Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb R.dam 011210met oog op 10 jarige WAO situatie geen reden om verlies arbeidsvermogen niet toe te rekenen, ook al kón betrokkene mogelijk wel werken

Rb R.dam 011210met oog op 10 jarige WAO situatie geen reden om verlies arbeidsvermogen niet toe te rekenen, ook al kón betrokkene mogelijk wel werken
2.3 In een uitvoerig gemotiveerd rapport heeft de arbeidsdeskundige de aan haar voorgelegde vragen - voor zover thans van belang - als volgt beantwoord:

" I. Wat is de opleiding, 'wat is het arbeidsverleden, wat zijn de vaardigheden en wat de affiniteiten van S?

"(...) Betrokkene is met haar opleiding en ervaring te situeren op arbi-niveau 3.
Tot de vaardigheden en affiniteiten (kortom de competenties) van betrokkene kunnen gerekend worden:
- Contactueel vaardig;
- Klantvriendelijk en hulpvaardig ingesteld;
- Handvaardig."

2. Wat voor werk verrichtte S op het moment dat haar op 26 april 2000 het ongeval overkwam? Graag een uitgebreide omschrijving geven van de aard van de taken en verantwoordelijkheden in dat werk, hoeveel uur per week betrokkene in de drie jaar voorafgaand aan het ongeval gemiddeld heeft gewerkt, alsmede een toelichting op de (fysieke en mentale) belasting daarvan. Wilt u daarbij de belasting zoveel als mogelijk kwantificeren in o.a. termen van aangesloten duur, frequentie, intensiteit en dagbelasting?

"(...) Men kan concluderen dat betrokkene aanvankelijk 24 uren per week werkte bij het accountantskantoor en dat ze daarna op zoek ging naar ander (voor haar minder fysiek belastend) werk. Dat deed ze via cursussen/trainingen en werk dat ze via uitzendbureaus accepteerde. Betrokkene was daarin voortvarend. Ze slaagde erin om nagenoeg onafgebroken aan het werk te zijn. Ze was daarbij niet kieskeurig voor wat betreft het aantal arbeidsuren dat ze werkte. Via uitzendbureaus heeft ze het werk aangenomen wat ze kon krijgen, misschien niet altijd in het voor haar gewenst aantal uren, maar het gaf haar de kans ervaring op te doen in voor haar nieuwe functies als telefoniste/receptioniste en in de telefonische verkoop. In haar laatste baan, ten tijde van het ongeval werkte ze via Timing meerdere weken fulltime in de functie bij Heineken. Betrokkene zei dat ze vast werk wilde en dat haar dat ook in het vooruitzicht was gesteld bij Heineken. Daar had ze veel voor over, ook fulltime werken, terwijl ze dat nooit sinds haar intrede op de arbeidsmarkt (01-12-1993 als huishoudelijk medewerkster bij Twaalf Hoven voor 20 uren per week) had gedaan. Gemiddeld werkte betrokkene 22,58 uren in de jaren 1997 tot en met week 16 (de week vóór het ongeval)."

3. Is S op basis van enerzijds haar sedert het ongeval bestaande beperkingen en mogelijkheden (Belastbaarheidspatroon d.d. 20 februari 2009 nummer 3; betreft beperkingen tengevolge van zowel ongevalvreemde als ongeval gerelateerde problematiek) en anderzijds de belastingsaspecten van vraag 2 geschikt of ongeschikt te achten voor het maatgevende werk? Graag een uitgebreid gemotiveerd antwoord geven. Indien u van oordeel bent dat S ongeschikt is te achten voor het maatgevende werk wordt u verzocht tevens de vraag te beantwoorden of zij hiervoor wel geschikt zou zijn in de hypothetische situatie waarin zij niet onderworpen zou zijn aan beperkingen tengevolge van het ongeval d.d. 26 april 2000 (Belastbaarheidspatroon d.d. 20 februari 2009 nummer 1) maar wel aan beperkingen tengevolge van ongevalvreemde rug-, buikproblematiek (Belastbaarheidspatroon d.d. 20 februari 2009 nummer 2).

"De maatgevende arbeid van betrokkene is deze van telefoniste/receptionisteltelefonisch verkoopmedewerker/administratief medewerker, aangezien betrokkene doelbewust een omschakeling had gemaakt naar deze functies, daarbij ook cursussen en trainingen volgend. Betrokkene heeft deze arbeid verricht vanaf begin 1998. Ten tijde van het ongeval was ze aan de slag als telefonisch (verkoop) medewerker/administratief medewerker bij het bedrijf Heineken, maar dan als uitzendkracht voor gemiddeld 37,60 uren per week in de weken voorafgaand aan het ongeval in het jaar 2000.
(...)
Uit (... ) blijkt dat betrokkene met de combinatie van ongevalvreemde en de ongevalgerelateerde beperkingen (BLP 3) slechts geschikt is voor de maatgevende arbeid voor maximaal 20 uren per week, te verdelen over 4 uren per dag. Immers, in de werkzaamheden is er een voortdurend gebruik van toetsenbord en muis en moet het hoofd in een bepaalde stand worden gehouden. Voor deze beide handelingen is betrokkene beperkt tot 4 uren per werkdag.
Indien alleen gekeken wordt naar de ongevalvreemde beperkingen (BLP) dan is er geen overschrijding van de gestelde beperkingen en kan betrokkene deze maatgevende functie voor meer dan 20 uren per week, zelfs fulltime uitoefenen."

4. Voor zover het maatgevende werk ongeschikt moet worden geacht, bestaan er dan mogelijkheden om het geschikt te maken door bijvoorbeeld aanpassingen in de uitvoering of toebedeling van taken of mogelijkheden om S aanvullend te scholen?

"Het is niet mogelijk om deze functie geschikt te maken door aanpassingen of hulpmiddelen. Immers, het werken met toetsenbord en muis is een essentieel onderdeel in deze functie. Ook aanvullend scholen heeft geen zin."

5. Voor zover S blijvend ongeschikt te achten is voor het werk, wat zijn dan haar mogelijkheden om te re-integreren in ander werk? Welke verdiencapaciteiten kan zij daarmee realiseren? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag S's opleiding, ervaringen en beroepsaffiniteiten in acht nemen?

"Betrokkene is ongeschikt om werkzaamheden te verrichten waarbij een hoge fysieke belasting aan de orde is. Immers, betrokkene is als gevolg van het ongeval onder meer beperkt ten aanzien van het gebruik van de nek, het hoofd in een bepaalde stand houden, tillen, duwen en trekken, dragen, bovenhands werken. Daarom heb ik onderzoek gedaan naar functies waarbij de fysieke belasting geringer is. Echter, het probleem dat zich hierbij voordoet is dat men meestal intensiefgebruikmaakt van toetsenbord en muis. (...) De mogelijkheden voor betrokkenen om thans op 55-jarige leeftijd te re-integreren in deze passende arbeid op de arbeidsmarkt, is niet vanzelfsprekend. Immers, betrokkene heeft al 10jaren niet meer gewerkt, waardoor ze geen recente arbeidservaring heeft en de aansluiting met de arbeidsmarkt kwijt is geraakt. Daarnaast is er sinds enige jaren sprake van een minder gunstige arbeidsmarkt en is betrokkene beperkt om 4 uren per dag of maximaal 20 uren per week te werken. Vele parttime functies worden aangeboden gedurende hele dagen, bij voorbeeld 3 dagen per week. Voor deze functies is betrokkene niet geschikt. Met andere woorden, de vorderende leeftijd van betrokkene in combinatie met het feit dat ze de afgelopen 10 jaren niet gewerkt heeft en het maximaal 4 uren per dag kunnen werken, maken betrokkene een minder goed aanbod op de arbeidsmarkt. Indien er sprake zou zijn van een intensieve professionele begeleiding, waarbij betrokkene opnieuw werkervaring opdoet en er van haar kant een hoge motivatie en grote inzet is om passend werk te verwerven, dan acht ik de kans dat betrokkene na ongeveer een jaar aan de slag gaat (waarschijnlijk in uitzendwerk) arbitrair op 50%. (...)"

6. Het rapport van Kruithof vermeldt in de anamnese (pagina 8): "Patiënte kan het huishouden zelf omdat ze dit in haar eigen tempo kan doen en het kan verdelen over de hele week. " Indien u tot het oordeel komt dat S kan re-integreren in betaald werk, maar dat dit tot gevolg zou kunnen hebben dat zij dan het huishouden niet meer zelfzou kunnen doen, wordt u verzocht ook het restant van dit vraagpunt en vraagpunt 7 te beantwoorden. Wilt u een uitgebreide omschrijving geven van de huishouding van S? Wilt u daarbij de verschillende taken zoveel als mogelijk kwantificeren in o.a. termen van aaneengesloten duur, frequentie, intensiteit en dagbelasting?

"De huishouding van betrokkene betrof meer personen op het ogenblik van het ongeval. Bovendien woonde betrokkene met haar echtgenoot, hun zoon en diens vriendin in een grotere woning. Daarnaast valt ook op dat de echtgenoot van betrokkene een substantieel aandeel had in de huishoudelijke taken. Omdat betrokkene nu in eigen tempo werkt en de echtgenoot de fysieke meest belastende taken overneemt, kan zij met enige hulp de huishouding alleen verrichten. (...)"

7. Is er bij S sprake van beperkingen in het huishouden? Zo ja, volgt daaruit een behoefte aan huishoudelijke hulp door derden of bestaan er mogelijkheden deze beperkingen (geheel ofgedeeltelijk) te compenseren door bijvoorbeeld de toepassing van afwisseling en/of aanpassingen in de uitvoering van taken? Graag een uitgebreid gemotiveerd antwoord geven.

"In rubriek 6.2 van dit rapport vanaf bladzijde 21 zijn de gegevens van dit gezin ingevoerd, waarbij ik betrokkene 20 arbeidsuren per week heb toebedeeld. Dit is immers het aantal uren dat betrokkene nog per week kan werken in de maatgevende functie of passende arbeid, zoals blijkt uit het onderzoek van de vergelijking van de belastingsaspecten met de gestelde beperkingen door de heer Kruithof. Betrokkene zou dan (iets) minder regelmogelijkheden in de huishoudelijke taken hebben, als ze iedere dag 4 uren buitenshuis zou werken. De huishoudelijke taken hebben voornamelijk een fysieke belasting, die niet altijd accordeert met de gestelde beperkingen door de heer Kruithof in belastbaarheidspatroon I (ongevalgerelateerde beperkingen). Dat geeft volgende uitval in de oorspronkelijke taken van betrokkene:
- het stofzuigen/stofwissen en dweilen: langer dan 5 minuten aaneengesloten gebogen werken bij intensieve schoonmaakbeurten, verplaatsen van stoelen/meubels;
- sanitaire ruimten schoonmaken: bovenhands reiken bij het schoonmaken van tegelwanden;
- ramen zemen: bovenhands reiken gedurende minimaal 5 minuten aaneengesloten;
- overige schoonmaakactiviteiten: bovenhands reiken bij plafonds ragen, gordijnen afnemen, intensieve schoonmaakbeurten in keukenkastjes en zo meer.
In bijlage 11 bij dit rapport is op bladzijde 2 deze uitval aangegeven, wat leidt tot een uitval van 1 uur per week. Dit is een geringe uitval, die moeilijk kan worden opgevangen door een externe huishoudelijke hulp. De beste oplossing is dat betrokkene's echtgenoot deze taken overneemt, wat hij concreet ook doet. Daarbij is er ook sprake van enige uitwisseling van taken. Bijvoorbeeld, betrokkene bereidt nu meestal wel de warme maaltijd, die voorheen ook wel eens door haar man werd bereid."

8. Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?

