Zoeken

Inloggen

Artikelen

GHSHE 230107 en 280807 50% aansprakelijkheid voor ongeval in taxibus waarbij de gordel niet gedragen werd

GHSHE 230107 en 280807 50% aansprakelijkheid voor ongeval in taxibus waarbij de gordel niet gedragen werd
heupfractuur: smartengeld € 10.000,00 x 50%

4.
De beoordeling

4.1.
Met de grieven wordt het gehele geschil aan het hof ter beoordeling voorgelegd. De volgende feiten staan (voor zover van belang) tussen partijen vast.

Op 7 december 2003 is aan [appellante] , toen 76 jaar oud en gebruik makend van een scootmobiel, een ongeval overkomen terwijl zij werd vervoerd met een taxibusje. Op enig moment heeft het busje geremd waardoor [appellante] , die op dat moment geen gordel droeg, naar voren en van de zitting van de bank is geschoven. Zij is weer terug op haar plaats gezet door de chauffeur, doch later bleek dat zij haar heup had gebroken. [Met "ongeval" doelt het hof dus niet op een botsing of aanrijding, doch enkel op de val van [appellante] .]

4.2.
[appellante] maakt diverse andere verwijten aan de chauffeur, zoals met betrekking tot niet handsfree bellen, het niet kennen van de route, en onvoldoende nazorg na het ongeval, doch zij stelt niet dat deze tot het ongeval en het letsel hebben bijgedragen en zonder toelichting valt dat ook niet in te zien.

4.3.
Partijen verschillen, voor zoveel relevant, op de volgende twee punten van inzicht: de rijwijze van de chauffeur direct in aanloop naar het ongeval, en de kwestie van de gordel.

4.4.
Wat de gordel betreft: in confesso is, dat [appellante] de gordel niet droeg. Volgens [geïntimeerde] had de chauffeur de gordel wel aan gedaan maar had [appellante] die (kennelijk) weer af gedaan; volgens [appellante] had zij noch de chauffeur die gordel aan gedaan. In beide gevallen valt aan [appellante] zelf een verwijt te maken ten aanzien van het niet dragen van de gordel. In het eerste geval zijn uitsluitend haar verwijten te dier zake te maken, in het tweede geval valt het niet dragen van de gordel aan beide partijen te verwijten.

In verband met het aan [appellante] zelf te maken verwijt geldt, dat nergens - ook niet uit de verklaring van [appellante] ter zitting in eerste aanleg - uit blijkt dat zij niet wist dat zij de gordel moest dragen of dat zij deze niet kon aandoen, en evenmin blijkt niet dat zij destijds niet meer zo helder van geest was dat zij besefte dat zij de gordel aan moest doen of houden. In verband met het aan de chauffeur in het tweede geval te maken verwijt geldt, dat de chauffeur, gelet op de personen welke hij veelvuldig te vervoeren krijgt - bijna altijd kwetsbare personen, waaronder, zo begrijpt het hof, niet zelden ook personen die zelf niet in staat zijn om hun gordel om te doen of die niet beseffen dat dit nodig en verplicht is - een verhoogde zorgplicht heeft ten aanzien van het aandoen van de gordel of de controle op het dragen ervan, zodat ook hij mede aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval als hij dat achterwege laat.

In het tweede geval, dus het geval waarin de gordel in het geheel niet is aan gedaan, taxeert het hof het aandeel van [appellante] en de chauffeur op 50% elk.

4.5.
Met betrekking tot het nut van de gordel zij nog opgemerkt, dat naar algemeen bekend is, deze niet alleen bij botsingen en aanrijdingen, maar ook bij sterk afrem­ men de drager voor ernstig letsel kan behoeden. Bij een botsing is niemand, hoe alert en hoe sterk ook, in staat de vrijkomende krachten op te vangen door zich stevig vast te houden of af te zetten, maar bij vrij stevig afremmen wil dat nog wel lukken. Echter, oudere (trager reagerende) en zwakkere mensen zullen daar vaak niet toe in staat zijn, terwijl een situatie waarin sterk wordt afgeremd veel vaker voor zal komen dan een botsing. Kortom: juist ook met het oog op vrij veelvuldig voorkomende remsituaties is het voor oudere en zwakkere passagiers zo belangrijk dat zij de gordel dragen.

