Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBROT 020318 producent aansprakelijk voor exploderende fles Moscato Fiorelli Spumante

RBROT 020318 producent aansprakelijk voor exploderende fles Moscato Fiorelli Spumante 
- kosten gevorderd 44,5 uur x 240,00; toegewezen 41 uur x 200 (+6 +21%)

2 De feiten
2.1.
Aan [woonplaats] , geboren [geboortedatum] , is op 6 oktober 2012 in de woning van een vriend, [persoon 1] , een ongeval overkomen. Een eveneens daar aanwezige vriendin probeerde een fles wijn van het merk Moscato Fiorelli Spumante (hierna: de fles) te ontkurken. Het betrof een champagnekurk vastgeklemd door een ijzeren kapje, op de fles bevestigd met metalen draden. Toen het ontkurken niet lukte, heeft zij de hulp ingeroepen van [woonplaats] . Op het moment dat [woonplaats] probeerde de fles te ontkurken, is deze uit elkaar gesprongen, zodat glassplinters werden verspreid.

2.2.
Als gevolg van het ongeval, in het bijzonder de glassplinters, heeft [woonplaats] letsel opgelopen aan haar linker onderarm in de vorm van een -waarschijnlijk complete- doorsnijding van de nervus medianus.

2.3.
Het medisch advies d.d. 21 december 2015 van [persoon 2] , internist, luidt onder meer:

“Er is een eindsituatie. De schade kan geregeld worden op basis van 35 % b.i. BE = 21 % b.i. gehele persoon met daarnaast de effecten van de niet geringe beperkingen.

Er resteren belangrijke beperkingen waarbij de vrijwel volledig uitgevallen sensibiliteit de belangrijkste oorzaak is : onzekerheid bij het gebruik van de Li hand, coördinatiestoornissen, een ernstige koude-intolerantie waardoor een noodzaak ontstaat tot het dragen van een handschoen, een verhoogd risico op verwonding tgv het ontbreken van waarschuwingssignalen, een risico dat zich al heeft geconcretiseerd in de vorm van brandwonden aan de vingertoppen. Het hanteren van kleine voorwerpen is feitelijk niet mogelijk, het hanteren van grotere of zware voorwerpen is ten gevolge van de sterk verminderde oppositiemogelijkheid en kracht risicovol.

Deze beperkingen doen zich voor bij ADL, in het dagelijks leven en bij arbeid.”

2.4.
Op het etiket van de fles is het merk waarvan Colonna Toso houdster is aangebracht, en staat ook T.P. vermeld. De fles is gekocht bij [bedrijf 1] in Molenaarsgraaf. De fabrikant van de fles is Veralia. De producent van de wijn, die de wijn eveneens heeft gebotteld, is Colonna Toso. De fles is door Colonna Toso geleverd aan DGS die de fles aan [bedrijf 1] heeft geleverd.

2.5.
[woonplaats] heeft het ongeval gemeld bij DGS. Op haar beurt heeft DGS het ongeval gemeld bij Colonna Toso.

2.6.
Een expertiserapport van Centro Perizie Cuneo d.d. 15 april 2013 luidt onder meer (in de Nederlandse vertaling):

“Conclusies

De breuk is veroorzaakt door een snede die is ontstaan tijdens de warme bewerkingsoperatie van de fles; deze snede heeft als versterker gewerkt van de lichte spanningen die veroorzaakt zijn tijdens het kurken/ontkurken.

(...)

Nauwkeurig vermeldt het rapport: "...., de breuk heeft zich voorgedaan door een snede die is ontstaan tijdens de warme bewerkingsoperatie van de fles..."

Dat betekent dat er sprake is van een fabricagefout van de fles die zich, naar alle waarschijnlijkheid, tijdens de koelingsfase heeft voorgedaan en, in ieder geval, in de productiefabriek van Verallia St. Gobain Vetri Spa."