"Zelf gaf betrokkene mij in het gesprek aan dat ze niet weet of ze, in de situatie zonder ongeval, fulltime aan de slag was gegaan bij Heineken of elders. Ze gaf aan dat ze een baan tussen 20 en 40 uren zou hebben geambieerd en aanvaard, daarbij een fulltime baan niet uit de weg gaand, indien deze haar zou zijn aangeboden, en dat tot een vast contract had geleid. Er zijn drie elementen die het zeer aannemelijk maken dat betrokkene, het ongeval weggedacht, uiteindelijk een vast contract in werk als telefoniste/receptioniste/telefonische verkoopmedewerker/administratief medewerker had verworven:
- haar grote inzet om aan het werk te blijven in arbeid wat ze zelf als passend achtte bij de beperkingen die ze vóór het ongeval had;
- het feit dat er in het jaar 2000 sprake was van een gunstige economische tijd (tot eind 2001);
- de al opgedane ervaring in deze nieuwe functie(s) ten tijde van het ongeval, waarbij betrokkene nagenoeg continu aan de slag was in wisselende functies via uitzendwerk.
Daarbij lijkt het mij het meest waarschijnlijk dat ze uiteindelijk in parttime werk aan de slag zou zijn gegaan. Immers, na haar herintrede op de arbeidsmarkt had betrokkene niet meer fulltime gewerkt en betrokkene zelf gaf niet stellig aan in het gesprek dat ze een fulltime baan ambieerde. Echter, haar wens om te werken in voor haar passend (vast) werk was wel zo groot dat ze het er voor over had om zo nodig (waarschijnlijk tijdelijk) fulltime werk te accepteren. Daarbij lijkt het mij logisch dat ze in ieder geval niet op een baan mikte die minder dan 24. uren per week zou bedragen, omdat ze in een vast contract bij het accountantskantoor vele jaren dat aantal uren gewerkt heeft. Omdat ze niet meer de zorg had voor (jonge) kinderen is het ook niet onlogisch dat ze een baan voor meer arbeidsuren had aanvaard. Alle goede en kwade kansen wegend, meen ik dat betrokkene in de situatie zonder ongeval, in een baan van tussen de 20 en 40 uren per week aan de slag zou zijn gegaan, al of niet bij Heineken, voor gemiddeld 30 uren per week."


2.4 De arbeidsdeskundige heeft beide partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het conceptrapport. Naar aanleiding van de commentaren van partijen merkt de arbeidsdeskundige in het rapport - voor zover van belang - het volgende op:


"Mevrouw Haase geeft aan dat mijn conclusie dat betrokkene zonder ongeval gemiddeld 30 uren per week zou hebben gewerkt, niet volgt uit het aantal uren dat betrokkene voor het ongeval heeft gewerkt en ook niet uit het aantal uren dat Heineken werk voor haar had gehad. Zij vraagt of het niet aannemelijker is dat betrokkene - dit mede gezien haar leeftijd - ook in de hypothetische situatie zonder ongeval tussen de 20 en 24 uur per week zou hebben gewerkt.

Ik vind het niet juist om in deze casus het gemiddeld aantal uren dat iemand werkte in de drie jaren vóór het ongeval als maatstaf te nemen voor de hypothetische situatie zonder het ongeval. De redenen hiervoor heb ik goed in mijn rapport uiteengezet en samengevat aangegeven in rubriek 7.8. Daar voeg ik nog het volgende aan toe. Door uit te gaan van een gemiddelde in een drietal jaren gaat men voorbij aan een aantal factoren, die in deze zaak van belang zijn:
- Betrokkene heeft zelf het initiatief genomen om ander, voor haar passend werk te zoeken. Hiervoor heeft ze een opleiding gevolgd en is ze via uitzendbureaus aan de slag gegaan. Het is niet verwonderlijk dat betrokkene niet direct een vaste aanstelling kon krijgen of een functie met het voor haar gewenst aantal uren. Daarbij is er in ieder geval geen.reden om aan te nemen dat betrokkene minder dan 24 uren per week zou hebben willen werken, indien men in ogenschouw neemt dat betrokkene 2,5 jaren bij het accountantskantoor 24 uren per week werkte. Door tijdelijk werk aan te nemen, via een uitzendbureau, wat een uitstekende strategie is om ervaring op te bouwen en uiteindelijk in een vaste baan, heeft betrokkene vele maanden in minder dan 20 uren per week gewerkt. Zo werkte betrokkene bij Teleprofs in het jaar 1998 gedurende 12 weken minder dan 20 uren per week (zie tabel op bladzijde 9 van dit rapport). Deze periode, waarin betrokkene niet kieskeurig was, doet het gemiddelde van het aantal uren dat betrokkene werkte in de 3jaren voorafgaand aan het ongeval uiteraard dalen. Het lijkt mij niet juist om de pogingen van betrokkene om zich op eigen krachten te herscholen, daarvoor een vaste baan op te zeggen en bereid te zijn tijdelijk werk te accepteren in variabele en vaak minder arbeidsuren, als bewijs te nemen voor het feit dat betrokkene minder uren zou hebben willen werken, het ongeval weggedacht.
- Maatschappelijk gezien (en zeker in het verleden) komt het natuurlijk wel meer voor dat vrouwen nadat ze kinderen hebben grootgebracht, opnieuw of meer uren gaan werken dan ze daarvoor deden. In die zin is het feit dat betrokkene slechts 4,5 maanden vóór het ongeval meer dan 24 uren per week heeft gewerkt, geen bewijs voor de stelling dat ze er in de situatie zonder ongeval slechts tussen de 20 en 24 uren zou hebben gewerkt. Temeer, daar zij in deze 4,5 maanden voor het ongeval vele weken fulltime heeft gewerkt.
- Het UWV/Gak heeft het gemiddelde aantal uren van betrokkene (in de zogenaamde referte periode) bepaald op 28 uur per week. Daarbij wordt uitgegaan van één jaar. Dit lijkt mij een juistere maatstaf dan drie jaren vóór het ongeval. gezien de specifieke situatie van tijdelijk werk en switch in de carrière waarin betrokkene zich vóór het ongeval bevond.

Ik heb een inschatting gemaakt, op basis van alle omstandigheden, zoals geschetst in rubriek 7.8 en ben hierdoor gekomen op het gemiddelde tussen 20 en 40 uren per week. Dat in een verslag van psycholoog Dijkstra is aangegeven dat betrokkene kans had op een vaste aanstelling voor 20 uur per week, acht ik in het licht van bovenstaande argumenten onvoldoende om een inschatting van 30 uren per week bij te stellen.

(...)

De conclusie (Beantwoording van vragen) wordt niet gewijzigd als gevolg van het commentaar."

2.5 Uit het deskundigenbericht leidt de rechtbank af dat de arbeidsdeskundige een gedegen onderzoek heeft verricht. De door haar getrokken conclusies vloeien logisch voort uit haar bevindingen en zijn deugdelijk gemotiveerd. Hetgeen door partijen tegen de conclusies van de deskundige is ingebracht, is door de deskundige goed gemotiveerd weerlegd. De rechtbank neemt de conclusies van de arbeidsdeskundige over en maakt die tot de hare.

2.6 HDI voert aan dat zij zich grotendeels kan verenigen met het door de arbeidsdeskundige opgestelde rapport, maar dat zij het antwoord op de door haar - naar aanleiding van het conceptrapport - aan de arbeidsdeskundige voorgelegde vraag niet overtuigend acht. De vraag van HDI betreft de visie van de arbeidsdeskundige over het aantal uren dat S zou werken in de hypothetische situatie waarin het ongeval wordt weggedacht.

2.7 HOI wijst er in het bijzonder op dat S voorafgaand aan het ongeval slechts 4,5 maanden meer dan 24 uur per week heeft gewerkt. Wat HDI evenwel over het hoofd ziet, is dat S juist in de 4,5 maanden direct voorafgaand aan het ongeval gedurende vele weken fulltime heeft gewerkt. Dat aspect is van bijzonder belang omdat daaruit blijkt dat bij S de bereidheid bestond om fulltime te werken. Verder ontbreekt een concrete indicatie dat S weliswaar fulltime werkzaam was, maar dat zij in werkelijkheid niet meer dan 20 uur per week zou hebben willen werken. Hetgeen de arbeidsdeskundige hieromtrent overigens opmerkt in haar rapport acht de rechtbank overtuigend. Dat behoeft geen nadere toelichting.

