Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Den Haag 090205 o.o.s.v. vanwege voorwenden arbeidsongeschiktheid; video-beelden van observaties

Rb Den Haag 090205 o.o.s.v. vanwege voorwenden arbeidsongeschiktheid; video-beelden van observaties toelaatbaar
Tussenvonnis:
6.1 Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze zoveel mogelijk gezamenlijk worden behandeld.
6.2 Vast staat dat [A] op 8 juni 2005 ontslag op staande voet is aangezegd op de gronden als hiervoor vermeld en dat hem de keuze is gegeven dat ontslag te ondergaan of in te stemmen met een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door tussenkomst van de rechter. [A] is daarbij een week bedenktijd gegeven. Daarbij is [A] medegedeeld dat hij is geobserveerd en dat die observaties de grond voor het ontslag hebben opgeleverd omdat die beelden een kwiek lopend persoon vertonen hetgeen voor TLN niet verenigbaar was met de klachten op grond waarvan [A] zich had ziek gemeld. [A] heeft daarop volgehouden wel degelijk arbeidsongeschikt te zijn.
6.3 Aldus is aan [A] voldoende duidelijk gemaakt op welke grond TLN spoedig afscheid van hem wilde nemen. Zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom [A] aldus onvoldoende in de gelegenheid zou zijn geweest zich tegen de beschuldiging te verweren. Dat de videobeelden bij die gelegenheid niet zijn getoond doet daaraan niet af, nu de feitelijke inhoud van die opnamen, zoals de kantonrechter uit kennisneming van het in deze zaak ter griffie gedeponeerde beeldmateriaal bekend is, verantwoord kort samengevat kan worden weergegeven zoals TLN op 8 juni 2005 heeft gedaan. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat [A] in de daarop volgende week heeft gepoogd een breder inhoudelijk verweer aan TLN kenbaar te maken dan hij op 8 juni 2005 heeft gevoerd door te stellen wel arbeidsongeschikt te zijn, en gesteld noch gebleken is dat hij TLN heeft aangegeven ook de opnamen te willen zien.
6.4 Als er al in absolute zin sprake is van een recht op hoor en wederhoor, zoals [A] voorstaat, dan is onder de gegeven omstandigheden voldoende gelegenheid geweest dat recht uit te oefenen.
6.5 De kern van het geschil wordt gevormd door de tegenovergestelde beantwoording van de vraag of [A] op en na 22 april 2005, de datum waarop hij voor het eerst in opdracht van TLN is geobserveerd, door ziekte arbeidsongeschikt was.
6.6 Het geding betreft daarom mede de vraag of [A] aanspraak heeft op doorbetaling van loon tijdens ziekte, waarbij TLN betwist dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.
6.7 Hoewel bij de eis van [A] niet een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW is gevoegd, kan daarin in dit geval geen grond gevonden worden tot afwijzing van de vordering. Immers, de door [A] bij dagvaarding overgelegde (medische) bescheiden ondersteunen het bestaan van de door hem gestelde klachten en/of het (voortbestaan) van de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid in meer of mindere mate. Onder deze omstandigheden kan in redelijkheid van [A] niet worden gevergd dat hij een dergelijke verklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW overlegt.
6.8 TLN heeft gemotiveerd, onder overlegging van een observatierapport en van de bij die observaties gemaakte videobeelden, weersproken dat [A] op en na 22 april 2005 als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt was.
6.9 Anders dan [A] betoogt, is in het door hem aangehaalde arrest niet uitgemaakt dat uitsluitend in geval van verdenking van strafbare feiten video-opnamen onder omstandigheden als bewijs toelaatbaar zijn. Het bestaan van een dergelijke verdenking was in de daarbij aan de orde zijnde zaak één van de omstandigheden die heeft bijgedragen tot het oordeel dat de opnamen niet ontoelaatbaar waren. [A] lijkt verder over het hoofd te zien dat - indien bewezen - het voorwenden van een ziekte om daarmee enig voordeel te verwerven, te weten betaling van loon, zonder dat daar werkzaamheden tegenover staan, mogelijk aangemerkt zou kunnen worden als het misdrijf als strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Voor zover aan de leer van het onrechtmatig verkregen bewijs in civiele zaken al betekenis toekomt, is er ook overigens geen aanleiding te oordelen dat de video-opnamen in deze zaak niet mogen bijdragen tot de beoordeling. Het gaat bij die opnamen immers, zoals TLN met recht heeft aangevoerd, om niets anders dan een vastlegging van hetgeen door de medewerkers van het detectivebureau is waargenomen en dus niet om opnamen met een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht.
6.10 Voorts is van een niet-toelaatbare inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen sprake, omdat het beelden betreft die op de openbare weg zijn gemaakt en die uitsluitend [A] weergeven op momenten dat hij zich op de openbare weg beweegt.
6.11 Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [A] ligt op TLN de last het bewijs te leveren van haar stelling dat [A] op en na 22 april 2005 geschikt was zijn eigen arbeid te verrichten. De kantonrechter is met TLN van oordeel dat de ter griffie gedeponeerde video-opnamen aanleiding geven tot gerede twijfel omtrent de arbeidsongeschiktheid van [A] als gevolg van ziekte, maar daar staat tegenover dat volgens [A] de bij hem waargenomen toegenomen beweeglijkheid herleid moet worden tot medicijngebruik, en dat de door hem overgelegde bescheiden het bestaan van de door hem gestelde beperkingen ondersteunen. Het bewijs is daarom met die beelden niet geleverd.
6.12 In verband met de beantwoording van de vraag of [A] op en na 22 april 2005 als gevolg van ziekte arbeidsongeschiktheid was voor zijn eigen werk als medewerker postkamer, behoeft de kantonrechter het oordeel van een of meer onafhankelijke deskundigen, zulks mede in het licht van hetgeen tijdens de observaties in opdracht van TLN is waargenomen. Daarbij kan ook worden betrokken, voor het geval die vraag in het nadeel van [A] zou moeten worden beantwoord, of de verrichte observaties in redelijkheid mede noodzakelijk waren om tot die conclusie te komen.
De kosten van de deskundige(n) zullen bij wijze van voorschot gedragen dienen te worden door TLN, als de partij op wie de bewijslast rust.
6.13 In verband het met het voorgaande zal een comparitie van partijen worden gelast waar in ieder geval aan de orde zullen komen:
a. het aantal van de te benoemen deskundigen;
b. het specialisme van de te benoemen deskundigen, waarbij onder meer te denken valt aan een neuroloog en een arbeidsdeskundige;
c. de namen van de te benoemen deskundigen;
d. de aan deze deskundigen voor te leggen vragen;
e. de hoogte van het maximaal redelijke voorschot ten behoeve van het onderzoek door de deskundigen.
6.14 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
LJN BC2228

Deze website maakt gebruik van cookies