Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 040712 whiplash, ongeval 1998; schending zorgvuldigheidseisen waardoor beperkte betekenis deskundigenrapp.; resterend rapport noopt tot afwijzing

Rb Rotterdam 040712 whiplash, ongeval 1998;
- pre-existente psychische klachten; geen causaal verband tussen ongeval en arbeidsongeschiktheid;
schending zorgvuldigheidseisen waardoor beperkte betekenis deskundigenrapporten; resterend rapport noopt tot afwijzing 
- kosten; 4 1/2 uur in mindering; uurtarief € 250,00 ipv € 280,00; 22,2 uren x € 250,00 + 6% + 19%

2.  De vaststaande feiten 
(volgt uitgebreide bespreking van 2 neurologische en 1 psychiatrische rapportage)

3.  Het geschil 
3.1.  Het verzoek, zoals dat uit het verzoekschrift is af te leiden en ter zitting is toegelicht, strekt er -in essentie- toe voor recht te verklaren dat de gestelde klachten en beperkingen, alsmede de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid, aan het ongeval moeten worden toegerekend, zulks onder begroting van en veroordeling in de redelijke kosten van het onderhavige geschil. 

3.2.  Allianz voert verweer, dat strekt tot afwijzing van het verzoek, kosten rechtens. 

3.3.  Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 

4.  De beoordeling 
4.1.  [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. 

Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade 

4.2.  Aan het verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat zij sedert en ten gevolge van het ongeval lijdt aan whiplashklachten, zich uitend in (onder meer) persisterende hoofd- en nekpijnen, duizelingen, evenwichtstoornissen, concentratiestoornissen, geheugenverlies en chronische vermoeidheid, met als gevolg dat zij wordt beperkt in (onder meer) het uitoefenen van haar beroepsmogelijkheden en arbeidsongeschikt is geraakt. 

4.3.  Allianz betwist dat sprake is van causaal verband tussen de gestelde klachten en beperkingen en het ongeval. In dat verband stelt Allianz dat uit de overgelegde medische informatie valt af te leiden dat [verzoekster] vóór het ongeval al klachten had, althans dat [verzoekster] door het ongeval geen beperkingen ondervindt. Voorts betwist Allianz dat sprake is van zodanige klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval dat die leiden tot schade in het verdienvermogen van [verzoekster]. 

4.4.  Vooropgesteld wordt dat het op de weg van [verzoekster] ligt om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat er sprake is van causaliteit tussen het ongeval en de door haar gestelde en gepresenteerde klachten. Als die causaliteit komt vast te staan, dient vervolgens beoordeeld te worden of en in hoeverre de klachten leiden tot beperkingen en daarmee tot aantasting van het verdienvermogen van [verzoekster]. Aan dit bewijs kunnen in een geval als het onderhavige geen al te hoge eisen worden gesteld. Inherent aan whiplashklachten is immers dat deze moeilijk objectiveerbaar zijn, omdat bij deze klachten een anatomisch substraat ontbreekt, dat wil zeggen dat de klachten veelal niet aantoonbaar zijn op medisch beeldmateriaal. De medische beoordeling van het bestaan van deze klachten berust daarom vooral op de anamnese van de patiënt. Enige objectivering van de -subjectieve- klachten is echter wel vereist. Daarvoor is voldoende dat bij zorgvuldige beoordeling van alle informatie kan worden vastgesteld dat aannemelijk is dat de klachten reëel, niet ingebeeld en niet overdreven zijn. 

4.5.  [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat op grond van de overgelegde medische informatie, in het bijzonder de deskundigenrapporten van [zenuwarts], [neuroloog 2] en [neuroloog 3], de door haar gestelde klachten en beperkingen en het causaal verband tussen die klachten en beperkingen en het ongeval zijn aangetoond. De rechtbank overweegt als volgt. 