4.6.
Het ongeval:

Bij dagvaarding stelde [appellante] , dat de chauffeur zo abrupt remde dat zij uit haar stoel schoof.

Bij conclusie van antwoord sub 5, eerste volzin, stelde [geïntimeerde] , dat de chauffeur vanwege een plotseling vóór hem remmende auto, fors moest remmen om een aanrijding te voorkomen, waardoor [appellante] uit haar stoel schoof.

Ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg verklaarde de chauffeur, dat hij bij een rotonde in [plaats] plotseling moest remmen toen een auto voor hem remde toen het stoplicht van oranje op rood sprong.

4.7.
Bij memorie van antwoord ontkende [geïntimeerde] sub 6, dat de chauffeur abrupt en hevig moest remmen, en stelt zij dat de auto voor de taxi plotseling remde, waardoor de taxichauffeur ook licht moest remmen.

Bij memorie van antwoord is overgelegd een verklaring van de chauffeur, die het nu ineens ook heeft over "licht" remmen en die bovendien verklaarde dat het stoplicht voor zijn voorligger van groen op oranje sprong.

4.8.
Zowel voor wat betreft de wijze en mate van remmen als voor wat betreft de kleur van het stoplicht houden de memorie van antwoord en de nadere verklaring van de chauffeur een radicale koerswijziging in ten opzichte van de conclusie van antwoord respectievelijk de verklaring ter comparitie, voor welke koerswijziging geen enkele verklaring wordt gegeven. Mitsdien houdt het hof [geïntimeerde] aan haar eerdere processuele stellingname en de eerdere verklaring van haar chauffeur.

Terecht heeft [appellante] in de memorie van grieven sub 48 erop gewezen, dat als de chauffeur slechts door zeer hard remmen een botsing met zijn voorligger die (terecht! hof) stopte voor een stoplicht dat van oranje op rood sprong kon vermijden, hij kennelijk onvoldoende op de verkeerssituatie had geanticipeerd. De verplichting om de auto tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg kan worden overzien en vrij is, dient bovendien te worden bezien tegen de achtergrond van het feit dat er met de taxi oudere en zwakkere personen werden vervoerd, hetgeen tot een extra omzichtige rijwijze noopte.

Kortom, de chauffeur heeft dus niet de zorgvuldige rijwijze betracht welke de wet en welke de bijzondere positie van de door hem vervoerde passagier met zich bracht van hem verlangden.

4.9.
[appellante] beroept zich nog op de omkeringsregel, doch deze komt in het geheel niet aan de orde nu voldoende aannemelijk is dat het ongeval is ontstaan door een combinatie van twee factoren: het rijgedrag enerzijds en het niet-dragen van de gordel anderzijds. Beide elementen waren onmisbaar voor het intreden van het gevolg; het was de hele rit zonder gordel goed gegaan terwijl dit, bij een normale rijwijze, niet leidde tot een val uit de stoel; omgekeerd mag aangenomen worden dat niet­ tegenstaande het abrupte remmen [appellante] niet uit de stoel zou zijn geschoven als zij de gordel had om gehad. Geen van beide oorzaken kon dus op zichzelf dit ongeval bewerkstelligen.

Het hof taxeert de bijdrage van elk van deze twee elementen in het ontstaan van het letsel op de helft.