2.8 HOI beroept zich ter ondersteuning van haar betoog dat in de hypothetische situatie zou moeten worden uitgegaan van niet meer dan 20 uur per week voorts op een brief van 27 februari 2001 van het Academisch Ziekenhuis Groningen ("verslag psychologie"; productie 9 bij dagvaarding), welke brief onder het kopje "Sociaal" vermeldt: "Sociaal: gehuwd. twee kinderen, waarvan nog één thuis. Pat. werkte via een uitzendbureau als telefoniste/receptioniste, 40 uur p.w. de laatste maanden. Ze had kans op een vaste aanstelling voor 20 uur. Deze kans is nu verkeken. Pat. kan wel weer via het uitzendbureau aan het werk. Pat. heeft nog tweemaal gedurende zo'n zes weken werkhervatting geprobeerd, maar kon het niet volhouden. Sinds december zit ze "definitief" in de ziektewet. (... )"

2.9 HDI acht de passage "Ze had kans op een vaste..aanstelling voor 20 uur" in voornoemd psychologisch verslag van doorslaggevend belang. HOI leidt daar kennelijk uit af dat er alleen kans bestond op een aanstelling van 20 uur per week en dat S feitelijk ook niet meer uren zou hebben gewerkt. S heeft zich met betrekking tot die passage op het standpunt gesteld dat zij destijds jegens de psycholoog heeft aangegeven dat er kans was op een vaste aanstelling van twintig uur of meer (brief van 12 augustus 2010 van mr. Langstraat; bijlage 12 bij het deskundigenbericht). De woorden "of meer" zijn niet in het verslag terecht gekomen. Dat wekt in de visie van S geen verwondering nu de tekst werd geredigeerd vanuit het perspectief van een psycholoog en niet vanuit het perspectief van een arbeidsdeskundige.

2.10 De rechtbank is met de arbeidsdeskundige van oordeel dat voornoemde passage in het"verslag psychologie" van 27 februari 2001 geen reden vormt om het oordeel van de arbeidsdeskundige zoals weergegeven in het antwoord op vraag 8 (zie hiervoor onder 2.3) onjuist of minder aannemelijk te achten.

2.11 De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om tot uitgangspunt te nemen dat S in de hypothetische situatie zonder ongeval niet meer dan 20 uur per week zou hebben . gewerkt. De rechtbank acht het redelijk de visie van de arbeidsdeskundige te volgen en ervan uit te gaan dat S in de hypothetische situatie zonder ongeval gemiddeld 30 uur per week zou hebben gewerkt.

2.12 HOI wijst er voorts op dat de arbeidsdeskundige van mening is dat S na het ongeval 4 uur per dag, 20 uur per week, had kunnen werken in de functie waarin zij ten tijde van het ongeval ook werkzaam was. De rechtbank acht de relevantie van die constatering beperkt. S was ten tijde van het ongeval fulltime werkzaam op uitzendbasis. Dat na het ongeval een parttime functie voor haar beschikbaar was voor 4 uur per dag, 20 uur per week, is gesteld noch gebleken. Dat S, uitgaande van de in deze procedure door de deskundigen uitgebrachte rapportages, destijds in theorie voor 4 uur per dag, 20 uur per week, had kunnen werken in haar eigen werk is, nu die mogelijkheid haar destijds niet is geboden, niet van belang voor de schadebegroting. De arbeidsdeskundige wijst er in haar rapport op dat parttime functies betreffende voor S relevante werkzaamheden vaak worden aangeboden voor gedurende hele dagen te verrichten werkzaamheden, bijvoorbeeld 3 dagen per week (antwoord op vraag 5). Een dergelijke functie was - en is - voor S niet passend.

2.13 De visie van HOI dat het haar niet kan worden toegerekend dat S inmiddels reeds 10 jaar niet meer heeft gewerkt, acht de rechtbank onjuist. De aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade brengen mee dat een ruime toerekening gerechtvaardigd is. S is door het ongeval uitgevallen voor haar arbeid. In het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving is per 6 september 2001 een uitkering krachtens de WAO aan S toegekend gebaseerd op een percentage arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Hierin is nadien geen verandering gekomen. Dat S vervolgens niet is gere-integreerd in - achteraf bezien - passende parttime arbeid, is niet verwonderlijk en niet aan S toerekenbaar. Indien de stellingen van HOI zo moeten worden begrepen dat zij het verweer voert dat S jegens HDI heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende "plicht" (obliegenheit) om de schade te beperkten dan acht de rechtbank dat verweer onvoldoende onderbouwd.