4.6.  Bij de waardering van voormelde deskundigenrapporten heeft als uitgangspunt te gelden dat dergelijke rapporten in beginsel tot bewijs kunnen dienen, ook wanneer zij niet op de wijze als omschreven in de artikelen 194 e.v. Rv tot stand zijn gekomen. De waarde die aan deze deskundigenrapporten kan worden toegekend, staat ter discretie van de rechtbank, waarbij vooropgesteld wordt dat nu partijen tijdens de buitengerechtelijke onderhandelingen in gezamenlijk overleg hebben besloten tot een psychiatrische en neurologische expertise, waarbij beide partijen zich hebben kunnen uitlaten over de persoon van de deskundigen en de aan dezen te stellen vragen, en deze expertises als afronding van het (causaliteits)debat tussen partijen waren bedoeld, er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen de aldus tot stand gekomen rapporten moeten zijn, wil de rechter aan wie de vraag naar het causale verband tussen het ongeval en de klachten en beperkingen uiteindelijk wordt voorgelegd, besluiten dat hij dergelijke rapporten naast zich neerlegt. 

4.7.  Ten aanzien van het rapport van [zenuwarts] beroept Allianz zich op schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Met Allianz is de rechtbank van oordeel dat het rapport van [zenuwarts] niet is tot stand gekomen op een wijze die voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. [zenuwarts] heeft zijn conceptrapport, nadat hij dit gereed had, in het kader van het inzage- en blokkeringsrecht, ter inzage aan [verzoekster] toegezonden. [verzoekster] heeft vervolgens haar opmerkingen aan [zenuwarts] kenbaar gemaakt, waarna [zenuwarts] zijn definitieve rapport heeft opgesteld. Op pagina 4 van het rapport staat ter zake het volgende vermeld: 

“Ik zond [verzoekster] mijn rapport ter inzage. Ze gaf uitgebreid commentaar, dit bracht ik voor een deel aan als wijziging, voor het overige hechtte ik dit aan mijn rapport als waren zij een geheel. Het leidde niet tot een wijziging in mijn eindconclusie. Zij wenste niet dat het rapport werd doorgezonden naar de wederpartij tot dusverre. Wel naar de medisch adviseur.” 

Nadat Allianz via de (voormalig) advocaat van [verzoekster] er van op de hoogte werd gebracht dat [zenuwarts] had gerapporteerd, heeft zij, bij monde van haar advocaat, [zenuwarts] diverse malen verzocht haar in het bezit te stellen van zijn conceptrapport. Aan dit verzoek is door [zenuwarts] niet voldaan. Uiteindelijk heeft de (voormalig) advocaat van [verzoekster] Allianz alsnog in het bezit gesteld van het conceptrapport van [zenuwarts]. Op 28 januari 2009 heeft Allianz, bij monde van haar advocaat, de vragen die naar aanleiding van het conceptrapport bij haar waren gerezen, aan [zenuwarts] kenbaar gemaakt. [zenuwarts] heeft daar niet op gereageerd, dit ondanks de diverse rappels aan de zijde van Allianz. 

4.8.  Uit het bovenstaande volgt dat de waarde van de rapportage van [zenuwarts] in deze procedure beperkt is. Daar komt bij dat de rechtbank met Allianz van oordeel is dat de conclusie van [zenuwarts] dat er bij [verzoekster] sprake is van een ongevalsgerelateerde blijvende invaliditeit van 6% niet goed te rijmen is met de verdere inhoud van zijn rapport, met name niet met zijn oordeel dat er geen beperkingen met betrekking tot de psychische/mentale belastbaarheid zijn geïndiceerd. 

4.9.  Aan het rapport van [neuroloog 3] komt eveneens beperkte betekenis toe, nu hij niet is ingeschakeld door partijen gezamenlijk, terwijl evenmin duidelijk is of [neuroloog 3] bij zijn onderzoek over alle relevante informatie heeft beschikt; hij noteert immers in zijn rapport dat er geen relevante vroegere ziekten zijn. 

4.10.  Niet in geschil is dat het rapport van [neuroloog 2] voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Echter, [neuroloog 2] komt goed gemotiveerd tot de conclusie dat door hem niet kan worden vastgesteld dat de door [verzoekster] geuite klachten en gestelde beperkingen voortvloeien uit het ongeval. 