4.10.
Voor het totale aandeel van elk van betrokken partijen is dus, anders dan de rechtbak overwoog, relevant of de chauffeur aanvankelijk de gordel bij [appellante] had om gedaan of niet. Heeft hij dat wel gedaan, dan valt hem te dien aanzien geen fout te verwijten; per saldo komen de gevolgen van het ongeval dan voor de helft voor rekening van elk van partijen: aan [appellante] omdat zij de gordel weer heeft afgedaan, aan de chauffeur vanwege zijn rijwijze.

Heeft hij die gordel niet bij [appellante] omgedaan, dan is zijn aandeel 75% en dat van [appellante] 25%: het aandeel van de chauffeur vanwege zijn rijwijze bedraagt dan 50%, en het aandeel groot eveneens 50% in verband met het niet dragen van de gordel komt voor gelijke delen van 25% voor rekening van respectievelijk de chauffeur en [appellante] zelf.

4.11.
Het is [appellante] die als eiseres eventueel bewijs dient bij te brengen van haar stelling dat de chauffeur haar de gordel niet had omgedaan.

Reeds thans overweegt, het hof, dat (afgezien van het feit dat het geen als getuige afgelegde, en beëdigde verklaringen betreft) het door haar bij te brengen bewijs niet ontleend kan worden aan haar verklaring zoals ter comparitie afgelegd, gelet op hetgeen de chauffeur toen op zijn beurt heeft verklaard.

4.12.
Bij het voorgaande heeft het hof geheel geabstraheerd van de vraag of [appellante] krachtens enige tussen hen bestaande contractuele relatie, dan wel op grond van onrechtmatige daad [geïntimeerde] zou kunnen aanspreken. Dat soort kwesties zou mogelijk van belang kunnen zijn als het gaat om (bijvoorbeeld) de vraag of de rit tijdig is uitgevoerd, of de juiste eindbestemming is bereikt, en welke contraprestatie is verschuldigd, doch de toetsing van het onderhavige verwijt dient ongeacht de grondslag daarvan tot eenzelfde resultaat te leiden, nu immers de door de chauffeur in acht te nemen zorgvuldigheid in verband met het welzijn van zijn passagiers, onafhankelijk van de juridische grondslag van een tegen hem ingestelde vordering, telkens op gelijke wijze dient te worden ingevuld.

4.13.
Wat de grieven betreft: grief 1 is gegrond doch behoeft als zodanig niet te leiden tot vernietiging van het vonnis, maar wel tot aanpassing van de feiten op basis waarvan geoordeeld moet worden.

Grief 2 leidt in geen geval tot vernietiging van het vonnis nu in elk geval in hoger beroep [appellante] alle relevante stukken en stellingen over heeft kunnen leggen respectievelijk opwerpen.

4.14.
Ook voor grief 3 geldt, dat wat hier ook van zij, deze niet tot vernietiging van het vonnis leidt omdat de vraag of de vordering dient te worden beoordeeld op basis van overeenkomst of onrechtmatige daad, niet tot enige andere uitkomst leidt.

4.15.
In het voorgaande ligt besloten dat [appellante] bij grief 4 geen belang heeft.

4.16.
In het vorenoverwogene ligt besloten dat grieven 5 en 6 gegrond zijn.

4.17.
[geïntimeerde] dient dus als werkgever van de chauffeur en als degene onder wiens verantwoordelijkheid dit personenvervoer is uitgevoerd, afhankelijk van de uitkomst van bewijslevering door [appellante] , 50% of 75% van de schade te vergoeden.

4.18.
Dat betekent dat het dienstig is reeds thans nader in te gaan op de schade. Er wordt € 7.108,-- aan materiële schade gevorderd, welke gemotiveerd door [geïntimeerde] is bestreden. De onderbouwing ervan is te vinden in een brief aan de advocaat van [naam] , productie 4 bij memorie van grieven.

