Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Oost-Brabant 221117 veronderstelde toestemming verleend; echtgenote is aangewezen persoon gelet op wens van wijlen echtgenoot mbt mentorschap

Rb Oost-Brabant 221117veronderstelde toestemming verleend; echtgenote is aangewezen persoon gelet op wens van wijlen echtgenoot mbt mentorschap


De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in discussie of mevrouw [eiseres] recht heeft op inzage van het medisch dossier van haar overleden echtgenoot.

4.2.
Artikel 7:457 lid 1 BW bepaalt, voor zover van belang, dat een hulpverlener (Stichting St. Jozefoord) ervoor zorgdraagt dat aan anderen dan de patiënt (de heer [naam echtgenoot] ) geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van het medisch dossier worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Niet in geschil is dat de heer [naam echtgenoot] geen (uitdrukkelijke) toestemming heeft gegeven tot het verlenen van inzage in of afschrift van zijn medische gegevens na zijn dood. In dat geval blijft dan het beroepsgeheim gelden, tenzij hetzij op grond van concrete aanwijzingen de toestemming van de patiënt moet worden verondersteld (vgl. KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’), hetzij er een zwaarwegend belang is van de nabestaande zelf.

4.3.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken van concrete aanwijzingen dat de heer [naam echtgenoot] aan zijn echtgenote toestemming tot inzage in zijn medisch dossier na zijn dood zou hebben gegeven. Zij komt tot dit oordeel op grond van de navolgende omstandigheden.

4.4.
Allereerst heeft de heer [naam echtgenoot] bij leven zelf getracht inzage in zijn medisch dossier te verkrijgen. Dit blijkt uit de daartoe strekkende sommatie gericht aan Vivent tot afgifte van de medicatielijsten, die is opgesteld door zijn toenmalige raadsvrouwe mr. Bruls. Deze heeft daartoe overigens ook toestemming voor gekregen van de mentor (zie r.o. 2.9). Bovendien heeft mr. Messink, die destijds mr. Bruls opvolgde als raadsvrouwe, onweersproken gesteld dat zij in opdracht van de heer [naam echtgenoot] een conceptdagvaarding heeft opgesteld om afgifte van de medische gegevens in rechte af te dwingen. Zij had echter met de heer [naam echtgenoot] afgesproken met deze procedure te wachten totdat het hoger beroep tegen het mentorschap was afgewikkeld. Verder staat vast dat mevrouw [eiseres] steeds heel nauw betrokken is geweest bij de verzorging van haar echtgenoot. Voorts bieden ook de in r.o. 2.3. t/m 2.5. genoemde machtigingen een ondersteuning voor de veronderstelling dat de heer [naam echtgenoot] die toestemming zou hebben verstrekt. Weliswaar zien de machtigingen niet op de situatie ná zijn overlijden, en is de machtiging van 14 oktober 2015 verstrekt aan Stichting St. Jozefoord, maar dat neemt niet weg dat die machtigingen aanwijzingen vormen dat hij die toestemming gegeven zou hebben. Aan de stelling van Stichting St. Jozefoord dat de wilsbekwaamheid en vrije wilsbepaling van de heer [naam echtgenoot] bij het opstellen van de machtigingen moet worden betwijfeld gelet op diens geestestoestand, wordt voorbijgegaan, nu Stichting St. Jozefoord onvoldoende feitelijk onderbouwd heeft dat de heer [naam echtgenoot] niet in staat is geweest zijn wil op dit punt te bepalen.
Uit hetgeen op de zitting daarover is gesteld, blijkt dat het belang van mevrouw [eiseres] bij inzage in het medisch dossier niet uitsluitend is ingegeven vanuit haar emotionele betrokkenheid of het inlossen van een persoonlijke ereschuld, zoals Stichting St. Jozefoord heeft aangevoerd, maar ook om vast te stellen of jegens haar echtgenoot voldoende zorg is betracht dan wel dat er fouten zijn gemaakt die zouden kunnen leiden tot medisch klachtwaardig handelen of een medische aansprakelijkheid. Het gaat hier niet alleen om de zorg die door Vivent verleend is, maar ook om de door Stichting St. Jozefoord verleende zorg, alwaar de heer [naam echtgenoot] wegens een valincident ribbreuken –of kneuzingen heeft opgelopen en mevrouw [eiseres] zich afvraagt of Stichting St. Jozefoord daarop voldoende adequate zorg heeft geboden. Ook bij de inzage in het medisch dossier gedurende het verblijf bij het verpleeghuis Joachim en Anna bestaat voldoende belang, teneinde te kunnen beoordelen of bij de daarop volgende instelling Vivent voldoende zorg is geboden. Overigens had Joachim en Anna al toestemming tot inzage verleend, maar was informatie uit het (papieren) dossier reeds doorgestuurd naar Vivent, zoals mevrouw [eiseres] onweersproken heeft gesteld.

4.5.
De hiervoor genoemde omstandigheden leiden dus tot de conclusie dat verondersteld moet worden dat de heer [naam echtgenoot] toestemming tot inzage in zijn medisch dossier zou hebben gegeven. Er is ook geen enkele contra-indicatie gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de heer [naam echtgenoot] zijn toestemming mogelijk niet zou hebben gegeven. Uit de aangehaalde beschikking van de rechtbank blijkt dat het de wens van de heer [naam echtgenoot] was dat zijn vrouw als zijn mentor benoemd zou worden.
De omstandigheid dat de rechtbank desondanks mevrouw [eiseres] niet als mentor benoemd heeft vanwege haar emotionele betrokkenheid en de gespannen verhouding tussen mevrouw [eiseres] en de hulpverlening, maakt nog niet dat het niet voor de hand ligt dat mevrouw [eiseres] de aangewezen persoon zou zijn om na het overlijden van de heer [naam echtgenoot] diens veronderstelde wil te behartigen. Ook het daarop gerichte verweer slaagt niet.

4.6.
Nu de toestemming van de heer [naam echtgenoot] verondersteld wordt, ziet de rechtbank geen aanleiding om toewijzing van de vordering te beperken tot inzage door een medisch adviseur.

4.7.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de vordering van mevrouw [eiseres] toewijsbaar is, evenwel met inachtneming van het navolgende. Ingevolge artikel 7:457 BW heeft mevrouw [eiseres] recht op inzage in of afschrift van het medisch dossier, doch geen recht op afgifte van het (originele) medisch dossier. Verder heeft Stichting St. Jozefoord gesteld, dat zij via Vivent wel enige informatie heeft verkregen, maar waarschijnlijk niet het volledige medische dossier. Stichting St. Jozefoord heeft ter zitting toegezegd dat bij toewijzing van de vordering zij hetgeen waarover zij de beschikking heeft zal overleggen. Tot slot acht de rechtbank een termijn van twee weken een redelijke termijn voor afgifte. Gelet daarop zal de vordering van mevrouw [eiseres] op na te melden wijze worden toegewezen. ECLI:NL:RBOBR:2017:6092

Deze website maakt gebruik van cookies