4.11.  De beoordeling van het ongevalsgerelateerde karakter van gestelde klachten en beperkingen en daaruit eventueel voortvloeiende gevolgen wordt gecompliceerd doordat er voorafgaande aan het ongeval een zeer aanzienlijke periode is waarin sprake is van in ieder geval partiële arbeidsongeschiktheid, welke door de behandelende sector wordt toegeschreven aan psychische klachten. 
Dat de psychische klachten die [verzoekster] sedert het ongeval ondervindt niet ook -zij het mogelijk in enigszins andere vorm- aanwezig zouden zijn geweest indien haar het ongeval niet was overkomen, acht de rechtbank niet zo onaannemelijk dat de bestaande klachten thans zonder meer aan het ongeval kunnen worden toegerekend. 

4.12.  Op zich is juist dat voor juridische causaliteit niet noodzakelijk is dat klachten en beperkingen een direct gevolg zijn van het ongeval. Ook klachten en beperkingen die een indirect gevolg zijn van het ongeval en die eventueel mede samenhangen met pre-existente klachten en/of de persoonlijkheidstructuur van het slachtoffer zullen veelal aan de aansprakelijke partij kunnen worden toegerekend. Uitgangspunt is dat Allianz [verzoekster] dient te nemen zoals zij is, dus inclusief eventuele pre-existente kwetsbaarheid en eventuele persoonlijke predispositie tot ontwikkeling of het in stand houden van bepaalde klachten. Dit is slechts anders in geval van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien het slachtoffer zich van zijn kant, mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur, onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het herstelproces. Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. 

4.13.  Echter, de onderhavige zaak kenmerkt zich door de omstandigheid dat er bij [verzoekster] voor het ongeval sprake was van enkele pre-existente klachten, die enigszins vergelijkbaar zijn met de na het ongeval ontstane klachten en die bij de beoordeling van de hypothetische situatie zonder ongeval wel van belang zijn. De schade in dit soort zaken wordt immers vastgesteld door de (feitelijke) situatie met en de (hypothetische) situatie zonder ongeval met elkaar te vergelijken en een schadebegroting op grond van het verschil te maken. Vanwege het bestaan van pre-existente klachten dient daarom te worden onderzocht of [verzoekster] ook in de hypothetische situatie zonder het ongeval medische beperkingen zou hebben gehad, en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid en in welke omvang die klachten bij [verzoekster] ook zonder ongeval zouden hebben geleid tot verlies van het vermogen om arbeid of andere werkzaamheden te verrichten. Als op grond van redelijke verwachtingen over de toekomst ervan moet worden uitgegaan dat niet onwaarschijnlijk is dat dit het geval zou zijn geweest, dan is die schade niet meer toe te rekenen aan het ongeval. 

4.14.  Om een vergelijking te kunnen maken tussen de situatie voorafgaande aan het ongeval en de situatie daarna, dient allereerst te worden vastgesteld op welke wijze en in welke mate [verzoekster] haar werkzaamheden had hervat voordat het ongeval zich voordeed. De rechtbank constateert, evenals Allianz, dat de mededelingen van [verzoekster] ter zake niet, althans onvoldoende consistent zijn. De processtukken en het medisch dossier bevatten uiteenlopende informatie over de mate van werkhervatting voorafgaande aan het ongeval. Uit de overgelegde medische informatie kan de rechtbank voorts niet opmaken dat [verzoekster] inderdaad sedert het ongeval en thans volledig arbeidsongeschikt is voor de werkzaamheden zoals zij die op enig moment voor het ongeval in dienst van [bedrijf] pleegde te verrichten. Beperkingen die een dergelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg zouden kunnen hebben zijn door de betrokken medisch specialisten niet vastgesteld. Het gegeven dat [verzoekster] in het kader van arbeidsongeschiktheidskeuringen volledig arbeidsongeschikt is verklaard, maakt dat niet anders. Nog afgezien van het feit dat Allianz bij die keuringen niet betrokken is geweest, geldt immers dat die keuringen niet maatgevend zijn voor de beoordeling van de oorza(a)k(en) en de eventuele mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van een letselschadezaak.
 
