Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Den Haag 080114 militair invaliditeitspensioen is schadeverzekering die verrekend mag worden

Rb Den Haag 080114 militair invaliditeitspensioen is schadeverzekering die verrekend mag worden;
- kosten gevorderd en begroot op 10 uur x € 240,-- + BTW + griffierecht, totaal € 3.130,--

4 De beoordeling
Behandeling in een deelgeschilprocedure
4.1.
In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.2.
Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak.

4.3.
Partijen zijn met elkaar in onderhandeling over de schadeomvang. Ten aanzien van diverse schadeposten bestaat nog verschil van mening. Dit geldt met name ten aanzien van de schadepost verlies aan verdienvermogen. Een belangrijk geschilpunt in dat verband betreft de vraag of het militair invaliditeitspensioen van [verzoeker] al dan niet voor verrekening met de schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen in aanmerking komt. Op dit punt is duidelijk sprake van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. In de visie van [verzoeker] dient verrekening immers achterwege te blijven, terwijl Achmea zich uitdrukkelijk op het standpunt stelt dat het invaliditeitspensioen volledig verrekend dient te worden. Beide partijen hebben ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij verwachten dat een rechterlijke uitspraak op dit punt hen in staat zal stellen om de onderhandelingen over de overige geschilpunten weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

4.4.
De rechtbank concludeert, gezien het voorgaande, dat het verzoek een materieelrechtelijk deelgeschil betreft waarvan de beëindiging een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het verzoek voldoet derhalve aan de in artikel 1019w Rv opgenomen criteria.

Inhoudelijke beoordeling
4.5.
Aan de orde is de vraag of de uitkering die [verzoeker] uit hoofde van het militair invaliditeitspensioen ontvangt al dan niet in mindering mag komen op de door Achmea namens Faber aan [verzoeker] te betalen schadevergoeding.

4.6.
De rechtbank stelt voorop dat, indien een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht (artikel 6:100 BW).

4.7.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7808) komt naar voren dat, indien sprake is van letselschade en het gaat om voordeel dat bestaat in een verzekeringsuitkering, verrekening in het algemeen aan de orde kan zijn wanneer de uitkering ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor de partij die zich op de voordeelstoerekening beroept, aansprakelijk is. Terughoudendheid dient te worden betracht in gevallen waarin schade is verzekerd, die rechtens of in de praktijk niet voor (volledige) vergoeding in aanmerking komt. Voorts volgt uit voornoemd arrest, voor zover hier van belang, dat indien de uitkering geschiedt ingevolge een schadeverzekering, verrekening in beginsel op haar plaats zal zijn, mits voldaan is aan de eis dat het om vergoeding van dezelfde schade gaat.

4.8.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitkering van het ABP als een uitkering krachtens een schadeverzekering dient te worden beschouwd. Verweersters hebben bovendien niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken gesteld dat uit de opzet van de Veteranenwet (wet van 11 februari 2012) volgt dat het militair invaliditeitspensioen wordt gezien als een aanvulling op een uitkering als de WIA en dat deze uitkeringen in feite met elkaar gelijk worden gesteld. Op basis hiervan oordeelt de rechtbank dat de uitkering van [verzoeker] uit hoofde van het militair invaliditeitspensioen – evenals een WIA-uitkering – strekt tot vergoeding van inkomensschade ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. (De verzekerde van) Achmea is op grond van artikel 7:658 BW juncto artikel 6:95 BW gehouden tot vergoeding van deze inkomensschade, zodat de uitkering strekt tot vergoeding van dezelfde schade als die waarvoor Faber aansprakelijk is. Derving van inkomen is bovendien schade die rechtens voor volledige vergoeding in aanmerking komt. Dat de uitkering (mede) strekt tot vergoeding van immateriële schade is niet gebleken. De schade bevat derhalve geen componenten die pleiten voor terughoudendheid in het kader van de verrekening. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het militair invaliditeitspensioen in beginsel met de schade verrekend mag worden.

4.9.
De rechtbank ziet in de specifieke omstandigheden van deze zaak geen grond om een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt te rechtvaardigen. In dit verband overweegt de rechtbank dat het invaliditeitspensioen weliswaar verband houdt met de in het verleden door [verzoeker] uitgeoefende militaire functie, maar uit de opgestelde medische rapporten komt naar voren dat niet alleen sprake is van arbeidsongeschiktheid voor het militaire dienstverband, maar ook van beperkingen voor “normale” functies (de rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 2.4. en 2.5.). De bestaande – fysieke en psychische – beperkingen zijn bovendien veroorzaakt, althans geluxeerd, door het bedrijfsongeval dat [verzoeker] op 7 oktober 2004 is overkomen. Gelet hierop is de rechtbank met verweersters van oordeel dat in dit geval voldoende grond voor verrekening bestaat.

4.10.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van [verzoeker] zal worden afgewezen.

Kosten deelgeschil
4.11.
Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

4.12.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] zich in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de deelgeschillenrechter kon wenden en dat de uitkomst van deze procedure [verzoeker] niet op voorhand duidelijk had moeten zijn. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het op dit punt primair door verweersters gevoerde verweer.

4.13.
Mr. Hilhorst heeft aanspraak gemaakt op een bedrag van € 2.856,--. Daarbij is zij uitgegaan van een tijdsbesteding van 10 uur en een uurtarief van € 240,-- (exclusief BTW). Nu verweersters tegen deze kostenopgave geen bezwaar hebben gemaakt en de kosten de rechtbank ook redelijk voorkomen, zal de rechtbank de kosten begroten op het hiervoor genoemde bedrag. Dit bedrag dient nog te worden vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 274,--. De rechtbank begroot de aan deze procedure verbonden kosten derhalve in totaal op een bedrag van € 3.130,--.

4.14.
Nu de aansprakelijkheid van Faber voor de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval vast staat, zal de rechtbank Achmea veroordelen tot betaling van de hiervoor genoemde kosten. ECLI:NL:RBDHA:2014:421

Deze website maakt gebruik van cookies