missen de Piketadvocaten als gevolg daarvan toevoegingen. Indien de bestuursrechter bij voorlopige voorziening een dergelijk besluit zou schorsen, neemt dat niet weg dat de betrokken advocaat in de tussengelegen periode inkomstenverlies kan lijden doordat hij in die periode geen piketdiensten kan verrichten. Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit van voldoende spoedeisend belang bij het verbod op de invoering van het Peer Reviewsysteem. Dit betekent dat de Piket¬advocaten ontvankelijk zijn, zodat het hof de gegrondheid van de oorspronkelijke vordering beoordelen.
4.12. Centraal staat in hoeverre de Raad bevoegd is om van de Piketadvocaten te eisen dat zij aan de Peer Reviews meewerken. De Wet op de rechtsbijstand bevat op dit punt de volgende bepalingen:
Artikel 14
Alle in Nederland kantoor houdende advocaten die daartoe een aanvraag hebben ingediend, worden door het bestuur ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 bedoelde voorwaarden. Het bestuur kan regels stellen met betrekking tot deze voorwaarden. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 15
De door het bestuur te stellen regels met betrekking tot de voorwaarden kunnen betrekking hebben op:
a. het … aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks zal worden toegevoegd;
b. De deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden;
c. De organisatie van het kantoor waar de advocaat werkzaam is;
d. De verslaglegging door de advocaat omtrent de door hem verleende rechtsbijstand.
Artikel 17
1. De inschrijving wordt door het bestuur doorgehaald bij verlies van de hoedanigheid van advocaat.
2. Voorts kan het bestuur de inschrijving doorhalen:
a. …
b. indien naar zijn oordeel genoegzaam is gebleken dat de rechtsbijstandverlening door de advocaat niet voldoet aan redelijkerwijs te stellen eisen van doelmatigheid of zorgvuldigheid;

4.13. Artikel 17 lid 2 aanhef en onder b. Wrb schept voor de Raad de bevoegdheid om de inschrijving van deelnemers aan het Bopz-piket ongedaan te maken, onder meer indien blijkt dat de door hen geleverde rechtshulp niet aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen voldoet. Hieruit vloeit naar het oordeel van het hof voort dat de Raad in beginsel bevoegd is om de kwaliteit van de in het kader van het Bopz-piket (dus op basis van toevoeging) verleende rechtshulp te beoordelen. De Raad heeft met gebruikmaking van deze bevoegdheid gekozen voor een beoordeling in de vorm van het Peer Reviewsysteem. Los van het feit dat de rechter deze keuze slechts marginaal mag toetsen, hebben de Piketadvocaten verzuimd om toe te lichten dat het Peer Reviewsysteem een ondeugdelijk instrument is om de kwaliteit te meten en dat de keuze daarvoor geldverspilling oplevert, en te zeer ten koste gaat van het budget voor de rechtshulp. Het hof kan bij gebreke van een nadere onderbouwing niet (voorshands) inzien dat de Raad in redelijkheid niet heeft kunnen kiezen voor het Peer Reviewsysteem als methode van beoordeling van de kwaliteit van de door de Piketadvocaten geleverde rechtshulp. Het geven van een nadere onderbouwing van de stelling over geldverspilling had temeer van de Piketadvocaten mogen worden verwacht, nu de Raad onweersproken heeft aangevoerd dat het Peer Reviewsysteem met een bedrag van € 120.000 op een begroting van € 450 miljoen zal drukken.
4.14. De Piketadvocaten hebben opgeworpen dat het Peer Reviewsysteem de onafhankelijkheid aantast, die in een democratische rechtsstaat toekomt aan de advocatuur. Deze stelling stuit af op het feit dat artikel 17 Wrb is toegesneden op het stellen van eisen aan de kwaliteit van de gefinancierde rechtshulp. Deze wetgeving is niet in strijd met een hogere rechtsnorm, zodat er voor de door de Piketadvocaten aangevallen bemoeienis van de Raad een wettelijke basis bestaat. Dit betekent dat het invoeren van een beoordelingssysteem slechts door bijkomende omstandigheden onrechtmatig jegens de Piketadvocaten kan zijn.
4.15. De Piketadvocaten hebben aangevoerd dat de door hen gestelde onrechtmatig¬heid erin is gelegen dat de Raad van hen verlangt om geheimhoudingsplichten te schenden (die van henzelf en het van het medische zorgverleners afgeleide beroepsgeheim) en dat het Peer Reviewsysteem strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) zal opleveren. Voor een beoordeling van deze stelling zijn onder meer de volgende (wets)bepalingen van belang:
Artikel 6 lid 1 van de op 27 november 1992 door het College van Afgevaar¬digden vastgestelde Gedragsregels 1992 (hierna: de Gedragsregels): De advocaat is verplicht tot geheimhouding; hij dient te zwijgen over bijzonderheden van
door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens belangen.
Artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG):
Een ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.
Artikel 7:457 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
Onverminderd het in artikel 448 lid 3, tweede volzin, bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.
Artikel 272 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 1 van de Wbp:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;
c. bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen;
d. …
Artikel 9 van de Wbp:
1. Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.
2. Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk geval rekening met:
a. de verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen;
b. de aard van de betreffende gegevens;
c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene;
d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen en
e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen.
3. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, wordt niet als onverenigbaar beschouwd, indien de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke doeleinden.
4. De verwerking van persoonsgegevens blijft achterwege voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.
Artikel 16 van de Wbp:
De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van
dat gedrag.
4.16. Niet weersproken is (en het ligt voor de hand) dat de dossiers van de Bopz-piketzaken, waarvan van de Piketadvocaten kopieën worden verlangd, gegevens bevatten die worden beschermd door het beroepsgeheim van artikel 6 Gedragsregels. Voorts ligt het voor de hand dat daarin tevens gegevens liggen over de medische toestand van de cliënt, afkomstig van een arts of andere beoefenaar van een medisch beroep, waarvoor derhalve in beginsel een
(afgeleid) medisch beroepsgeheim geldt. Schending van de desbetreffende geheimhoudingsplichten kwalificeert in beginsel als het misdrijf van artikel 272 Sr.
4.17. Uit de in artikel 1 onder a. en onder c. Wbp gegeven definities blijkt dat de cliëntendossiers, die de Raad wil laten inzien door de Peers, telkens aangemerkt moeten worden als onderdeel van een bestand in de zin van de Wbp. In elk van die dossiers bevindt zich namelijk een geheel van gegevens betreffende een geïdentifi¬ceerde of, na volledige anonimisering: identificeerbare natuurlijke persoon (de cliënt), zodat het daarbij om “persoonsgegevens” gaat. Het dossier maakt op zijn beurt deel uit van de verzameling van cliëntdossiers, die de betrokken advocaat heeft aangelegd en die in praktijk als één geheel wordt beschouwd en die, zoals de Raad ook niet heeft betwist, plegen te zijn gestructureerd en volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn. Naar het oordeel van het hof is de Wbp daarom van toepassing op de door de Raad voorziene toezending van (geanonimiseerde) cliëntendossiers aan de secretaris van de CPR en aan de Peers.
4.18. Artikel 15 Wrb bevat onder b., c. en d. een legitimatie voor de bemoeienis van de Raad met (de beoordeling van) de deskundigheid van de Bopz-piketadvoca¬ten, hun kantoororganisatie en verslaglegging, zodat de Raad bevoegd is om het Peer Reviewsysteem in te voeren, maar artikel 15 is evenmin als enige andere bepaling van de Wrb voldoende concreet en specifiek toegesneden op het maken van de in het kader van het Peer Reviewsysteem voorziene inbreuk op het beroepsgeheim van de advocaat, namelijk in de vorm van terbeschikkingstelling van volledige cliëntdos¬siers, en evenmin op het maken van inbreuk op een (afgeleid) medisch beroeps¬geheim.