Voor posten 1, 2 en 4 geldt dat het gaat om prognoses omtrent te verwachten kosten, welke weliswaar in de brief van een zekere onderbouwing zijn voorzien, doch voor het overige in genen dele gestaafd zijn door bescheiden of andere verifieerbare gegevens. Bijvoorbeeld: op geen enkele wijze wordt aangegeven waarom voor de verhuizing geen € 1.000,-- of € 100,-- wordt opgevoerd. Op deze wijze onderbouwd komen deze posten niet voor toewijzing in aanmerking en zelfs is de feitelijke onderbouwing zo ondermaats dat deze zich niet leent voor bewijslevering. Post 3 betreft kosten welke reeds gemaakt zouden zijn, doch na 1 jaar is geen enkele concrete specificatie van deze posten gegeven. De bulk bestaat uit daggeldvergoeding à € 25,-- per dag welk bedrag niet anders wordt onderbouwd met een verwijzing naar het gegeven dat dit "gebruikelijk" door verzekeraars wordt vergoed, zonder dat daarbij wordt aangegeven of het gaat om WA-verzekeraars van aansprakelijke personen of ongevallen-verzekeraars van slachtoffers. Enige nadere onderbouwing ont­ breekt. Voorts geldt, dat als het bij een daggeldvergoeding gaat om een forfaitaire vergoeding voor kosten, toch enig inzicht gegeven dient te worden omtrent de kosten die daaronder kunnen vallen, dat als het gaat om een vergoeding voor gemiste inkomsten daarvan in casu geen sprake lijkt te zijn, en dat als het gaat om een vergoeding wegens ongemak, dit reeds begrepen is in de gevorderde immateriële schadevergoeding.

Mitsdien is ook deze post onvoldoende onderbouwd en zijn zelfs onvoldoende voor bewijs vatbare feiten ter onderbouwing daarvan gesteld.

4.19.
Dan resteert de vergoeding wegens immateriële schade. Het hof heeft ter vergelijking gekeken naar de zaken, in het register van het “Smartengeldnummer” van het blad Verkeersrecht, editie 2003, gekeken op blz. 202 naar alle gevallen onder de categorie "Bekken/heup", en wel de beide aldaar genoemde subcategorieën.

4.20.
Rekening houdend met die gevallen enerzijds en met de gevolgen voor [appellante] anderzijds, zoals mede omschreven in de memorie van grieven sub 19., begroot het hof de immateriële schade op een bedrag groot € 10.000,--, waarvan al naar gelang de uitkomst van eventueel door [appellante] bij te brengen bewijs, een bedrag van € 7.500,-- (als zij slaagt in het bewijs) of € 5.000,-- (als zij niet slaagt in het bewijs of van bewijslevering afziet) dient te worden uitbetaald. ECLI:NL:GHSHE:2007:2808

en:

GHSHE 280807 iaansprakelijkheid 50 % n voor ongeval met scootmobiel in taxi waarbij de gordel niet gedragen werd

als vervolg op het op 23 januari 2007 gewezen tussenarrest.

6
Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

[appellante] heeft van het bijbrengen van bewijs afgezien. De stukken zijn andermaal overgelegd voor uitspraak.

7
De beoordeling

7.1.
Het hof verwijst naar en volhardt bij het tussenarrest. In rov. 4.20 is reeds overwogen, hoe – naar gelang de uitkomst van de bewijslevering – geoordeeld zou worden. Het hof heeft geen reden daar thans van af te wijken. Overeenkomstig het aldaar overwogene zal [geïntimeerde] worden veroordeeld tot betaling van € 5.000,--, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding, waarbij in verband met het feit dat aanmerkelijk minder zal worden toegewezen dan werd gevorderd, het salaris zal worden vastgesteld op basis van het toe te wijzen bedrag. Voor de goede orde zij erop gewezen dat zij haar in eerste aanleg ingediende vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, blijkens de specificatie van haar vordering in hoger beroep (memorie van grieven sub 19, 20 en 21) niet heeft gehandhaafd. De rente is gevorderd, en toewijsbaar, vanaf 8 december 2003, zijnde daags na het ongeval. ECLI:NL:GHSHE:2007:542

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies