Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's-Hertogenbosch 230212 Staat niet aansprakelijk voor val (leerling)motorrijder door lengtegroef in wegdek bocht

Rb 's-Hertogenbosch 230212 Staat niet aansprakelijk voor val (leerling)motorrijder door lengtegroef in wegdek bocht 

3. De beoordeling 

3.1. Beide partijen hebben ter comparitie kleurenfoto's van het betreffende weggedeelte overgelegd, waaronder overzichtsfoto's van de toerit en een detailfoto van het stuk wegdek waar het om gaat. Partijen zijn het erover eens dat de foto's van het oppervlak van het wegdek de situatie weergeven van 16 maart 2010. 

3.2. Uit de door de Staat overgelegde schouwrapporten blijkt dat de weginspecteur van 1 maart tot en met 19 maart 2010 meerdere inspecties heeft uitgevoerd met betrekking tot het wegdek van de onderhavige toerit, en dat hij daarbij geen gebreken heeft geconstateerd. Uit de door de Staat overgelegde aantekeningen van de functionele wegbeheerder van 16 maart 2010 blijkt dat deze ook geen onregelmatigheden aan het wegdek ter plaatse heeft geconstateerd. 
Van de zijde van [de Rijschool c.s.] is ter zitting erkend dat zij vóór het onderhavige ongeval niet heeft geklaagd over de staat van het wegdek van de oprit (hoewel zij wel al de ervaring had dat de oprit een "lastig punt" vormde voor motorrijders.) 

3.3. Van de zijde van de Staat/Rijkwaterstaat is ter zitting toegelicht dat het gaat om een (al) in 2007 weggestraalde (en niet weggefreesde) wegbelijning op het wegdek. In tegenstelling tot wegfresen wordt bij wegstralen niet een deel van het oppervlak van het wegdek verwijderd, aldus Rijkswaterstaat. 

3.4. Uit de overgelegde foto's blijkt dat 'de groef' enkele tientallen meters lang is, beginnend aan de linkerzijde van het met een witte lijn afgebakende weggedeelte en vervolgens meelopend met de rijrichting over het midden van het weggedeelte naar rechts, om te eindigen tegen de rechterzijde van het (eveneens daar) met een witte lijn afgebakende weggedeelte. 
Uit de door [de Rijschool c.s.] overgelegde detailfoto van het oppervlak van het wegdek blijkt dat er geen sprake is van een echte groef, in de zin dat er sprake is van een plaatselijke verlaging van het wegdek. Een verlaging van het wegdek ter plaatse, of een rand of ander hoogteverschil, is niet waarneembaar. Wel zijn de contouren van een weggestraalde belijning zichtbaar. Er is over het traject van de voormalige belijning een donker gekleurd oppervlak van het wegdek te zien, hetgeen erop zou kunnen duiden dat het wegdek ter plaatse van het wegstralen van de belijning wat poreuzer is althans een grovere structuur heeft. 

3.5. [de Rijschool c.s.] heeft aangevoerd, en de Staat heeft dat niet weersproken, dat ter plaatse van 'de groef' op 9 juni 2010 een laagje bitumen is aangebracht. Volgens [de Rijschool c.s.] is de 'groef' daardoor nog gevaarlijker geworden dan voorheen. 
Vaststaat dat ter plaatse op 26 juni 2010 een dodelijk ongeval met een motorrijder heeft plaatsgevonden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat deze motorrijder vermoedelijk met hoge snelheid de oprit is opgereden, is geschrokken van de (opgevulde) 'groef' in het wegdek en daarom zijn motor weer heeft opgetrokken, als gevolg waarvan hij de bocht niet meer kon maken en ten val is gekomen. 
Omdat de 'groef' toen was opgevuld en de motorrijder met hoge snelheid reed, levert dit ongeval geen aanwijzing op, althans niet zonder meer, voor een tekortschieten van de Staat in het onderhavige geval. 
In de zomer van 2011 heeft de Staat het gehele wegdek van de oprit vervangen. Ook dat levert geen aanwijzing voor een tekortschieten van de Staat in maart 2010 op. 

3.6. De rijinstructeur in dienst van [[de Rijschool c.s.]], heeft ter comparitie verklaard dat hij op 16 maart 2010 als instructeur met twee leerlingen, waaronder de [leerling], op de weg was, dat hij bij het oprijden van de oprit in het midden reed en dat de [leerling] achter hem reed, en dat hij in zijn spiegel zag dat de [leerling] in de bocht rechtdoor reed en ten val kwam in de berm. Zij reden volgens hem met een aan de situatie aangepaste snelheid van 50 á 60 kilometer per uur. 
De [rijinstructeur] heeft in zijn getuigenverklaring van 8 april 2010 verklaard: "dat de [leerling] de bocht ruim nam waardoor hij in de berm kwam met een val tot gevolg. Ter plaatse is op het wegdek een stuk wegbelijning weggezandstraald waardoor er een lichte groef in het wegdek is ontstaan waardoor in dit geval de [leerling] uit koers raakte en in de berm terecht kwam." Voorts heeft hij toen verklaard: "Ik heb in deze bocht al vaker mensen (leerlingen en andere weggebruikers) de bocht (te) ruim zien maken bij het passeren van deze groef in het wegdek." 
Ter comparitie hebben [vennoot 1] en de [rijinstructeur] toegelicht dat de onderhavige 'groef' vooral op de beginnende motorrijder een psychologisch effect heeft, aangezien iedere motorrijder er angst voor heeft om met de wielen in een groef op het wegdek te komen en zo ten val te raken; zodra een motorrijder een groef meent waar te nemen schrikt hij en zal hij de neiging hebben de groef te mijden. In het onderhavige geval, bij de 'groef' in de bocht, zal dat tot gevolg hebben dat de motorrijder de motor weer optrekt. Aldus [vennoot 1] en de [rijinstructeur]. 
Ter zitting hebben zij erkend dat de 'groef' niet diep was. Volgens hen is met betrekking tot deze groef vooral het psychologisch effect voor motorrijders in het algemeen en voor de [leerling] met name in dit geval van belang, en is dat de 'oorzaak' van het ongeval. 
Een verklaring van de [leerling] is niet overgelegd. 

3.7. De kantonrechter concludeert dat er op 16 maart 2010 ter plaatse van het ongeval geen sprake was van een echte groef, maar (slechts) van een weggestraalde belijning met zeer geringe schade aan het wegdek, en dat de [leerling] met de motor op de betreffende oprit niet in een groef is gereden (en als gevolg daarvan ten val is gekomen), maar dat hij (vermoedelijk) is geschrokken toen hij de contouren van de weggestraalde belijning op het wegdek zag en dat hij als gevolg daarvan de bocht te ruim heeft genomen, althans te ruim in de bocht is terecht gekomen, in de berm is geraakt en ten val is gekomen. 

3.8. De vraag is dan of de enkele omstandigheid dat de contouren van de weggestraalde belijning op de [leerling] (en mogelijk ook op andere motorrijders) het beschreven psychologische effect hebben gehad, tot de conclusie leidt dat de Staat is tekort geschoten in het onderhoud van de weg, dan wel is tekort geschoten in haar zorgplicht op grond van artikel 6:162 BW door niet ter plaatse een waarschuwingsbord te plaatsen. 

3.9. Artikel 6:174 lid 1 BW luidt: "De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend." 
Volgens de parlementaire geschiedenis is er geen aansprakelijkheid van het beherend overheidslichaam als de weg in een goede staat van onderhoud verkeert, dat wil zeggen niet beneden het niveau dat voor dit soort weg van het betreffende overheidslichaam kan worden geëist. 

3.10. Op grond van het voorgaande moet de conclusie zijn dat de toestand van de weg zelf niet gebrekkig was. Er was geen sprake van een groef, slechts van contouren van een weggestraalde belijning en een mogelijk zeer geringe beschadiging aan het wegdek. Daaraan is geen gevaar verbonden, ook niet voor motorrijders. Ook zij kunnen daar gewoon overheen rijden. De staat van onderhoud van de weg verkeerde aldus niet beneden het niveau dat voor dit soort weg - de oprit van een snelweg - van Rijkswaterstaat kan worden geëist. De weg verkeerde derhalve in goede staat van onderhoud. Dat de contouren van de weggestraalde belijning op (sommige) motorrijders mogelijk het beschreven psychologisch effect hadden is onvoldoende voor het oordeel dat de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. 
De Staat is derhalve niet aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW. 

3.11. Dat de contouren van de weggestraalde belijning op (sommige) motorrijders, waaronder de [leerling], mogelijk het beschreven psychologisch effect hadden is eveneens onvoldoende voor het oordeel dat de Staat is tekort geschoten in haar zorgplicht op grond van artikel 6:162 BW. Er was geen sprake van een gevaarlijke situatie in verband met een gebrek aan het wegdek. Zichtbaar weggestraalde belijning op een wegdek komt vaak voor. Van de Staat kan niet zonder meer worden verlangd dat zij uit zichzelf mogelijke psychologische effecten op weggebruikers van weggestraalde belijning op een wegdek onderkent en daarnaar handelt. Dat is wel het geval als het (mogelijke) psychologisch effect ervan duidelijk is en door de Staat had behoren te worden onderkend en de waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg daarvan dermate groot is dat de Staat naar maatstaven van zorgvuldigheid maatregelen had behoren te treffen ter voorkoming van een dergelijk ongeval. Onvoldoende is evenwel onderbouwd dat de Staat, vóór het onderhavige ongeval, met het genoemde psychologisch effect van de weggestraalde belijning op dit wegdek en het mogelijk als gevolg daarvan ontstaan van een ongeval rekening heeft behoren te houden. Zij was daar tevoren niet op gewezen. Van de zijde van [[de Rijschool c.s.]] is wel verklaard dat zij al voor het onderhavige ongeval de ervaring hadden dat de oprit een "lastig punt" vormde voor motorrijders, maar kennelijk betrof het niet een zo lastig punt dat zij Rijkswaterstaat daarover hebben ingelicht dan wel dat zij niet meer met een leerling op een motor daarlangs reden.  LJN BV7880

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies