Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOBR 120918 geen aansprakelijkheid gemeente voor hoge dwarsleasie na val van in de buitenlucht geplaatst fitness-apparaat

RBOBR 120918 geen aansprakelijkheid gemeente voor hoge dwarsleasie na val van in de buitenlucht geplaatst fitness-apparaat

De feiten

2.1.
Op 27 augustus 2012 was [eiser] aan het hardlopen in het gebied rond de Oosterplas in ’s‑Hertogenbosch. Daarbij passeerde hij een stuk openbaar terrein, waarop toestellen zijn geplaatst om rek- en strekoefeningen te kunnen doen.

2.2.
Eén van die toestellen is een zogenoemde “sit-up”, een bankje met aan het ene uiteinde twee aan de linker- en rechterzijde uitstekende voetsteunen en bovenop een klein zadel. De bedoeling van het toestel is dat de gebruiker op het zadel plaatsneemt, zijn voeten achter de twee voetsteunen haakt en vervolgens met zijn bovenlichaam van voor/boven naar achter/beneden beweegt.

2.3.
Tijdens de uitvoering van de oefening op de sit-up is [eiser] van het toestel gevallen. [eiser] heeft daarbij een complete dwarslaesie van de vierde nekwervel opgelopen.

2.4.
De betreffende sit-up kent als bouwjaar 2010. Het apparaat is aan de Gemeente geleverd door Nijha B.V. en op 9 juni 2010 door de eigen dienst van de Gemeente geplaatst.

2.5.
[eiser] heeft de Gemeente bij brief van 1 maart 2016 aansprakelijk gesteld voor het ongeval.

2.6.
Achmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Gemeente.

Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, een verklaring voor recht dat de Gemeente c.s. gehouden is de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, met hoofdelijke veroordeling van de Gemeente c.s. in de kosten van dit geding.

3.2.
Aan deze vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag.

Tijdens de oefening op de sit-up gleed de linkervoet van [eiser] van de voetsteun, waardoor hij schuin zijwaarts naar rechts achterover viel en met zijn hoofd de grond raakte.

De sit-up is een roerende zaak in de zin van artikel 6:173 BW en de Gemeente is bezitter.

Voor het geval de sit-up als onroerende zaak moet worden aangemerkt, is het een opstal en beroept [eiser] zich op artikel 6:174 BW. Voor beide situaties geldt dat (de plaatsing van) de sit-up niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden. [eiser] wijst daarbij onder meer op het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (verder: het Was). Ook spelen in het kader van artikel 6:174 BW hier de zogenoemde kelderluikcriteria een rol. Het toestel beschermde niet tegen het gevaar van vallen, terwijl de kans op verwezenlijking daarvan reëel is. Veiligheidsmaatregelen waren dus nodig én mogelijk tegen overkomelijke kosten, aldus [eiser] .

Subsidiair stelt [eiser] dat de Gemeente aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. De Gemeente is immers nalatig gebleven met het treffen van veiligheidsmaatregelen.

Gelet op artikel 7:954 BW heeft [eiser] een directe aanspraak op Achmea.

3.3.
De Gemeente c.s. voert - samengevat - de volgende verweren:

De Gemeente c.s. erkent weliswaar dat [eiser] van het toestel is gevallen, maar de exacte toedracht van deze val en hoe [eiser] precies terecht is gekomen staat volgens de Gemeente c.s. niet vast.

Getoetst moet worden aan artikel 6:173 BW (roerende zaak) en het beroep van [eiser] op dat artikel kan niet slagen. Er is immers geen sprake is van verwezenlijking van een bijzonder gevaar als bedoeld in dat artikel. De sit-up voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De Gemeente hoefde niet te waarschuwen voor de mogelijkheid van vallen, ook niet bij nat weer, én in redelijkheid was dat niet van haar te verlangen. Bovendien gaat het beroep van [eiser] op het Was niet op.

De Gemeente betwist verder onrechtmatig te hebben gehandeld. Van nalatigheid met het treffen van veiligheidsmaatregelen is geen sprake.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

4.1.
Zowel voor aansprakelijkheid voor roerende zaken op grond van artikel 6:173 BW als voor aansprakelijkheid voor onroerende zaken als bedoeld in artikel 6:174 BW geldt, dat sprake moet zijn van een gebrek in die zin, dat de betreffende zaak niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Het gebrek moet een gevaar (en in geval van roerende zaken: een bijzonder gevaar) voor personen of zaken opleveren.

4.2.
In verband met de subsidiair aangevoerde grondslag (artikel 6:162 BW) geldt het volgende. Bij beantwoording van de vraag of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt - en of derhalve het achterwege laten van die maatregelen in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed - moet worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (vgl. HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 Kelderluik; en voorts onder meer ECLI:NL:HR:2004:AO4224 en ECLI:NL:HR:2013:47).

4.3.
Binnen deze kaders heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat de Gemeente c.s. aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en zij overweegt daartoe als volgt.

4.4.
Ten eerste maakt [eiser] de Gemeente concreet het verwijt dat er ten tijde van het ongeval geen gebruiksaanwijzing bij de sit-up aanwezig was. Deze omstandigheid kan echter niet tot aansprakelijkheid van de Gemeente c.s. op de genoemde grondslagen leiden. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [eiser] de sit-up op correcte wijze heeft gebruik. Hij heeft de buikspieroefening waarvoor de sit-up bedoeld is, goed uitgevoerd. Het ontbreken van een handleiding heeft daarom geen invloed gehad op het ongeval. Het is daarmee niet een omstandigheid die kan meewegen bij de beoordeling van de vraag of de sit-up gebrekkig is in voormelde zin en of op dit punt de Gemeente aanvullende veiligheidsmaatregelen had moeten nemen. In het midden kan dan blijven of de handleiding inderdaad ontbrak, wat de Gemeente c.s. gemotiveerd heeft betwist.

4.5.
Verder verwijt [eiser] de Gemeente in de dagvaarding dat er geen algemene waarschuwing voor valgevaar bij de sit-up stond vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook deze stelling [eiser] niet baten. [eiser] werkt dit onderdeel van zijn betoog in de dagvaarding niet concreet uit. Ter zitting licht [eiser] dit punt enkel toe door te stellen dat het bijvoorbeeld zinvol kan zijn om erop te wijzen dat de voetsteun of het zadel nat en dus glad kunnen zijn en dat gewaarschuwd had kunnen worden dat je op het toestel makkelijk je evenwicht kunt verliezen. De rechtbank acht deze toelichting onvoldoende. De voorgestelde waarschuwingen zijn zo algemeen en vanzelfsprekend, dat ze niet als relevante en noodzakelijke waarschuwingen ten aanzien van het gebruik van de sit-up kunnen worden aangemerkt. Terecht merkt de Gemeente c.s. ook op dat je van elk object met een hoogte zoals die van de sit-up (41 cm) kunt vallen.

[eiser] maakt bovendien onvoldoende duidelijk dat deze gestelde normschending relevant is geweest voor de verwezenlijking van het ongeval dat hem is overkomen. [eiser] stelt immers niet dat hij de oefening niet of dat hij de oefening anders zou hebben uitgevoegd als de door hem genoemde algemene val-waarschuwingen waren vermeld.

De rechtbank concludeert daarom ook ten aanzien van dit verwijt dat het in deze zaak niet een relevante omstandigheid betreft die kan leiden tot het oordeel dat de sit-up gebrekkig is als bedoeld in artikel 6:173 of 6:174 BW. Ook is hierin geen aansprakelijkheid van de Gemeente c.s. op grond van artikel 6:162 BW gelegen.

4.6.
De kern van de zaak is het verwijt van [eiser] , inhoudende dat de sit-up op zichzelf gebrekkig is. Er hadden volgens [eiser] aanvullende beschermende maatregelen aan de sit-up moeten worden getroffen. De sit-up zou volgens [eiser] moeten worden geconstrueerd zoals een dergelijk fitness-apparaat ook in alle sportcentra wordt gebruikt; dus met een gepolsterde steun in de knieën en een gepolsterde steun bij de voetwreef. Ook zouden de voetsteunen moeten zijn voorzien van riempjes waarmee de voeten kunnen worden vastgezet, had het zadel langgerekter moeten zijn en/of had het zadel moeten zijn uitgerust met een verende rugleuning. Volgens [eiser] is de prijs van deze maatregelen niet zo hoog dat ze redelijkerwijs niet van de Gemeente gevergd kunnen worden.

De Gemeente c.s. heeft in reactie hierop gesteld dat de sit-up een Tüv-certificaat heeft, waaruit blijkt dat de sit-up is getest aan de norm NEN-EN 16630, die van toepassing is op openlucht fitnessapparatuur. De sit-up voldoet volgens de Gemeente c.s. aan de eisen die daaraan gesteld worden. Daarbij stelt de Gemeente c.s. onder meer dat de sit-up op een grasveld is geplaatst. Op grond van voornoemde NEN-norm mag gras als ondergrond gebruikt worden tot een valhoogte van 1,5 meter, terwijl de sit-up maar 41 cm hoog is. Verder betwist de Gemeente c.s. dat het gebruikelijk is dat er meer steunen en dergelijke aan de sit-up zouden moeten zitten zoals [eiser] heeft betoogd. Een riempje om je voeten vast te zetten is volgens de Gemeente c.s. geen oplossing. Als je voeten vast zitten, breek je je enkels als je ervan afvalt.

4.7.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat de sit-up zelf niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Zij stelt daarbij voorop dat de sit-up waar het in deze zaak om gaat een Tüv-goedkeuring heeft. Het Tüv is een onafhankelijke organisatie die onderzoekt of een product, dienst, proces of organisatie voldoet aan eisen die worden gesteld in wetgeving, normen en keurmerken. [eiser] heeft niet gesteld dat de sit-up ten onrechte deze Tüv-goedkeuring heeft gekregen. Wel stelt [eiser] zich op het standpunt dat de NEN-normen waaraan het Tüv heeft getoetst, niet zijn gericht op de onderhavige sit-up en daarvoor ook niet specifiek genoeg zijn. De NEN-norm geeft volgens [eiser] immers niet aan voor welke toestellen of in welke situaties de door hem bepleite beschermende maatregelen (voetsteunen, rugsteun et cetera) gebruikt moeten worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] echter onvoldoende gemotiveerd gesteld dát die gestelde beschermende maatregelen in dit geval van de Gemeente verwacht mochten worden. [eiser] stelt weliswaar dat de door hem genoemde maatregelen te vinden zijn op afbeeldingen op internet van vergelijkbare toestellen als de sit-up, die in sportscholen worden gebruikt. Hij maakt echter onvoldoende duidelijk in hoeverre die maatregelen gebruikelijk zijn voor dergelijke fitness-apparaten en of die maatregelen bedoeld zijn in het kader van veiligheid of in het kader van comfort. Temeer had een nadere toelichting van [eiser] op dit punt mogen worden verwacht, omdat het in deze zaak gaat om een openlucht fitnessapparaat bestemd voor publiek gebruik. Dat stelt andere eisen aan het apparaat op het punt van onderhoud en duurzaamheid (“hufter-proof”) dan aan een apparaat dat in een sportschool wordt gebruikt.

Voorts acht de rechtbank van belang dat een ongeval als dat van [eiser] met de gevolgen die het voor hem heeft gehad als een grote zeldzaamheid moet worden bestempeld. [eiser] zelf heeft niet inzichtelijk gemaakt hoeveel ongevallen er met het gebruik van fitness-apparaten als de sit-up gebeuren. De Gemeente c.s. stelt op dat punt dat zij in de acht jaar sinds de plaatsing van de sit-up naast het geval van [eiser] slechts één andere aansprakelijkstelling heeft ontvangen en dat ging om tot een ongeval van een kind dat van de schommel is gevallen.

4.8.
Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat aanpassingen als door [eiser] geschetst van de Gemeente mochten worden verwacht. Het bestaan van een gebrek als bedoeld in artikel 6:173/174 BW kan dan ook niet worden aangenomen. Daarnaast is dan van een onrechtmatige gevaarzettende situatie rond de sit-up geen sprake. [eiser] kan immers niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Gemeente nalatig is geweest met het treffen van veiligheidsmaatregelen.

De rechtbank concludeert dat het ongeval dat [eiser] is overkomen en de buitengewoon nare gevolgen die dit ongeval helaas voor hem heeft gehad (en nog altijd heeft), te wijten zijn aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden. ECLI:NL:RBOBR:2018:4414

Deze website maakt gebruik van cookies