4.19. Het hof is voorts van oordeel dat de door de Raad voorziene Peer Review¬procedure, waarin is voorzien in de afgifte en doorzending van kopiedossiers, valt onder de definitie van verwerking van persoonsgegevens, gegeven in artikel 1 onder b. Wbp. De dossiers worden namelijk opgevraagd, geraadpleegd en door middel van doorzending aan de secretaris van de CPR en voorts aan de Peers verstrekt, zodat het daarbij in ieder geval gaat om een of meer
vormen van terbeschikkingstelling van de cliënt/patiëntgegevens. Met artikel 9 lid 4 Wbp wordt voorgeschreven deze afgifte, ook indien sprake is van een in de Wbp bedoelde situatie, achterwege te laten voor zover daardoor een geheimhoudingsplicht wordt geschonden. Een dergelijke schending is in dit geval aan de orde, maar ook zonder dat zou vertsrekking op grond van de Wbp niet toegestaan zijn. Uit artikel 16 van dezelfde wet blijkt namelijk dat de
verwerking van medische gegevens is verboden, behoudens het bepaalde in Hoofdstuk 1, paragraaf 2 van de Wbp. De Wbp maakt weliswaar uitzonderingen op het verbod van artikel 16, bijvoorbeeld in de artikelen 21 en 23 Wbp, maar er is niet gebleken dat er in dit geval aan de voor het maken van die uitzonderingen vereiste voorwaarden is voldaan. Met name valt uit de beschrijving van het Peer Review¬systeem niet op te maken dat in het kader daarvan
uitsluitend dossiers zullen worden opgevraagd van cliënten/patiënten, die daarvoor uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven. Evenmin is gebleken dat er in het kader van dat beoordelingssysteem is voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium, dat voor een groot aantal andere wettelijke uitzonderingen op het verbod van artikel 16 Wbp geldt.
4.20. De Raad heeft aangevoerd dat er geen sprake is van schending van geheim¬houdingsplichten nu uitsluitend de secretaris van de CPR en de Peer van de door de Piketadvocaten te verstrekken gegevens kennis nemen en zowel die secretaris als die Peer beroepshalve tot geheimhouding verplicht zijn. Voorts heeft de Raad zich erop beroepen dat de dossiers worden geanonimiseerd en dat de kopieën daarvan met hun voorleggers binnen korte tijd worden vernietigd.
4.21. Het feit dat de secretaris en de Peer eveneens verplicht zijn tot geheimhou¬ding neemt niet weg dat door de toezending aan hen van de kopiedossiers waarin (medische en andere) persoonsgegevens zijn opgenomen, de kring van personen die van die gegevens kennis dragen groter wordt, zodat het daarbij gaat om verspreiding van de gegevens. Hetzelfde geldt voor het feit dat de dossiers binnen korte tijd moeten worden vernietigd: de persoonsgegevens zijn
dan reeds verspreid.
4.22. In welke mate de dossiers in het kader van het Peer Reviewsysteem worden geanonimiseerd, is niet duidelijk gemaakt. Dit is van belang voor de beoordeling van de vordering, doordat de geheimhoudingsverplichtingen niet door iedere vorm van anonimiseren worden opgeheven. Enkel verwijdering daaruit van de naam- adres- en woonplaatsgegevens is niet voldoende. Mede blijkens een uitspraak van het College bescherming persoonsgegevens van 30 juni 2003 (Kluwer Burgerzaken 2003, nr 21) moet het anonimiseren tot gevolg hebben dat uit de verstrekte gegevens niet of nauwelijks achterhaald kan worden wie de cliënt is. Bij “nauwelijks” heeft het genoemde College gedacht aan gevallen waarin een computer pas na vele dagen aan de hand van de verstrekte gegevens de identiteit van de betrokkene kan vaststellen. Dit betekent dat uit de cliëntendossiers van de Piketadvocaten bijvoorbeeld ook alle gegevens over de opname in het ziekenhuis (tijd en plaats), de vermoede diagnose en sociale verbanden van de cliënt onleesbaar moeten worden gemaakt. Dat de dossiers zo vergaand anoniem kunnen worden gemaakt, is gesteld noch gebleken. Dit maakt het voorshands niet aannemelijk dat het anonimiseren van de dossiers de onrecht¬matigheid van het uit handen geven daarvan wegneemt.
4.23. Op grond van het vorenstaande moet voorshands geconcludeerd worden dat de Raad in het kader van het Peer Reviewsysteem van de Piketadvocaten verlangt om geheimhoudingsplichten te schenden en dat dit onrechtmatig is. Het gevorderde verbod kan echter slechts tussen de Piketadvocaten en de Raad gelden, aangezien anderen dan partijen in de procedure aan de uitspraak geen rechten kunnen ontlenen. Dit leidt tot gedeeltelijke afwijzing van de vordering. LJN BZ0644

Deze website maakt gebruik van cookies