4.15.  De rechtbank concludeert op basis van het vorenstaande dat [verzoekster] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er als gevolg van het ongeval klachten en beperkingen zijn opgetreden die tot gevolg hebben gehad dat zij arbeidsongeschikt is geraakt en gebleven voor arbeid die zij in de situatie waarin het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, zou hebben verricht. Op grond van de thans beschikbare deskundigenrapporten kunnen de gestelde klachten en beperkingen niet als gevolg van het ongeval worden toegerekend. De gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen. 

4.16.  Artikel 289 Rv betreffende de proceskostenveroordeling is niet van toepassing. Dit houdt verband met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure ten nauwste verbonden is met de buitengerechtelijke onderhandelingsfase. Ook daar bestaat voor de benadeelde niet het risico dat hij door zijn wederpartij gemaakte kosten moet vergoeden. Indien en voor zover Allianz met de woorden ‘kosten rechtens’ in de conclusie van het verweerschrift veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten heeft bedoeld te verzoeken, wordt dit verzoek afgewezen. 

4.17.  [verzoekster] heeft verzocht de kosten van deze procedure te begroten overeenkomstig artikel 1019aa Rv. Dat het verzoek is afgewezen betekent niet dat het indienen van het verzoekschrift en het maken van de daarmee gepaard gaande kosten in dit geval onredelijk was. Mede tegen de achtergrond van het nu in deelgeschil gevoerde partijdebat kan het door [verzoekster] ingediende verzoekschrift niet als bij voorbaat volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd. 

4.18.  De kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vraag of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is. Dat het maken van de kosten redelijk is acht de rechtbank evident, gelet op het vastlopen van de onderhandelingen. 

4.19.  Bij brief van 27 april 2012 heeft mr. Aantjes een specificatie gevoegd van de tot het moment van het indienen van het verzoekschrift gemaakte kosten, die € 4.676,00 bedragen (16,7 uren x EUR 280,= exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW). Voorts gaat hij uit van een voorbereiding voor de zitting en de mondelinge behandeling van 10 uren, te vermeerderen met een bedrag van € 450,00 ter zake kantooropslag, exclusief 19% BTW, hetgeen neerkomt in totaal op een bedrag van € 9.460,50 + p.m. Allianz acht de aan de zaak bestede tijd niet redelijk. Daarnaast maakt Allianz bezwaar tegen de hoogte van het door  mr. Aantjes gehanteerde uurtarief. 

4.20.  Voor wat betreft het uurtarief acht de rechtbank, gelet op het relatief beperkte financiële belang, de complexiteit van de zaak en de ervaring en het specialisme van mr. Aantjes een uurtarief van € 280,00 in het kader van dit deelgeschil niet redelijk. De rechtbank zal een uurtarief van € 250,00 in aanmerking nemen. Gelet op het feit dat het deelgeschil beperkt van omvang is, acht de rechtbank het bovenmatig dat er in totaal 10 uren in rekening zijn gebracht voor de voorbereiding van de zitting en de mondelinge behandeling. De rechtbank zal de kosten voor het voorbereiden van de zitting begroten op 4 uren. Voorts gaat de rechtbank uit van een zittingsduur van 1 uur en dertig minuten en een reistijd van 1 uur. 
De overigens aan de zaak bestede tijd komt de rechtbank niet onevenredig voor, met uitzondering van de tijd die in rekening is gebracht voor ‘bespreking met derden’ op 7 december 2011 (1 uur). 

4.21.  De rechtbank zal aldus op de totale kostenbegroting 4 uren en dertig minuten in mindering brengen. Dit betekent dat de kosten worden begroot op € 7.000,77 (22,2 uren x 
€ 250,00, vermeerderd met 6% kantoorkosten en 19% BTW), te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 260,00, in totaal € 7.260,77. 

4.22.  Door [verzoekster] is tevens veroordeling van Allianz in de kosten van deze procedure verzocht. Nu noch juridische noch praktische redenen zich tegen toewijzing van een dergelijk verzoek verzetten, zal het hiervoor onder 4.21 begrote bedrag als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking.  LJN BX0122

Deze website maakt gebruik van cookies