2.7.
Colonna Toso heeft haar verzekeraar ingeschakeld (UnipolSai, voorheen Fondiaria-Sai). Deze verzekeraar heeft in juli 2013 schaderegelaar Dekra verzocht om namens haar tot een regeling met [woonplaats] te komen met betrekking tot de door haar geleden schade. Dekra heeft aan [woonplaats] voorschotten uitbetaald tot een bedrag van € 24.800, maar verdere voorschotten geweigerd.

2.8.
Per e-mail van 26 augustus 2015 heeft Amlin als verzekeraar van Colonna Toso aan mr. Van de Watering onder meer bericht :

“Op basis van de aanvullende informatie van onze verzekerde, moeten wij u toch doorverwijzen naar de producent van het glaswerk/fles. Dit is de firma Glasswork Veralia (St. Gobain Group).”

2.9.
Per brief van 19 oktober 2016 heeft [woonplaats] Veralia aansprakelijk gesteld voor de door [woonplaats] geleden schade.

3 Het verzoek
3.1.
Het (aangevulde/gewijzigde) verzoek van [woonplaats] luidt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I te bepalen dat DGS hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [woonplaats] ten gevolge van het ongeval van 6 oktober 2012 geleden en nog te lijden schade;

II te bepalen dat Colonna Toso hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [woonplaats] ten gevolge van het ongeval van 6 oktober 2012 geleden en nog te lijden schade;

III te bepalen dat Veralia hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [woonplaats] ten gevolge van het ongeval van 6 oktober 2012 geleden en nog te lijden schade;

IV te bepalen dat DGS c.s. de schade van [woonplaats] conform Nederlands recht aan haar zullen vergoeden en dat DGS c.s. gehouden zijn een Nederlands schaderegelingsbureau hiervoor in te schakelen;

V te bepalen dat door DGS c.s. een totaalbedrag van € 25.000 als voorschot op de schade aan [woonplaats] wordt voldaan, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

VI te bepalen dat door DGS c.s. een totaalbedrag van € 7.500 als voorschot aan de advocaat van [woonplaats] wordt voldaan, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

VII de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten op € 15.220,02, vermeerderd met het vast recht, dit met veroordeling van DGS en/of Colonna Toso en/of Veralia tot betaling aan [woonplaats] van de kosten van deze procedure.

3.2.
Het verweer van DGS strekt tot afwijzing van de verzoeken.

3.3.
Het verweer van Colonna Toso strekt tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [woonplaats] in de kosten van deze procedure.

3.4.
Het verweer van Veralia strekt tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [woonplaats] in de kosten aan de zijde van Veralia

3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is, terecht, niet in geschil, dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is van dit geschil kennis te nemen en dat daarop Nederlands recht van toepassing is.

4.2.
[woonplaats] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen als en voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3.
DGS c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken van [woonplaats] zich niet lenen voor behandeling in deelgeschil. Daartoe heeft DGS c.s. het volgende aangevoerd. De procedure is te complex voor behandeling in deelgeschil. Het betreft vier verschillende verweersters, waarvan er drie in het buitenland zijn gevestigd. Het geschil wordt in volle omvang aan de rechtbank voorgelegd. Voorts is nader onderzoek nodig naar de gebrekkigheid van de fles en de toedracht van het ongeval.

4.4.
Zoals volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen, is naar oordeel van de rechtbank geen (nadere) bewijslevering nodig voor de vaststelling van de gebrekkigheid van de fles en evenmin naar de toedracht van het ongeval, voor zover voor het onderhavige verzoek relevant.

Voorts acht de rechtbank de verzoeken niet te complex voor behandeling in deelgeschil. Het betreft hier één enkel (overzichtelijk) ongeval. Weliswaar zijn in deze procedure meerdere, deels buitenlandse, verweersters opgeroepen, maar zij zijn alle gevestigd in de EU, zodat de toepasselijke regelgeving gelijk is voor alle verweersters en zij hebben grotendeels gelijksoortige verweren gevoerd.

