Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb M'tricht 090408 werkgever niet aansprakelijk voor ernstig arbeidsongeval met transportband

Rb M'tricht 090408 werkgever niet aansprakelijk voor ernstig arbeidsongeval met transportband
CeDo is een onderneming die kunststof afval (LDPE folie en PET drankflessen) tot regranulaat en flakes verwerkt. Binnen de productie wordt volcontinue gewerkt in een drie- en vijf ploegendienst. Cedo heeft ongeveer 60 werknemers in dienst.
[eiser] is in 1990 bij CeDo Recycling, althans haar rechtsvoorganger Reko BV, in dienst is getreden als "chef van dienst". Vanaf 1 december 2001 was hij shiftleader, waardoor hij verantwoordelijk was voor de kwaliteit, kwantiteit, voortgang en veiligheid (van een deel) van het productieproces.
In dat kader behoorde het tot zijn werkzaamheden om storingen in het machinepark, waaronder de transportbanden, te verhelpen teneinde de continuïteit van de productie te waarborgen en het productieverlies door uitval of storing aan de machines zoveel mogelijk te beperken.
Op 15 februari 2005 is [eiser] het slachtoffer geworden van een zeer ernstig bedrijfsongeval. Tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden is de mouw van zijn trui tussen de keerrol en een transportband terecht gekomen, waardoor zijn rechterarm tussen beiden bekneld is geraakt en uiteindelijk volledig is afgerukt.
Het ongeval vond plaats aan een bandentransporteur, geproduceerd door Technisch Handelsbureau Laverman B.V.
De transportband is door middel van passieve veiligheidsmaatregelen beveiligd. Alle bewegende delen van de machine zijn afgeschermd door een metalen hekwerk dat voorkomt dat werknemers in de buurt van draaiende delen van de machine kunnen komen.
Een bandentransporteur transporteert producten door middel van een door een motor aangedreven band, die door verschillende looprollen in een goede baan wordt geleid. De band wordt vanaf de aandrijfrol via de retourrollen over de keerrol geleid, die zich in het spanstation bevindt. De functie van het spanstation is het keren en sturen van de band en het instellen van de bandspanning.
Op de dag van het ongeval had [eiser] van 14.45 uur tot 23.30 uur dienst.
Bij aanvang van de werkzaamheden heeft [eiser] als gebruikelijk met de shiftleader van de vorige dienst de technische werkzaamheden van die dag doorgenomen.
Deze vertelde [eiser] dat op lijn 5 regulier onderhoud had plaatsgevonden, waarbij maalmolenmessen waren verwisseld. Tijdens diezelfde dienst was door de technische dienst het lager van transportband 2 verwisseld, omdat deze kapot was. Bij de aanvang van de dienst van [eiser] werden er geen onderhoudswerkzaamheden meer uitgevoerd.
Omstreeks 15.45 uur maakte een van [eiser]’ collega’s, [X], hierna te noemen "[X]', hem erop attent dat transportband 2 aan lijn 5 niet goed spoorde.
[eiser] is toen naar de technische dienst gelopen, waar een van de medewerkers hem mededeelde dat dit werd veroorzaakt doordat er landbouwfolie tussen de keerrol en de transportband was geraakt.
Gezegd werd dat dit in de ochtend bij de vervanging van de maalmolenmessen en het verwisselen van het lager al was geconstateerd, maar de technische dienst de folie had laten zitten.
[eiser] heeft om 18.00 uur samen met zijn collega [X] dit probleem aan de transportband willen verhelpen.
Om de folie te kunnen verwijderen heeft [eiser] een deel van het beveiligingsscherm aan de linkerzijde van de band los gemaakt.
Nadat dit was gebeurd heeft [X] op zijn commando met het bedieningspaneel de transportband in- en uitgeschakeld. Tijdens dit in- en uitschakelen verwijderde [eiser] de resten folie van de keerrol.
Nadat het probleem opgelost leek te zijn heeft [eiser] het productieproces weer op gang gebracht.
Vrij snel na het opstarten toen [eiser] de beschermkap terug wilde plaatsen zag hij echter dat er nog steeds een restant folie tussen de keerrol en transportband 2 zat.
[X] was toen al achter het bedieningspaneel vandaan.
Dit laatste stuk trachtte [eiser] handmatig te verwijderen, maar toen hij de folie wilde pakken werd zijn trui en vervolgens zijn arm door de keerrol en de transportband gegrepen. Het daardoor ontstane letsel was dermate ernstig dat traumatische amputatie van zijn rechter (dominante) arm plaatsvond.
Direct na het ongeval is [eiser] naar het Academisch ziekenhuis te Maastricht gebracht.
De Arbeidsinspectie heeft van het ongeluk een boeterapport aangezegd.
Bij schrijven van 24 augustus 2005 is door de arbeidsinspectie meegedeeld dat geen boete wordt opgelegd.
De overwegingen daartoe waren:
Vast staat dat op dinsdag 15 februari 2005 een werknemer van u een arbeidsongeval is overkomen bij het opheffen van een storing tijdens het productieproces. De storing betrof vastzittend plastic folie tussen de keerrol en de band ter plaatse van een productielijn, een arbeidsmiddel bestaande uit verschillende machineonderdelen. Bij het opheffen van de storing was het arbeidsmiddel niet uitgeschakeld en niet drukloos of spanningsloos gemaakt. Derhalve was er sprake van overtreding van artikel 7.5, lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit welke CeDo Household Products N.V. toe te rekenen is. Echter, uit het onderzoek van de betrokken inspecteur is gebleken dat door u voldoende invulling is gegeven aan het Arbobeleid. Voorts is gebleken dat het slachtoffer, in functie als Shiftleader, een ervaren werknemer is en kennis heeft van de specifieke gevaren ter plaatse alsook welke veiligheidsvoorschriften dan aan de orde zijn. Van een ervaren werknemer die een toezichthoudende rol vervult op de werkvloer mag de nodige voorzichtigheid en oplettendheid worden verwacht. (...)

3.2. het oordeel
3.2.1. Buiten discussie staat dat [eiser] bij de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. Beoordeeld moet worden of Cedo als werkgever aansprakelijk is.
3.2.2. De schade is veroorzaakt doordat [eiser] de passieve beveiliging van een transportband had verwijderd en vervolgens aan deze niet uitgeschakelde, in bedrijf zijnde machine, heeft gewerkt en wel zodanig dat zijn arm door enig bewegend deel van deze machine is gegrepen.
3.2.3. Dit leidt als eerste tot beoordeling van de meest verstrekkende vraag, namelijk of dit gedrag uit opzet of bewuste voortspruit.
De kantonrechter ziet in het handelen van [eiser] geen enkel element van opzet.
Uit de over en weer gestelde feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat het (alsnog) verwijderen van het restant plastic folie onder de omstandigheden als toen aanwezig, vooral moet worden gezien als handelen dat uit plichtsbesef van [eiser] is voortgesproten en niet uit moedwillig of grovelijk ondoordacht handelen. Er ligt geen enkel element in besloten dat rechtvaardigen kan dit handelen te karakteriseren als bewuste roekeloosheid (in zwaarte vergelijkbaar met voorwaardelijke opzet).
3.2.4. De kantonrechter dient vervolgens te onderzoeken of de werkgever aantoont dat zij om te voorkomen dat [eiser] schade als deze kan lijden, haar zorgplicht voor veiligheid bij het gebruik van de machine door veiligheidsmaatregelen en deugdelijke veiligheidsinstructies, is nagekomen.
Uit het over en weer gestelde, alsmede uit de vaststaande feiten en met name uit de daarin een geciteerde verklaring in welke ten overstaan van de inspecteur van de arbeidsinspectie zijn afgelegd, volgt dat [eiser] een zeer bekwaam shiftleader was, die onweersproken zelf veel aandacht en zorg aan de veiligheid in het bedrijf heeft besteed.
De machine was met passieve veiligheidsmaatregelen uitgerust. [eiser] had ter wille van het verwijderen van de plasticfolie een deel daarvan verwijderd.
Uit de feiten en omstandigheden blijkt ook dat [eiser] bij het verwijderen van de folie de machine niet stroomloos heeft gemaakt, dan wel zodanig uitgeschakeld heeft dat deze niet kon draaien of bewegen, terwijl hij doende was folie uit de keerrol te trekken.
Helaas heeft hij juist het tegendeel gedaan: door de band beetje bij beetje door collega [X] te laten draaien heeft hij de machine juist in bedrijf gelaten en daardoor onbeschermd aan en een lopende en draaiende machine gewerkt. Toen hij de folie aan de ene zijde van de machine verwijderd had heeft hij dat, zonder college [X] erop te attenderen, dat ook aan de andere kant van de in bedrijf zijnde machine gedaan, buiten het zicht van deze collega.
Juist [eiser] hoorde te weten dat dit een zeer risicovolle overtreding van de veiligheidsnormen binnen het bedrijf was, en had dit behoren na te laten, hoe begrijpelijk hij mogelijkerwijze uit hoofde van dagelijkse routine hierbij ook heeft gehandeld.
Het beroep op werkdruk en stress kan een dergelijke zware schending van de bedrijfsveiligheidsregels niet vergoelijken.
Onder deze omstandigheden valt CeDo geen verwijt te maken dat zij haar zorgplicht strekkende tot voorkoming van dit ongeval heeft geschonden. Cedo had het handelen van [eiser] niet kunnen voorkomen. Daardoor kan zij niet aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog lijdt.
De kantonrechter kan op grond hiervan tot geen andere slotsom komen dan dat het gevorderde als zijnde niet of onvoldoende gemotiveerd dient te worden afgewezen.
Eiser wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de proceskosten aan de zijde van gedaagde.
LJN BC8906

Deze website maakt gebruik van cookies