2.14 Thans dient te worden beoordeeld wat de gevolgen van de door de arbeidsdeskundige getrokken conclusies zijn voor het geschil tussen partijen. In anticipatie hierop heeft de rechtbank bij het tussenvonnis van 27 januari 20 10 onder 2. I0 als volgt overwogen: "De rechtbank verzoekt partijen om bij conclusie en antwoordconclusie na deskundigenbericht niet alleen in te gaan op de inhoud van het deskundigenbericht, maar zich tevens uit te laten omtrent het vervolg dat de procedure in hun ogen dient te hebben. Het ligt in de rede dat partijen daaromtrent ook met elkaar in overleg zullen treden zodat zij bij conclusie en antwoordconclusie na deskundigenbericht duidelijk kunnen aangeven welke geschilpunten nog tussen hen bestaan en op welke wijze deze in hun ogen zo efficiënt mogelijk zouden kunnen worden afgewikkeld."

2.15 Kennelijk zijn partijen (nog) niet met elkaar in overleg getreden. S heeft afgezien van het nemen van een conclusie na deskundigenbericht. HDI heeft een antwoordconclusie na deskundigenbericht genomen waarin de vraag welke geschilpunten nog tussen partijen bestaan en op welke wijze die zouden kunnen worden afgewikkeld niet wordt behandeld.

2.16 S heeft bij dagvaarding gesteld welke schade zij in haar visie heeft geleden. De uitgangspunten die aan de door S gehanteerde schadeberekening ten grondslag zijn gelegd, zijn echter deels achterhaald. Het ligt derhalve in de rede dat S haar schadeberekening thans actualiseert, mede op basis van de uitgangspunten zoals die zijn af te leiden uit het rapport van de arbeidsdeskundige. Vervolgens ligt het in de rede dat HOI zich daarover uitlaat, waarna de eventuele verdere discussie in deze instantie zich kan beperken tot de resterende geschilpunten. Zo nodig kan de rechtbank zich nog laten adviseren door een expert op rekenkundig gebied, bijvoorbeeld het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL). Het is uiteraard ook denkbaar dat partijen een regeling in der minne treffen indien zij daartoe alsnog met elkaar in overleg treden.

2.17 Teneinde overleg met partijen te kunnen voeren omtrent het eventuele vervolg van de procedure, alsmede om de mogelijkheid van een te treffen regeling in der minne met partijen te bespreken, zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten.

2.18 S wordt verzocht uiterlijk 28 dagen voor de zittingsdatum een geactualiseerde schadestaat met toelichting (met name voor wat betreft het verminderd arbeidsvermogen en eventuele pensioenschade; inclusief alle aan de berekening ten grondslag gelegde - expliciet gemaakte - uitgangspunten en variabelen) aan de rechtbank te doen toekomen. HDI wordt verzocht daar uiterlijk 14 dagen voor de zitting schriftelijk op te reageren. Beide partijen worden uitgenodigd uiterlijk 14 dagen voor de zitting een - bij voorkeur eenparig - voorstel aan de rechtbank te doen voor de modaliteiten van een deskundigenonderzoek door een expert op rekenkundig gebied (vraagstelling inclusief uitgangspunten voor de schadeberekening, aantal en naam of namen van de deskundigen; kosten).

2.19 Agendapunten voor de comparitie van partijen zijn de volgende: - de diverse door S gestelde schadeposten en het daartegen.gevoerde verweer; - inventarisatie van resterende geschilpunten en de visies van beide partijen daarop; - de financiële relevantie van de verschillende visies; - de (on)mogelijkheid van een eventueel te treffen regeling in der minne; - de modaliteiten van een door de rechtbank te gelasten deskundigen onderzoek. - eventuele andere agendapunten die partijen - bij voorkeur op voorhand - kunnen toevoegen.

2.20 Partijen kunnen zich ter comparitie van partijen desgewenst laten vergezellen door een expert op rekenkundig gebied. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de wederpartij van een voornemen daartoe ruim voor de zittingsdatum zullen informeren.

2.21 In afwachting van de comparitie van partijen zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.Letselschademagazine.nl Met dank aan mr. P.N. Langstraat voor het inzenden van deze uitspraak

Deze website maakt gebruik van cookies