De beslissing op het verzoek tot vaststelling van de aansprakelijkheid en, bij wijze van voorschot, de schade kan bovendien bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.5.
[woonplaats] grondt haar vordering jegens DGS, Colonna Toso en Veralia (primair) op productaansprakelijkheid (artikel 6:185 BW). Daartoe stelt zij dat de fles een gebrekkig product is waarvoor de producent aansprakelijk is. Colonna Toso en Veralia gelden als producent van de fles (artikel 6:187 lid 2 BW). DGS heeft de fles in de Europese Economische ruimte ingevoerd en wordt beschouwd als de producent (artikel 6:187 lid 3 BW). [woonplaats] grondt haar vordering jegens DGS subsidiair, voor zover DGS niet kan worden beschouwd als producent in de zin van artikel 6:187 lid 3 BW, op artikel 6:162 BW. Daartoe stelt zij, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2002 (ECLI:NL:HR:2002:ZE7005), dat een distributeur aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad indien hij een gebrekkig product in het verkeer brengt.

vordering jegens DSG

4.6.
Vast staat dat DGS geen producent in de zin van art. 6:187 lid 2 BW is. DGS betwist dat zij als producent van de fles in de zin van artikel 6:187 lid 3 BW is aan te merken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij de wijn en de fles niet heeft geproduceerd; haar rol is dat zij gebottelde wijn distribueert van Toso in Italië naar de [bedrijf 1] in Nederland, zodat weliswaar sprake is van import, doch binnen de EU.

4.7.
Dit verweer van DGS slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat de fles (net als de wijn) is geproduceerd in Italië en dus binnen de Europese Economische Ruimte als bedoeld in artikel 6:187 lid 3 BW. [woonplaats] kan daarom de door haar geleden schade niet op DGS verhalen op grond van productaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:185 BW.

4.8.
DGS heeft met betrekking tot de subsidiaire grondslag (artikel 6:162 BW) aangevoerd dat daarvoor vereist is, naast het in het verkeer brengen van een gebrekkig product, een daad die aan de dader kan worden toegerekend. Daarvan is in dit geval geen sprake.

4.9.
Ook dit verweer slaagt. De rechtbank verwerpt het betoog van [woonplaats] dat een distributeur onrechtmatig handelt in de zin van artikel 6:162 BW enkel door het in het verkeer brengen (binnen de EER) van een product. Dit volgt niet uit het door [woonplaats] aangehaalde arrest. In dat arrest is weliswaar sprake van een vordering uit hoofde van productaansprakelijkheid gebaseerd op onrechtmatige daad en niet op een specifieke productaansprakelijkheidsbepaling, maar, op de zaak die in dit arrest aan de orde was, was het voor 1992 geldend burgerlijk recht van toepassing dat geen specifieke productaansprakelijkheidsbepaling bevatte. Met het invoeren van de huidige wetgeving (artt. 6:185 - 6:192 BW) , die gebaseerd is op Unieregels, heeft de wetgever voorzien in een wijziging van het daarvoor geldende recht. De verantwoordelijkheid voor gebrekkige producten is gekanaliseerd in die zin dat, bij binnen de EER geproduceerde zaken als hier aan de orde, in beginsel de producent (risico-)aansprakelijk is. Voor aansprakelijkheid op basis van art. 6:162 BW zou [woonplaats] moeten stellen en bewijzen dat DGS schuld heeft dan wel dat sprake is van een oorzaak die krachtens de wet of maatschappelijke opvattingen voor haar rekening komt. De enkele stelling dat het hier een gebrekkige fles betrof is daartoe niet voldoende. Nu bovendien de daadwerkelijke producent van de fles bekend is, behoeft de vraag in hoeverre nog een aanvullende rol is weggelegd voor het commune onrechtmatige-daads-recht in dit deelgeschil geen beantwoording.

4.10.
De conclusie uit het voorgaande is dat de verzoeken van [woonplaats] jegens DGS zullen worden afgewezen.

vordering jegens Colonna Toso en Veralia

4.11.
Veralia heeft als verstrekkendste verweer aangevoerd dat de vordering jegens haar is verjaard. Daartoe heeft zij het volgende gesteld. De vordering die wordt gegrond op artikel 6:185 BW verjaart na drie jaar gerekend vanaf de dag na de dag waarop [woonplaats] bekend is geworden of had moeten worden met de schade, met het gebrek en met de identiteit van de producent. Het ongeval vond plaats op 6 oktober 2012. Op die dag is [woonplaats] bekend geworden met de schade en het gebrek. Veralia is pas per oproeping van 13 september 2017 in dit geding betrokken. [woonplaats] had zich echter in de periode vóór 13 september 2014 moeten realiseren dat zij ook de producent van de fles aansprakelijk had kunnen stellen. [woonplaats] had vanaf kort na het ongeval tot medio 2013 regelmatig contact met DGS, die op haar beurt contact had met Colonna Toso, zodat het voor haar niet moeilijk was de identiteit van de producent van de fles te achterhalen.

4.12.
[woonplaats] heeft aangevoerd dat zij eerst door de e-mail van 26 augustus 2015 van Amlin op de hoogte is geraakt van de identiteit van de producent van de fles en dat zij binnen drie jaar vanaf dat moment Veralia aansprakelijk heeft gesteld.

4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van [woonplaats] jegens Veralia niet verjaard. Veralia heeft de ontvangstdatum noch de inhoud van de e-mail van 26 augustus 2015 van Amlin betwist. Uit die e-mail blijkt dat [woonplaats] eerst per die datum met de identiteit van de producent van de fles (Veralia) bekend is geworden. Die identiteit was daarvoor voor haar niet zonder meer kenbaar (deze staat ook niet op de fles). Uit de feitelijke gang van zaken (zie 2.7 en 2.8) blijkt, dat er voor [woonplaats] tot aan die mail geen aanleiding bestond om nader onderzoek te doen naar die identiteit. De enkele omstandigheid dat [woonplaats] die mogelijk eerder had kunnen achterhalen is onvoldoende voor het oordeel dat de verjaringstermijn eerder is aangevangen. [woonplaats] heeft Veralia vervolgens binnen drie jaar na de datum van de e-mail aansprakelijk gesteld.

4.14.
Zowel de vordering jegens Colonna Toso als die jegens Veralia is gebaseerd op productaansprakelijkheid. [woonplaats] moet de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewijzen.

4.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat Colonna Toso en Veralia als de producent van de fles wijn respectievelijk het glas waaruit de fles was gefabriceerd hebben te gelden.

4.16.
Een product is gebrekkig indien het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder de presentatie van het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product en het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht.

4.17.
Van een fles, ook een fles die, zoals bij mousserende wijn gebruikelijk, onder druk staat, mag verwacht worden dat deze niet uit elkaar springt indien deze wordt ontkurkt. Dat is hier wel gebeurd. In beginsel kan er daarmee vanuit gegaan worden dat de fles gebrekkig is.

4.18.
De door [woonplaats] gestelde toedracht van het ongeval is echter door Colonna Toso en Veralia betwist. Colonna Toso en Veralia hebben aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [woonplaats] de fles niet op normale wijze heeft ontkurkt en dat om die reden de fles uit elkaar is gesprongen.

4.19.
Indien vaststaat dat [woonplaats] de fles die uit elkaar is gesprongen op normale wijze trachtte te openen, ligt in deze toedracht besloten dat de schade is veroorzaakt door een gebrek van de fles, behoudens de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waaruit iets anders zou volgen en behoudens door de producent te leveren tegenbewijs (HR 24 december 1993, NJ 1994, 214 – Leebeek/Vrumona).

4.20.
Mede tegen de achtergrond van de door [woonplaats] in het geding gebrachte bescheiden, met name de verklaring van de heer Mennema en het expertiserapport van Centro Perizie Cuneo die de door haar gestelde toedracht ondersteunen, hebben Colonna Toso en Veralia onvoldoende door het aandragen van concrete feiten en/of relevante omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de door [woonplaats] gestelde toedracht onjuist is. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat onder normaal gebruik van de fles dient te worden verstaan alle redelijkerwijs te verwachten gebruik van de fles. In dit geval is te verwachten dat voor zover een champagnekurk niet van de fles loskomt als er tegen geduwd wordt de gebruiker op andere wijze kracht op de kurk uitoefent en die eventueel met eenvoudige gereedschappen probeert te verwijderen. Zelfs als dus [woonplaats] een tang zou hebben gebruikt, waarvoor overigens geen enkele concrete aanwijzing bestaat, zou dat voor het oordeel geen verschil maken.

Dat [woonplaats] met de fles tegen iets aan zou hebben geslagen heeft zij betwist; dit is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en ligt ook, voor een ervaren gebruiker van dergelijke flessen als [woonplaats] onbetwist was (zij dronk deze wijn, in deze flessen, graag en vaker), niet voor de hand.

4.21.
Tussen partijen is niet in geschil dat [woonplaats] als gevolg van het uit elkaar springen van de fles en de daardoor rondvliegende glassplinters letsel heeft opgelopen. Derhalve is sprake van schade veroorzaakt door een gebrek in de fles.

4.22.
De conclusie uit het vorenoverwogene is dat Colonna Toso en Veralia aansprakelijk zijn voor de door het uit elkaar springen van de fles veroorzaakte schade. Uit het rapport (zie 2.6) blijkt niet zonder meer of het glas als zodanig gebrekkig was, of dat sprake was van een productiefout van de fles met op zichzelf deugdelijk glas. Ook is niet duidelijk of het bottelen nog een rol heeft gespeeld in het kader van het uiteindelijke ongeval. Dat is echter voor de onderhavige beslissing niet van belang. Op grond van artikel 6:189 BW zijn Colonna Toso en Veralia hoofdelijk aansprakelijk.

4.23.
[woonplaats] heeft de door haar geleden schade begroot op een bedrag van € 198.194. De begrote schade bestaat uit de posten smartengeld (€ 35.000), verlies aan arbeidsvermogen t/m 2028 (€ 114.360), huishoudelijke hulp (€ 36.825) medische kosten (€ 270), verlies aan zelfwerkzaamheid t/m 2032 (€ 5.194), reis- en parkeerkosten (€ 2.250) en overige schade (€ 4.295). [woonplaats] verzoekt een voorschot op de door haar geleden schade van € 25.000.

4.24.
Toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in deze procedure vereist dat vast staat dat [woonplaats] minimaal ter hoogte van het toe te wijzen bedrag, en rekening houdend met de reeds uitgekeerde voorschotten, schade heeft geleden dan wel zal lijden. De omvang van de schade moet worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden.

Voorts dient aannemelijk te zijn dat een oordeel in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

4.25.
De rechtbank zal het verzoek om een voorschot toewijzen tot een bedrag van € 5.000, nu aannemelijk is dat een oordeel in de bodemprocedure wegens de penibele financiële situatie van [woonplaats] niet kan worden afgewacht. Bij deze begroting houdt de rechtbank er rekening mee dat aan [woonplaats] reeds voorschotten zijn uitbetaald tot een bedrag van € 24.800. Dat nu reeds meer schade is geleden dan € 29.800 is niet voldoende aannemelijk en dat de bodemrechter, later oordelend, (gekapitaliseerde) schade tot een hoger bedrag zal toewijzen evenmin. De rechtbank acht, gelet op de aard en ernst van het letsel, de leeftijd van [woonplaats] en haar inkomsten voorafgaand aan het ongeval, de schadeposten smartengeld, verlies aan arbeidsvermogen, huishoudelijke hulp en verlies aan zelfwerkzaamheid in het onderhavige geval te ruim begroot. In het bijzonder is de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen en de huishoudelijke hulp thans onvoldoende aannemelijk, vanwege de aard van de voor het ongeval verrichte (huishoudelijke) werkzaamheden, de omstandigheid dat die kennelijk fiscaal niet verantwoord werden en het verschil met de situatie waarin [woonplaats] een uitkering zou ontvangen.

4.26.
Het verzoek sub IV (om te bepalen dat DGS c.s. de schade van [woonplaats] conform Nederlands recht aan haar zullen vergoeden en dat DGS c.s. gehouden zijn een Nederlands schaderegelingsbureau hiervoor in te schakelen) zal worden afgewezen, nu dit verzoek voor wat betreft het tweede deel -het inschakelen van een Nederlands bureau- geen steun vindt in de wet. Voor het eerste deel is in deze zaak, waar vast staat dat Nederlands recht van toepassing is, geen aparte veroordeling nodig.

vordering jegens T.P.

4.27.
T.P is in de zaak betrokken in verband met een ter zitting van 26 juni 2017 namens DGS c.s. gedane mededeling dat zij een separate vennootschap, behorend tot de groep van Colonna Toso is, die wegens de vermelding op het etiket als producent moet worden aangemerkt. T.P. is niet verschenen, ondanks dat zij met inachtneming van de wettelijke formaliteiten is opgeroepen om in dit geding te verschijnen. Het verzoek jegens haar zal als niet gemotiveerd weersproken worden toegewezen met inachtneming van hetgeen daarover hiervoor ten aanzien van Colonna Toso is overwogen.

(proces)kosten

4.28.
[woonplaats] heeft verzocht de kosten van deze procedure te begroten overeenkomstig artikel 1019aa Rv. [woonplaats] begroot deze kosten op een bedrag van in totaal € 15.220,02, gebaseerd op 44,42 door haar advocaat gewerkte uren tegen een uurtarief van € 240, verhoogd met 6% kantoorkosten en vermeerderd met reeds voldane verschotten. Voorts verzoekt [woonplaats] om een voorschot aan haar advocaat van een bedrag van € 7.500.

4.29.
Colonna Toso en Veralia achten het door mr. Van der Watering gehanteerde uurtarief niet redelijk. Voorts achten zij de omvang van de werkzaamheden niet redelijk.

4.30.
De kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vraag of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is. Dat het maken van de kosten redelijk is acht de rechtbank evident, gelet op het vastlopen van buitengerechtelijk onderhandelingstraject.

4.31.
Voor wat betreft het uurtarief acht de rechtbank, gelet op de complexiteit van de zaak en de werkervaring (advocaat sinds 2011) en het specialisme van mr. Van de Watering een uurtarief van € 200,00 en de na te noemen advocatenuren in het kader van dit deelgeschil redelijk. Een opslag van 6% voor kantoorkosten is een gebruikelijke opslag.

4.32.
De rechtbank begroot in redelijkheid de kosten voor de buitengerechtelijke behandeling op 25 uur en de kosten van dit deelgeschil op 16 uur, inclusief behandelingen ter zitting en reistijd.

Dit betekent dat deze dat de kosten voor de buitengerechtelijke behandeling worden begroot op € 5.000 (25 uren x € 200), plus 6% kantoorkosten (€ 300), vermeerderd met 21% BTW (€ 1.113), derhalve € 6.413.

De kosten van dit deelgeschil in engere zin worden begroot op € 3.200 (16 uren x € 200), plus 6% kantoorkosten (€ 192), vermeerderd met 21% BTW (€ 712,32), vermeerderd met het door [woonplaats] betaalde griffiegeld van € 287,00 en verschotten van € 533,80, derhalve op een bedrag van in totaal € 4.925,12.

4.33.
Het verzoek tot betaling van een voorschot van € 7.500 aan de advocaat van [woonplaats] zal worden afgewezen. De rechtbank acht voor een dergelijk voorschot geen rechtsgrond aanwezig, gelet op de onder 4.31 bedoelde veroordeling enerzijds en de omstandigheid dat [woonplaats] procedeert op basis van een toevoeging anderzijds. ECLI:NL:RBROT:2018:2407

Deze website maakt gebruik van cookies